Nederland is veel te ambitieus met zijn internationale vredesoperaties

Na de val van de Muur ontstond in Nederland een even romantische als paradoxale coalitie tussen naïeve wereldverbeteraars en een naar lijfsbehoud hunkerend defensie-apparaat. Volgens Jacques Monasch verliest het ministerie van Defensie de realiteit uit het oog.

Het debat over de toekomst van militaire interventies, codenaam 'vredesoperaties', spitst zich in Nederland toe op het echec rond Dutchbat in Srebrenica en de klungelige controle daarop van parlement en minister. De condities voor de uitzending alswel de informatie over het optreden van Dutchbat in haar operationele fase waren ver onder de maat. De Nederlandse politiek en haar militairen lijken voor deze taken vooralsnog een maatje te klein. Terecht is men in 'Den Haag' angstig om in een nieuw avontuur verstrikt te raken.

Er is dus inderdaad iets grondig mis met het huidige Nederlandse ambitieniveau, zoals Homan en Leurdijk in NRC Handelsblad van 23 september stellen. Maar in tegenstelling tot wat zij beweren ligt dat ambitieniveau niet te laag, maar veel te hoog. Daarbij stelt het beleid de verkeerde prioriteiten.

Nederland moet zich veel terughoudender opstellen bij het beschikbaar stellen en paraat houden van eenheden voor vredesoperaties. Homan en Leurdijk goochelen met cijfers om ons te doen geloven dat we, als we sneller kunnen interveniëren, effectiever en waarschijnlijk ook vaker kunnen ingrijpen. Maar uit geen enkel voorbeeld van het duizelingwekkend aantal internationale interventiemachtjes die zij ten tonele voeren, blijkt dat die (bijvoorbeeld in Rwanda) wel op tijd waren om erger te voorkomen. Wat zij daarover beweren, is louter speculatief.

Homan en Leurdijk gaan ook achteloos voorbij aan het feit dat voor militair ingrijpen politieke consensus nodig is. Maar het proces van politieke consensus loopt bepaald niet synchroon met de tijd die voor de ontwikkeling van een interventiemacht nodig is. Hun artikel wijst ons dan ook in een achterhaalde en principieel onjuiste richting.

Het probleem van hun benadering ligt in de omvorming van ons defensie-apparaat na de Koude Oorlog tot een internationale interventiemacht. Het ministerie van Defensie is na de val van de Muur voortvarend op zoek gegaan naar nieuwe taken. Elke bureaucratie wil overleven. Na de landsverdediging moest en kon nu de wereld verdedigd worden. Zo ontstond een even romantische als paradoxale coalitie tussen naïeve wereldverbeteraars en een naar lijfsbehoud hunkerend defensie-apparaat.

De meest in het oog springende nieuwe rol van dit apparaat was die van de luchtmobiele brigade. Nederland zou met een snelle eigen interventiemacht kunnen bijdragen aan 'vredesoperaties' waar ook ter wereld en daardoor aan het streven naar collectieve veiligheid.

Dit beleid is om tenminste drie redenen onjuist geweest. Het meest principiële is dat aan een politiek van met veel geweld gepaard gaande, militaire ingrepen een dominante positie werd toebedeeld, alsof het dé oplossing was van internationale problemen. Het primaat van structurele, lange termijn investeringen in probleemgebieden of het vroegtijdig opsporen van mogelijke conflicten dreigt daarmee naar de achtergrond te verdwijnen. Er is nog niet een begin van een conflict of iemand in politiek of militair Den Haag roept al dat Nederland militair tussenbeide moet komen.

Alleen Srebenica lijkt sommigen tot inkeer te hebben gebracht. Militair ingrijpen kan, als sluitstuk van beleid, noodzakelijk zijn, maar het mag nooit de hoofdpijler van beleid worden.

