Het verborgen leven van Brasilia, 's werelds jongste en modernste hoofdstad; Een scherpe afdruk van menselijk kunnen

Brasilia, hoofdstad van Brazilië, is als een beredeneerde utopie op de tekentafel ontstaan. De jonge stad kreeg eerst wegen en imposante gebouwen, pas later kwamen er bewoners. Een zuiver monument van het Europees Modernisme dat per decreet in razend tempo op een Latijns- amerikaanse hoog- vlakte werd gebouwd. De werkelijkheid legt het soms af tegen het effect. 'Brasilia heeft een verborgen leven, het is geen stad die zich meteen prijsgeeft.'

Maria's adres las als een computercode: SQS 106 Block C Flat 201. Wie het systeem van de stad kent heeft geen kaart nodig, die loopt er zo naar toe - of beter gezegd, rijdt, want Brasilia is niet te belopen. Dit is de modernste hoofdstad ter wereld en ook de jongste, een stad van nog geen veertig jaar oud, waar pas sinds kort mensen zeggen: daar kom ik vandaan. Een stad die per decreet in een onmogelijk korte tijd is ontsproten aan de afgelegen hoogvlakte van een land dat groter is dan de Verenigde Staten. Een stad die op een aprildag in 1960 officieel voor geopend werd verklaard, een stad als een toneeldecor, een levende foto, een tekentafel in drie dimensies - maar bevolkt door warmbloedige mensen. Zoals Maria Ramos.

Maria, nu 32, woont al tien jaar in het buitenland - Parijs, Londen, nu in Amsterdam waar ze de Filmacademie volgde. Voor haar eindexamen ging ze terug om een portret te maken van haar geboortestad: 'Brasilia, een dag in februari'. In de loop van die ene dag leren we een diplomatenvrouw kennen, een studente en een verkoper die met spiegels door de stad trekt, onwetend van de beelden die hij over zijn schouder meedraagt: een straatjochie, een groepje giebelende dienstmeisjes, de monumentale wolken. “Ik wilde voor mezelf de balans opmaken”, zegt ze. “Met film als middel wilde ik de verhouding onderzoeken tussen die bijzondere ruimten en gebouwen en de mensen die er wonen en werken.”

Brasilia's ontwerpers meenden met gelijke delen idealisme en hoogmoed dat ze bouwden aan een sociale en architectonische utopie: de nieuwe stad zou met zijn frappante uiterlijk Brazilië de nieuwe tijd binnenloodsen. Sterker nog, alle oude politieke en economische tegenstellingen die het land van oudsher plaagden, zouden in één klap overwonnen worden. Inderdaad is de bizarre architectuur van Oscar Niemeyer wereldberoemd geworden, en inderdaad zijn de sociale structuren hier anders dan elders. Maar de droom die de bedenkers van Brasilia veertig jaar geleden op de tekentafel uitzetten, is toch onderweg veranderd.

Maria Ramos is van de eerste generatie èchte Brasilienses, degenen die er geboren en getogen zijn. “Die generatie is maar klein”, zegt ze. “Het waren voornamelijk jonge gezinnen die naar de nieuwe stad trokken, en de meesten van mijn leeftijdsgenoten waren al elders geboren. Mijn ouders waren er allebei echter als vrijgezel komen wonen en ontmoetten elkaar op hun werk bij de Novacap.” Dat was een afkorting van 'Nova Capital', Nieuwe Hoofdstad, het bedrijf dat de overheid opzette om de stad te bouwen. Bij Maria in de keuken hangt een foto van haar vader op de bouwplaats in druk overleg met Niemeyer, bij wie Maria als meisje veel over de vloer kwam.

Al vanaf 1823, toen Brazilië onafhankelijk werd van Portugal, was er gesproken over een nieuwe hoofdstad met de naam Brasilia. Pas onder de charismatische president Jucelino Kubitschek de Oliveira, die hierin zijn kans op onsterfelijkheid zag, kwam het tot daden - en toen moest het ook in een duizelingwekkende vaart. 'Vijftig jaar in vijf!' was zijn leus: jaren van afwachten en achterstand zou zijn land gedurende zijn termijn van vijf jaar inlopen. Als het huzarenstukje maar klaar was voor zijn presidentschap in april 1960 afliep - zijn opvolger zou nooit het project van zijn voorganger overnemen.

