Ex-schilder Walter Dahn sampelt uit de popcultuur op expositie in Stedelijk; Liedjes zeggen meer dan de kunstwerken

Walter Dahn: 'Another Time, Another Place', tentoonstelling van werk van 1988 tot heden. In het Stedelijk Museum, Amsterdam. T/m 23 november. Dagelijks geopend 11-17 uur.

Beschilderde stukken wrakhout, een gebroken wandelstok waaraan een halfontsproten twijg is bevestigd, een kleurig speelgoedtoetertje, een luidspreker van zink vol met blutsen, het geboortehuis van Elvis Presley nagebouwd in het klein, een schilderijtje met babyroze bloemen en de tekst 'A Roomful of Roses': dit zijn zo enkele voorwerpen uit de overzichtstentoonstelling van Walter Dahn (St. Tönis, 1954). Toch is het woord 'nostalgie' voor Dahn absoluut taboe. Wanneer ik dit woord laat vallen reageert de kunstenaar en Beuys-Schüler geïrriteerd: “Mijn werk is niet nostalgisch. Het is pathos, maar zonder sentimentaliteit. Mijn werk gaat niet over het verleden, het gaat over de toekomst.”

Dit wekt verbazing. Ik zie immers uitsluitend verwijzingen naar het verleden. Dahn: “Het gaat over de toekomst, omdat je moet weten waar je vandaan komt om verder te kunnen.” Maar met een onderzoek naar het verleden kom je toch niet automatisch bij de toekomst terecht? Dahn antwoordt met iets dat veel weg heeft van een preek: “Respect voor iedere vorm van leven, voor alles wat leeft, voor de natuur als geheel, voor ieder menselijk wezen, voor het leven dat de mensen leiden tegen onderdrukking in. Ik ben vóór de Rainbowcoalition van de hele wereld. Zoals Jezus zei, en Martin Luther King, en Malcolm X, en Elvis Presley: alle mensen zijn gelijk. Liefde is het sleutelwoord. Het gaat mij om het idee van liefde, respect, arbeid, liefde voor iedere uitdrukking van de mens en van de natuur. Dit is géén mythologie, géén mystificatie, nee, het is werkelijkheid.”

Dahn ging op 17-jarige leeftijd naar de kunstacademie van Düsseldorf en kwam terecht in de klas van Joseph Beuys, waar hij verbleef van 1971 tot 1977. Onder leiding van Beuys zochten de studenten naar hun Duitse artistieke wortels, en zetten zij zich af tegen de Amerikaanse Pop Art en abstracte Amerikaanse schilderkunst. Het curriculum was erop gericht een maatschappelijke ommekeer teweeg te brengen, met als doel de bevrijding van de creatieve impulsen van het individu. Collectivistische acties en performances waren een belangrijk deel van het programma. Eind jaren zeventig richtte Dahn met zes Keulse kunstenaars, onder wie Ji Georg Dokoupil, de geruchtmakende 'Mülheimer Freiheit' op, een groep die zocht naar een collectieve en vitalistische schilderkunst. Later zette Dahn het schilderswerk alleen voort, zoals te zien was op een overzichtstentoonstelling in het Van Abbemuseum in 1986, onder Rudi Fuchs, die Dahn nu uitgenodigd heeft in het Stedelijk Museum.

Dahn heeft het schilderen inmiddels opgegeven. Hij bouwt zijn tentoonstellingen op uit ensembles van voorwerpen, waaronder ook tekeningen en kleine tekstschilderijen. Door de dingen op een expressieve, intuïtieve manier bijeen te brengen wil hij de veranderlijkheid en veelzijdigheid van de wereld herscheppen. Hij doet dit, in zijn woorden, met een 'anthropologiserende blik'. Bij dit alles is leermeester Beuys levensgroot aanwezig, wat Dahn ook toegeeft. Bij dit alles is leermeester Beuys levensgroot aanwezig, wat Dahn ook toegeeft. Wijzend naar de wandelstok zegt hij: “Het lijkt een beetje op Beuys, maar dat kan me niet schelen. Wat je ziet is niet belangrijk, het is allemaal heel casual. Het zijn instrumenten voor discussie.”

Maar zo casual is het nu ook weer niet. Dahn is al tien dagen bezig met uitpakken zegt hij, en de inrichting van ieder zaal vereist een 'oneindige precisie'.Het overkoepelende thema van de tentoonstelling in het Stedelijk is 'Mystery train', de titel van het door Elvis Presely beroemd gemaakte nummer waarnaar de popmuziekgeschiedschrijver Greil Marcus weer zijn beroemd geworden boek noemde. Dahn bracht, zo vertelt hij, een saaie jeugd door op het platteland tussen Venlo en Krefeld, waar zijn belangijkste tijdverdrijf bestond uit het luisteren naar Radio Veronica. De teksten op zijn schilderijen zijn vrijwel allemaal songtitels van door Dahn bewonderde popmusici: 'What's going on' van Marvin Gaye en 'Dirty Laundry' van Curtis Mayfield, enzovoort. Een belangrijke inspiratiebron zijn verder de foto's van Walker Evans, met name diens foto's van verlaten houten huizen in de Midwest. House of the Blues is zo'n treurig verlaten huis. Dahn bouwde het na van een foto, niet van Evans, maar van een platenhoes van John Lee Hooker. Hij maakte het huis zo realistisch mogelijk, met een dak van lood, glazen ramen, houten wanden, en 'echte' baksteentjes, en plaatste het op een sokkel: “Het is geen model, het is sculptuur. Het moet bekeken worden als een beeld van Henry Moore”, aldus Dahn.

Dahn omschrijft zijn werkmethode als samplen, net als in de hedendaagse popmuziek. Hij sampelt uit tijdschrijften, van de televisie, van de straat, en ook sampelt hij uit de cultuurtheorie, van Lévi-Strauss en diens concept van bricolage tot de deconstructie-theorie van Jacques Derrida. Al doende ontwikkelt Dahn, zo zegt hij, een taal die door de beschouwer gelezen moet worden. In de catalogus heeft Marcus Steinweg het in dit verband over 'een presymbolische grammatica van het imaginaire', een grammatica die vol is van 'onoplosbare meerduidigheden en tegenstellingen', en vol 'weifelende onzekerheid'.

Dahns grammatica overtuigt mij niet. Het is alles te vrijblijvend en willekeurig. Iedere door hem genoemde popsong overtreft het werk van Dahn in zeggingskracht. Er ontstaat geen beeld of betekenisvolle samenhang. Dit laatste pretendeert Dahn ook niet, zou men kunnen denken, wegens die weifelende onzekerheid. Maar deze bescheidenheid is slechts een dun laagje vernis. Steinweg omschrijft Dahn als niet minder dan 'een behoedzaam geworden hoeder van verboden schoonheid en waarheid'. Hoeder van schoonheid en waarheid: dat is een enorme aanspraak, op het megalomane af. Iets dergelijks klinkt ook door in Dahns woorden over liefde en respect.