Kabila's Congo raakt verstrikt in ruzie buren

De bloedige machtsstrijd in Congo-Brazzaville tussen president Pascal Lissouba en zijn voorganger Denis Sassou N'Guesso krijgt steeds meer vertakkingen in roerig Midden-Afrika.

ROTTERDAM, 4 OKT. Een zware delegatie uit het door burgeroorlog geteisterde Congo-Brazzaville stak dinsdag de rivier de Congo over om een dreigende burenruzie te voorkomen. De vredesmissie naar Kinshasa, hoofdstad van de Democratische Republiek Congo (voorheen Zaïre), bestond uit premier Bernard Kolelas en zijn minister van Binnenlandse Zaken, kolonel Philippe Bikinkita.

De kolonel bracht drie gevangenen naar Kinshasa, dat slechts door de brede Congorivier van Brazzaville wordt gescheiden. Twee van hen waren Hutu's uit het voormalige leger van Rwanda (FAR). Zij waren betrokken bij de genocide in dat land, trokken in acht maanden dwars door Congo/Zaïre en staken in mei de rivier over naar Brazzaville, op de vlucht voor de Tutsi-soldaten van (toen nog) rebellenleider Laurent-Désiré Kabila. De derde gevangene was een gewezen lid van de Division Spéciale Présidentielle (DSP), het garderegiment van ex-dictator Mobutu die op 16 mei uit Kinshasa vluchtte en vorige maand overleed in zijn ballingsoord Marokko.

De gevangenen waren een zoenoffer voor Mobutu's opvolger, president Kabila, die in woede ontstak toen maandag en dinsdag een regen van granaten uit Brazzaville neerdaalde op Kinshasa en daar 21 burgers doodde. De regering van president Lissouba, wiens troepen sinds 5 juni worden bestookt door de zwaar bewapende milities van ex-president Denis Sassou N'guesso, beweert dat gewezen leden van FAR en DSP meevechten met generaal Sassou en vanaf de oever van de Congo enkele dagen hebben geschoten op Kinshasa. De regeringen van de beide Congo's kwamen woensdag overeen dat een contingent van Kabila's soldaten de sluipschutters in Brazzaville mag opsporen en uitschakelen en een 'veiligheidscorridor' mogen uitzetten in de hoofdstad. Dit om nieuwe bombardementen op Kinshasa te voorkomen.

De jongste kanonnade uit Brazzaville betrekt Kabila's Congo in een conflict waarmee het niets te maken heeft, maar dat inmiddels al vertakkingen heeft in Midden-Afrika. De legermacht van president Lissouba vormt een bont gezelschap: soldaten van het regeringsleger die niet zijn overgelopen naar Sassou, milities op etnische grondslag - de zogenoemde 'Zoeloes' - en Hutu-vluchtelingen uit Rwanda. Die laatsten opereren in Congo-Brazzaville als huurlingen en zijn ook te vinden in de rijen van Sassou's milities. In augustus kocht Lissouba met de opbrengsten van de rijke oliebronnen voor de kust, die nog steeds voor honderd procent in zijn kas stromen, twee Russische gevechtshelikopters in Kirgizië, volgens hardnekkige geruchten na tussenkomst van de gewezen Angolese rebellenleider Jonas Savimbi. Die zou sinds de val van vriend Mobutu de diamanten uit door hem gecontroleerd gebied in noordoost-Angola verschepen via Congo-Brazzaville.

Lissouba is niet meer zo kieskeurig. Tot Mobutu's vlucht in mei een trouwe bondgenoot van de dictator, zoekt hij nu steun bij diens aartsvijand Kabila. Deze besloot tot een vooralsnog beperkte interventie, die het toch al labiele Midden-Afrika nog verder kan destabiliseren. Generaal Sassou N'Guesso liet woensdag weten de komst van Kabila's manschappen als een “oorlogsdaad” te beschouwen.

De toenadering tot het andere Congo bevrijdt Lissouba uit zijn isolement. Hij werd in 1992, na opheffing van de marxistische een-partijstaat, tot president verkozen en kreeg het al spoedig aan de stok met voormalig moederland Frankrijk, waarmee zijn voorganger Sassou tijdens de twaalf jaar (1979-1991) van zijn autoritaire presidentschap warme banden onderhield. De exploitatie van 's lands oliebronnen is sinds de jaren zeventig het alleenrecht van de Franse oliegigant Elf-Aquitaine en Lissouba zocht na zijn verkiezing contact met Britse en Amerikaanse maatschappijen. Dat steekt in Parijse kringen.

Franse paracommando's evacueerden in juni, kort na het begin van de vijandelijkheden in de hoofdstad, Franse staatsburgers uit Brazzaville en trokken zich daarna terug, zonder de verkozen president te hulp te snellen tegen generaal Sassou. Toen die laatste nog president was en te maken kreeg met een militaire rebellie, sprongen Franse militairen hem wèl bij en naar verluidt geniet Sassou nog steeds royale gunsten van het Franse bedrijfsleven. De regering-Jospin verklaart haar terughoudendheid uit nieuwe prioriteiten in haar Afrika-politiek, maar in het kamp van Lissouba rept men van een “dolkstoot in de rug”.

Begin september bracht de belaagde president een bezoek aan Parijs in een laatste poging Frankrijk tot bijstand te bewegen. Zijn ambtgenoot Jacques Chirac weigerde hem te ontvangen en adviseerde hem tijdens een stormachtig telefoongesprek in te gaan op het vredesvoorstel van Omar Bongo, president van buurland Gabon en een oude vriend van Frankrijk. Bongo, die er veel aan gelegen is dat de rust in het buurland wordt hersteld, heeft deze zomer verscheidene pogingen ondernomen de strijdende partijen in Brazzaville tot elkaar te brengen. Bongo's echtgenote, Edith, is een dochter van Sassou N'Guesso, maar daar staat tegenover dat de Nzabi, de bevolkingsgroep waartoe Lissouba behoort, sterk vertegenwoordigd zijn in Gabon. Bongo stelde Lissouba voor de macht te delen met Sassou en gedurende een overgangsperiode als titulair president aan te blijven. Een door Senegalezen bemande vredesmacht zou de strijdende partijen uit elkaar moeten houden.

Lissouba noemde de suggestie van Chirac een “koloniaal dictaat, uitgerekend van degenen aan wie we al onze olie ter beschikking hebben gesteld”. Hij vertrok verbitterd naar Brazzaville met de woorden: “Frankrijk verkiest mijn rivaal te steunen. Ik ga naar huis om te sterven aan het hoofd van mijn getrouwen”.