Al voordat er ook maar een idee was over hoe de stad moest worden vertrouwde Kubitschek de zorg voor de architectuur toe aan Oscar Niemeyer, toen en nu nog Braziliës bekendste architect. Vervolgens werd er een prijsvraag gehouden voor het ontwerp van de stad zelf. Het is nu veertig jaar geleden dat het winnende plan werd gekozen: dat van Lúcio Costa, stedebouwkundige, hoofd van de kunstacademie en Niemeyers mentor. Zijn inzending was laconiek, op het achteloze af: vijf losse schetsen en een tekst met 23 punten. Geen uitgewerkte tekeningen voor een stad van een half miljoen inwoners, geen bevolkingsprognoses, geen economische analyse - meer een gedachte dan een ontwerp voor de grootste stedebouwkundige exercitie van deze eeuw. Toch had de jury, waar ook Niemeyer lid van was, de keuze voor Costa's 'Plano Piloto' aan een stuwmeer snel gemaakt. Het Engelse jurylid Sir William Holford was exstatisch: “Hier openbaarde zich een denker, een stedenbouwer van de eerste orde. Zelfs op mij, die niet uitblinkt in de Portugese taal, maakte zijn toelichting een lyrische en frappante indruk.”

Niemeyer en Costa waren beiden fervente aanhangers van het Modernisme in de architectuur en stedenbouw, waarvan Le Corbusier de bekendste exponent was en is. Onder leiding van 'Corbu', die in 1929 en 1936 lezingen hield in São Paulo en Rio, had Niemeyer begin jaren dertig een gebouw in Rio ontworpen voor het ministerie van onderwijs - overigens nog steeds in gebruik - dat hem in Europa al een zekere faam bezorgde. Voor de overheid werd daarmee de moderne architectuur, die immers radicaal met de koloniale traditie brak, het symbool van Brazilië's status als moderne natie.

In zijn plan voerde Costa tot in het extreme de scheiding van functies door die het modernisme propageerde, en strooide kwistig met de open ruimte ertussen. Zijn Plano Piloto heeft behalve woonstrips ook een hotelsector, een cultuur- en vermaaksector, een zakensector en een overheidssector. Ertussen lopen brede wegen - de traditionele straat is hier nagenoeg verdwenen - waarin klaverbladen de plaats hebben ingenomen van stoplichten. Zelfs buiten Costa's Plano Piloto gaat de groepering naar functie door. De motels scharen zich bij elkaar in wat de 'Quadra Adulteria', de overspelwijk, wordt genoemd, en zelfs de benzinestations staan bij elkaar in de buurt, hoewel dat in deze autostad bij uitstek toch erg onhandig moet zijn.

Branding

Vanaf mijn kamer op 23 hoog in de hotelsector kijk ik 's avonds uit over de esplanade. Behalve wat schimmige figuren op het busstation, waar de twee hoofdassen van de stad elkaar kruisen, is er geen mens te zien. Het enige geluid is de branding van de auto's en verwaaide dansmuziek uit een onzichtbare radio. In het donker lopen de wegen en de klaverbladen als lichtbanen langs de ceremoniële as, die nu een een onpeilbaar zwarte kuil is met daaromheen wat losse, aangelichte objecten: de kathedraal, het theater, de identieke ministeries die in slagorde staan opgesteld.

Op de kop staan Oscar Niemeyers theatrale gebouwen voor de federale regering: de schaalvorm van de Kamer van Afgevaardigden, de bolvorm van de Senaat en in een rechthoekige vijver de dubbele kantoortoren. Het beeld is van boeken en foto's zo vertrouwd, en de schaal is zo onafzienbaar, dat ook overdag de gebouwen nauwelijks echt lijken. De werkelijkheid kan het bijna niet opnemen tegen het effect.

