Het volk mort

ONLANGS WAS PARIJS het toneel van wat de bizarste zakenconferentie in vele jaren geweest moet zijn. Niet minder dan twaalfhonderd softwareontwikkelaars waren in de lichtstad bijeengekomen op uitnodiging van software-moloch Microsoft, dat onder meer de zegeningen van zijn nieuwste netbrowser, de Internet Explorer 4.0 wilde etaleren. Krap vijftig van de deelnemers haalden het eind van de conferentiedag, de rest was toen al vol woede en walging verdwenen.

Tot de lunch was er niets bijzonders aan de hand geweest. Het was gewoon zo'n infomercial-achtige bijeenkomst waarvan er dertien in een dozijn gaan. Maar toen iedereen weer zat, nam Microsofts marketingdirecteur Frankrijk het woord voor 'even iets over Java'. Daarmee begon hij een lange en felle filippica tegen deze nog nieuwe, en daardoor wat wankele, maar veelbelovende programmeertaal. Het werkte niet, het deugde niet, iedereen kon zomaar de broncode inkijken en precies zien hoe een programma in elkaar stak, en zo voort. Maar de zaal begreep heel goed wat Microsofts échte bezwaar was tegen Java: het is geen Microsoft-product. En de zaal pikte het niet. Al die keurig in het pak zittende 'IT-specialisten' begonnen als ware schooljongens spontaan te loeien en te sissen, zo erg dat iedereen van zichzelf en elkaar schrok, en er een gegeneerde stilte viel. De Microsoft-staf op het podium staarde verbluft de zaal in, de zaal keek wat onzeker terug, tot iemand opstandig 'Allez Java!' riep, 'Hup Java', waarop een donderend applaus en gejuich losbarstte. Daarna hield de grote meerderheid van de deelnemers het voor gezien en vertrok.

Het kan die avond geen vrolijke boel geweest zijn in de Parijse Microsoft-burelen. En het is nog maar de vraag of de nijvere paladijnen van Bill Gates in de verste verte begrepen waaraan ze hun publicitaire zeperd bij juist dit selecte gezelschap te danken hadden. Microsoft is namelijk geen gewoon bedrijf. Hoe groot het ook geworden is, hoe beangstigend krachtig ook de greep die het op de wereldwijde computermarkt heeft, er heerst kennelijk nog steeds een grote angst om niet letterlijk alles onder controle te hebben, angst dat ergens een David zal opstaan, die met één welgemikte steen Microsoft omkegelt. Gates en de zijnen hebben geen vrienden, het is Microsoft tegen de rest van de wereld.

Microsoft gedraagt zich als de côterie van een self-made potentaat als Shakespeares Richard III. Zodra Richard, een mismaakte man vol complexen, op slinkse wijze op de troon van Engeland is beland, bestaat zijn leven er vooral uit, te voorkomen dat iemand anders hetzelfde kunstje flikt en Richard van zijn positie berooft. Elke mogelijke bedreiging, hoe klein ook, moet worden geneutraliseerd. Iedereen die ook maar de minste rechten op de troon zou kunnen doen gelden wordt uit voorzorg om zeep geholpen, tot zelfs twee doodonschuldige kleuterprinsjes toe.

De parallel met Bill Gates is verbluffend. Ook Bill was een impopulaire, onaantrekkelijke jongen, die zichzelf met vlammende ambitie en langs soms niet helemaal koosjere wegen op de troon gehesen heeft. En ook hij en zijn hofhouding lijken maar één doel te hebben: hun positie met hand en tand verdedigen tegen alles en iedereen. Er bestaan geen concurrenten en geen collega's, er bestaan alleen maar bedreigingen van die positie. Vandaar dat bij elke ontwikkeling in de markt die zijn oorsprong vindt buiten Microsoft, onmiddellijk keihard wordt teruggeslagen, ongeacht de gevolgen.

Netscape, de internetbrowser, was zo'n bedreigende ontwikkeling. Microsoft reageerde onmiddellijk door een eigen internetbrowser op de markt te brengen, de Internet Explorer. Maar Microsoft ging verder. Om Netscape het leven moeilijk te maken kreeg de Internet Explorer expres een paar functies die bijna gelijk waren aan wat Netscape kon, maar net anders werkten. De Explorer werd met opzet incompatibel met Netscape gemaakt. Het gevolg was dat webpagina's niet zomaar meer met elke browser behoorlijk te bekijken waren. Je kreeg pagina's die er met de Explorer goed uitzagen, maar die in Netscape gedeeltelijk niet werkten, en andersom. De bedoeling was, dat de ontwerpers van webpagina's de standaard die mede door Netscape gezet was, zouden verlaten, en de Internet Explorer zouden gaan volgen. Dat daarmee de grondslag van het Internet en het World Wide Web ondergraven werd, was van ondergeschikt belang. Dat de gebruikers vooraan soms maar halve pagina's te zien kregen, ook. Netscape moesten en zouden de benen gebroken worden - iets dat overigens nog niet echt gelukt is.

Maar zoals dat in elk koningsdrama gaat, staat er altijd weer een nieuwe bedreiging op. Uiteindelijk legde Shakespeares Richard het loodje tegen die ene prins die op tijd naar Frankrijk was uitgeweken, Richmond. In computerland gelden dezelfde wetten. Onmiddellijk nadat Microsoft de Explorer had ingezet tegen Netscape, stak alweer een nieuwe, mogelijk veel grotere bedreiging de kop op: Java. Met Java kunnen programma's geschreven worden die op elke computer werken, en dus niet aan Microsofts Windows of welk ander toevallig systeem ook gebonden zijn. Een droom voor programmeurs én gebruikers. Een nachtmerrie voor Gates, die zijn troon alweer zag wankelen. Opnieuw sloeg Microsoft onmiddellijk en bruut terug: met ActiveX, een eigen systeem dat óók zoiets als Java was, maar dan vooral heel anders, en gebaseerd op Microsofts eigen Visual Basic. Zelfs Javascript, een van Java afgeleid soort macrotaal waarmee je Webpagina's betrekkelijk eenvoudig tot leven kunt brengen, ontsnapte niet aan Microsofts bloedige zwaard. Ook daarvan maakte het bedrijf uit Redmond fluks een net even hinderlijk afwijkende versie, Jscript, die zorgt dat scripts al gauw niet meer in elke browser correct werken.

Het volk - gebruikers, ontwerpers en programmeurs - is zoals altijd de sigaar, want van de gedroomde standaardisering en uniformiteit komt op deze manier niets terecht. Maar het volk mort, zoals in Parijs, en begint te hopen dat ooit een of andere Richmond naar Redmond opmarcheert en een eind aan deze onvolwassen onzin maakt.