Een gevaarlijke neveneffect is geweest dat juist waar de politiek, nationaal en internationaal, er alles aan gelegen zou moeten zijn om het gebruik van geweld terug te dringen, zij door 'beschaafde' naties als normaal instrument van politiek wordt gebruikt. Dit legitimeert het gebruik van geweld door derden. Uit normatieve overwegingen alsook vanuit het gevaar van escalatie, zou het gebruik en vertrouwen in gewelddadige oplossingen eerder teruggebracht dan versterkt moeten worden.

De tweede reden voor een ander beleid ligt in de miskenning van de wijze waarop de besluitvorming en de belangen in de internationale gemeenschap georganiseerd zijn, zowel tijdens de koude oorlog als daarna. De Pax USA en de Pax USSR zorgden, zeker na de koloniale oorlogen en ondanks de aanwezigheid van kernwapens, voor een relatief stabiele vrede en veiligheid. Na de Koude Oorlog is door het wegvallen van de hegemonie van de twee wereldmachten een vacuüm ontstaan in het leiderschap van de internationale gemeenschap. Alleen de VS vullen dat gat bij tijd en wijle op, maar het ontbreekt de internationale orde aan leiderschap en coördinatie.

In plaats van een actieve politiek om dit vacuüm in te vullen, is de internationale gemeenschap, de Nederlandse overheid incluis, te gemakkelijk teruggevallen op geweld als gelegitimeerd en effectief middel van politiek en ordening. Daardoor heeft men verzaakt te kiezen voor een politiek waarin het vreedzaam vormgeven van de internationale orde dominant is.

De na-oorlogse internationale orde kan getypeerd worden als de Anarchy of States. Nog steeds is de internationale gemeenschap er niet van doordrongen dat er gezocht moeten worden naar nieuwe vormen van samenwerking en leiderschap. Want als voor militair ingrijpen (als sluitstuk) wordt gekozen dan kan dat alleen als het gebaseerd is op een eenduidige besluitvormingsstructuur. Militairen kunnen niet vooruit gestuurd worden als aan het thuisfront nog gediscussieerd wordt over de organisatie en de militaire bevoegdheden te velde, zoals in het voormalige Joegoslavië het geval was.

Een derde punt van kritiek is dat inmiddels de machteloosheid van 'militaire interventies' is gebleken. Saddam Hussein zit nog steeds op zijn troon. In Rwanda en Burundi heeft de internationale gemeenschap gewapend niet veel kunnen uitrichten. In Somalië hebben de warlords het gewonnen van hoog en goed opgeleide militairen. Niet alleen in een jungle, zelfs in een woestijn kan men niet effectief interveniëren. En dan zwijgen we nog maar over het barbaarse gedrag van onze jongens in Angola.

Voor zover het interveniëren in het voormalig Joegoslavië succesvol is, lag dat zeker niet aan de VN, maar aan het ingrijpen van de NAVO - lees de Verenigde Staten. Dat is een wankele waarborg voor een definitieve vredesregeling.

Te vrezen valt ook dat militaire interventiemachten vroeg of laat geconfronteerd worden met beter bewapende tegenstanders. De ongelijkheid in het wapenarsenaal rond Sarajevo en in Koeweit en Bagdad zal niet blijvend zijn. Meer 'wapengelijkheid' en dus militaire tegenstand zal met veel meer bloedvergieten aan westerse zijde en dus met een snelle afbrokkeling van het draagvlak voor interventies gepaard gaan. De politieke consensus is snel verdwenen als de eerste 'bodybags' thuiskomen. Het zijn de voorspelbare momenten waarop de euforie rond militair ingrijpen plaats maakt voor de bezinning over de juistheid en effectiviteit van het ingrijpen. Het is het begin van de aftocht, zo leert de geschiedenis.

En er is nog geen enkele actie echt succesvol geweest. 'Blauwhelmen' manifesteren zich noodgedwongen als brandweermannen met te weinig bluswater, als Florence Nightinggale's in camouflagepakken, of als militairen wier eigen wapens vooral uitkomst boden om de eigen vrije aftocht mee af te kopen.

De periode van het primaat van militaire interventies is op haar eigen tekortkomingen gestuit. Dutchbat kan beter de kazerne weer in. Het wordt tijd voor een herijking van het buitenlands beleid.