De volgende ochtend kijk ik opnieuw over de stad uit, maar nu vanaf de televisietoren. Het is duidelijk wat kip was in Brasilia, en wat ei: eerst was er het stadsplan en de infrastructuur, daar kwam de invulling met gebouwen en mensen. Costa ging er prat op, een stad zonder stoplichten te hebben ontworpen, waar net als in Fritz Langs Metropolis de voertuigen over, onder en langs elkaar zouden zoeven. Maar vanaf deze hoogte is ook de kleine overwinning van de onstuitbare stadsbewoner te zien: in het taaie gras van de eindeloze bermen en grasstroken tekenen zich in de rode aarde uitgesleten paden af van voetgangers die geen boodschap aan klaverbladen hebben en recht op hun doel af lopen. Paden, in het Engels desire lines geheten, die even functioneel als informeel zijn, sporen van een onopzettelijk verzet tegen planners die de straat hebben doodverklaard. Verder op zit, met uitzicht op de imponeerzieke regeringsgebouwen, de hoogvlakte daarachter en de grote wolken, een groepje taxichauffeurs onder een mangoboom te kaarten en te dutten.

Terwijl Costa zijn stad volgens de modernste ideeën indeelde, is de vorm van zijn plan ingegeven door het oeroude symbool waarmee men een plaats markeert: het kruis. De vertikale lijn werd de kolossale 'Avenida Monumental', een reusachtige grasstrook van 350 meter breed met vierbaanswegen en de grote openbare gebouwen erlangs. De dwarse lijn van Costa's kruis, hier gebogen als de vleugels van een vliegtuig, zijn de woonwijken.

Tussen 1930 en 1945 had Costa met zijn studenten Le Corbusiers radicale stadsontwerpen bestudeerd, zoals de Ville Contemporaine voor drie miljoen inwoners (1922) en Ville Radieuse uit 1930, waarover de meester zelf schreef: “De stad is een groene stad geworden. Hier hebben staten geen excuus om te bestaan.” In 1962 trouwens bezocht Le Corbusier zelf Brasilia, waarbij hij “mijn vrienden Niemeyer en Costa” uitbundige loofde. Anders dan in de historische steden van Europa stond er op deze uitgestorven hoogvlakte niets zijn ideeën in de weg. En zo verrees in Latijns-Amerika het enige 'zuivere' manifest van het vooroorlogse Europese Modernisme - helder, maar ook autoritair.

Die zuiverheid was voor het Unesco in 1988 reden om Brasilia tot 'monument voor de mensheid' uit te roepen. In een artikel in het tijdschrift De Architect (1989) legt Italo Campofiorito, de toenmalige directeur Monumentenzorg, uit dat niet om de afzonderlijke gebouwen ging. “Het overgrote deel ervan is trouwens lelijk”, schrijft hij onomwonden. “Het zou idioot zijn deze als waardevolle opbjecten te classificeren.” Het ging om het concept, de compositie van maten en ritmes: “De stad is berekend op de kinematografische ervaring: de waarnemer is in ruste terwijl het beeld van de stad voorbij trekt op de ramen van de auto of het vliegtuig.” Brasilia, de eerste en enige 'moderne' stad, was volgens hem “een scherpe afdruk van menselijk kunnen”.

Grens van de waanzin

Natuurlijk was het een krankzinnige onderneming om een stad voor een half miljoen mensen in een paar jaar tijd te willen bouwen. Er was in het begin veel kritiek - 'De grens van de waanzin' schreven de kranten, 'dictatuur in de woestijn!' - maar naarmate de stad zichtbaar vorm kreeg, groeide het enthousiasme voor dit grand projet. Een nieuwe hoofdstad zou een schone lei zijn, bevrijd van alle slepende problemen als verkeer, armoede, corruptie. Toch zijn de verhalen over corruptie en inefficiëntie bij de bouw van Brasilia legendarisch: dezelfde lading zand die meerdere malen werd afgeleverd, rijen koninklijke palmbomen die per abuis niet langs de ministeriële esplanade werden geplant maar langs de residentiële as.

Tegelijkertijd met de wolkenkrabbers van Brasilia schoten in het hele land de prijzen omhoog: in 1959 waren die ruim vijftig procent hoger dan het jaar daarvoor. Op bevel van de president moesten zelfs de spaarbanken en de pensioenfondsen geld in Brasilia pompen - totdat onherroepelijk het moment kwam dat die aan hun eigen verplichtingen niet meer konden voldoen. Novacap ging er op het laatst zelfs toe leveranciers te betalen met waardepapieren, die echter bij het inwisselen nagenoeg waardeloos bleken. Ondertussen kon Oscar Niemeyer in antwoord op de vraag hoeveel het presidentiële paleis Alvorada (Ochtendrood) had gekost, hooghartig antwoorden: “Hoe zou ik dat moeten weten?”

Maar de stad moest tegen elke prijs af. “In mijn geest verankerde zich de overtuiging”, oreerde de president, “dat nu het ogeblik is gekomen om de verplaatsing daadwerkelijk te volbrengen... Een politieke en scheppende daad die een nieuw tijdperk voor ons vaderland zal inluiden!” De inauguratie, op 21 april 1960, was uiteraard groots, zo noteert de Duitse journalist Frank Arnau in zijn boek Brasilia (1960). Uit Rio werd een veertig leden tellend dansorkest ingevlogen, de Paus sprak zijn zegen over de nieuwe stad uit, liefst 55 ambassadeurs maakten hun opwachting, en op het bal droegen de tien rijkst geklede dames juwelen met een gezamenlijke waarde van twee miljoen dollar. In deze Potemkin-metropool waren het presidentiële paleis, de Kamer van Afgevaardigden, het Hooggerechtshof, elf ministeries, een hotel en 94 woonblokken af - althans van buiten. De eerste ceremoniële zitting van Senaat en Kamer van Afgevaardigden duurde slechts tien minuten, bij ontstentenis van meubilair.

President Kubitschek had een oekaze laten uitgaan, dat ambtenaren in Brasilia een flinke toeslag, oplopend tot negentig procent, op hun salaris konden krijgen. Wie liever in Rio bleef, kon zijn ontslag indienen. Maar binnen een week na de inauguratie waren van de elf ministers acht voorlopig teruggegaan naar Rio. Er waren toch geen dossiers, of bodes, of secretaresses, en elke wolkbreuk veranderde de amper geasfalteerde wegen in een glibberige rode massa. Twee maanden na de inwijding werkte nog amper 3,5 procent van alle federale ambtenaren in Brasilia.

Gaandeweg ontstond er een samenleving in de nieuwe stad. Geraldo Noguiera Batista, stedenbouwkundige aan de universiteit van Brasilia, denkt met plezier aan de intimiteit van die pionierstijd. Die duurde een jaar of tien, zegt hij. “Iedereen kende elkaar, je kwam alle politici tegen in de winkels en de bioscoop.” Hij werd in 1963 uitgenodigd aan de universiteit te komen doceren; in het begin woonden hij en zijn vrouw in een motel achter het nationale theater. “Veel van de studenten waren ouder dan ik. Ze kwamen uit het binnenland, waar ze nooit hoger onderwijs hadden kunnen volgen.”

Met de jaren is Brasilia een gewone stad geworden, vindt Noguiera. De universiteit heeft wat van zijn innoverend karakter verloren, maar de levensstandaard is nog altijd hoger dan elders - en het autogebruik ook. “Het openbaar vervoer is nooit goed ontwikkeld, net als de verbindingen tussen de Plano Piloto en de satellietsteden met anderhalf miljoen inwoners. Bovendien zijn auto's goedkoper geworden en komen er letterlijk duizenden per maand bij.” De stad voert nu dan ook uitgebreid campagne om het aantal verkeersdoden terug te brengen.

Geheime sociale agenda

Vergeleken met de historische steden van Europa is Brasilia binnenste buiten gekeerd: de levendigheid speelt zich niet af in het centrum, maar in de woonwijken. Bovendien wonen er nog eens driemaal zo veel mensen in de satellietsteden om de Plano Pilóto heen. “Brasilia heeft een verborgen leven”, zegt Maria Ramos, “soms zelfs letterlijk ondergronds. Er zijn leuke, levendige kroegen en clubs, maar je moet ze weten te vinden. Het is geen stad die zich meteen prijsgeeft.”

Precies zoals Costa ze had getekend zijn de woonwijken aangelegd, uiterst rationeel in genummerde strips. Als meisje woonde Maria in de chique 100-strip, in Super-Quadra Sul (Zuid) nummer 106; de 700-strip was voor de lagere inkomens bedoeld. De flats van drie tot zes verdiepingen hoog staan gegroepeerd in superquadras, wijkjes van 240 x 240 meter met bij elkaar zo'n 2600 bewoners; om de twee superquadra's zijn er winkels en scholen. “Brasilia wordt hier vaak vergeleken met de Bijlmer, maar de buitenruimte is oneindig veel gastvrijer”, zegt Maria gedecideerd. “Je kende iedereen, het is er mooi groen, je kon rustig in de open ruimte onder de flats spelen of naar vriendinnen in de volgende superquadra fietsen of lopen.”

Zo rationeel als deze opzet klinkt, zo bevlogen was de geheime sociale agenda die eraan ten grondslag lag. “De superquadras”, aldus Costa, “zullen voor een bepaalde mate van sociale coëxistentie zorgen, waaardoor ongewenst klassenonderscheid kan worden vermeden.” Ontwikkelingsmaatschappij Novacap schilderde het leven de superquadra's in de bedrijfskrant af als “een grote familie”.

Aan hun maatschappelijke bijbedoelingen gaven architect en stedebouwer weinig ruchtbaarheid. Dat hoefde ook niet: hun opdrachtgever interesseerde zich nauwelijks voor het karakter van zijn geesteskind - als het er maar kwam. “Wij hebben nooit over onze politieke opvattingen gesproken”, heeft Niemeyer gezegd. Met andere woorden: Brasilia is niet ontworpen om Braziliaans te zijn, maar om een nieuwe mens te scheppen die zich juist aan de last van het verleden zou onttrekken. In één opzicht is dat inderdaad gelukt, vertelt Maria. “Er ontstond een nieuwe sociale structuur omdat niemand familie in de buurt had. Je vrienden werden als het waren je familie. Mijn vader was goed bevriend met Niemeyer en zijn dochter. We gingen daar elke zondag lunchen. Die mensen ken ik veel beter dan mijn eigenlijke ooms en tantes. Die zag ik maar één keer per jaar zag als we met vakantie naar Rio gingen.”

Het ideaal van een economische menging is echter niet uitgekomen. Door z'n starheid werd de Plano Pilóto juist een enclave, waar de scheiding tussen rijk en arm nog scherper was dan in de andere steden. Alles wat niet in dat utopische beeld paste, bijvoorbeeld de tientallen duizenden bouwvakkers die er na de bouw in houten barakken bleven wonen, is naar de rand verbannen. Rondom de officiële stad is er een ring van onofficiële satellietsteden ontstaan, sommige met een veel levendiger economie dan de Plano Pilóto. “Het succes van Brasilia's ordelijkheid”, schrijft de Amerikaanse antropoloog James Holston in zijn uitputtende studie The Modernist City: An Anthropological Critique of Brasília (1989), “is tot op grote hoogte afhankelijk van het uitbannen van de wanorde uit het centrum naar de periferie.”

Maria vond Brasilia te klein worden - “iedereen van jouw generatie ken je al, op z'n minst van gezicht” - maar ondanks de reputatie van saaiheid willen veel inwoners er niet weg. “Mijn generatie is er geboren en loopt zich dus niet voortdurend af te vragen of het niet in hun 'eigen' dorp of stad beter was.” Er is nu een volwassen stedelijk leven. De oevers van het meer zijn weliswaar geen openbare recreatiegebieden, zoals de bedoeling was, maar de privé-clubs en dure restaurants floreren wel, net als de uitgaansgebieden tussen de superquadras. De levensstandaard en de salarissen zijn er hoger dan elders, en Brasilia is een van de weinige plaatsen waar je op de maatschappelijke ladder kunt stijgen. Maar Costa's verlichte Plano Pilóto is mettertijd, mede door de glazen stolp waaronder Unesco de stad bijna tien jaar geleden plaatste, een dwangbuis. Het scherpe afdruk van menselijk kunnen dreigt een fossiel te worden, een museum voor een utopie.