Een lied uit Tadjikistan; Orale poëzie moslim-minderheid in kaart gebracht

In het onherbergzame zuidoosten van Tadjikistan houden ismailieten, een moslimminderheid, sinds eeuwen een traditie van gezongen poëzie in ere. Een Leidse studie brengt haar in kaart.

ZODRA GABRIELLE van den Berg in 1985 van het gymnasium kwam wilde ze maar één ding: naar Tadjikistan. Het najaar zou ze in Leiden haar studie Perzisch beginnen, aangestoken door de poëzie van klassieke dichters als Hafiz en Omar Khayyam die haar vader in de boekenkast had staan. “Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in Centraal-Azië”, zegt ze thuis in Haarlem. “Ik wilde graag de Perzische taal in de praktijk leren en in Iran en Afghanistan was dat zo goed als onmogelijk. Dus zocht ik vakantiewerk om naar Tadjikistan te kunnen.”

Afgelopen woensdag promoveerde Van den Berg op het proefschrift Minstrel Poetry from the Pamir Mountains. Het boek biedt een overzicht van de orale traditie van liederen en gedichten zoals die in Badakhshan, het onherbergzame zuidoosten van Tadjikistan, door ismailieten in stand wordt gehouden. Bij het proefschrift hoort een muziekcassette met gezongen poëzie, in 1992 en 1993 in Badakhshan bij mensen thuis opgenomen. “Een stukje Perzische cultuur uit wat wij westerlingen een uithoek van de wereld noemen is voor het nageslacht gered”, prees prof.dr. J.T.P. de Bruijn zijn promovenda na afloop van de verdediging.

Het onderwerp viel Gabrielle van den Berg in de schoot toen ze in 1992 door filmer Coen van Hall en musicoloog Jan van Belle werd gevraagd als tolk mee te gaan op een tocht naar Badakhshan. Voor Poetry International had ze het jaar ervoor een Zuidtadjiekse dichter in het Nederlands vertaald en Van Hall en Van Belle wisten dat Gabrielle het Tadjiek-Perzisch, lingua franca in het gebied, beheerste. Tijdens de reis door het Pamirgebergte ontdekte Van den Berg dat de muziek voertuig was voor uiteenlopende vormen van poëzie. Na afloop wist ze het zeker: haar aanvankelijke promotieonderwerp, hofpoëzie van de Ghaznawiden uit de 11de eeuw, moest wijken voor een actuele studie naar de oraal overgeleverde poëzie van de ismailieten in Badakhshan.

De tocht naar Badakhshan had een lange aanloop gekend. In 1985 ging het al direct mis toen de enige reis die zomer naar Tadjikistan, georganiseerd door de Vereniging Nederland-USSR, werd geannuleerd. Drie jaar later ging het beter.In de Tadjiekse hoofdstad Dushanbe studeerde Gabrielle in het kader van een uitwisselingsprogramma met de Sovjet-Unie een jaar Perzisch aan de Lenin-universiteit. “Tadjieks en Perzisch lijken op elkaar als Vlaams en Nederlands” zegt ze. Het grote verschil zit hem in het schrift: cyrillisch versus Arabisch. Juist nu de generatie Tadjieken die nog het Arabisch schrift heeft geleerd zo'n beetje is uitgestorven, gaan er stemmen op het weer in te voeren. Maar het cyrillisch schrift is gewoon makkelijker, dat heeft alle klinkers en er zijn niet, zoals in het Perzisch, vier letters voor de 'z'-klank.”

TADJIEKSE MEISJES

Omdat Gabrielle op de Lenin-universiteit door een hapering in de bureaucratie niet verwacht werd, kon ze niet terecht in de gebruikelijke internationale studentenflat. Ze kreeg in een huis een kamertje toegewezen dat ze deelde met vier Tadjiekse meisjes. “Ideaal, zo leerde ik snel de taal. Ik ben nog wel met buitenlandse studenten in een tv-programma opgetreden. Zelfs heb ik in Tadjiekse kledij tijdens de jaarwisseling een tv-show gepresenteerd met lokale sterren, tussen de muziekoptredens door Perzische poëzie declamerend. Ik durf de band nauwelijks terug te zien.”

Gabrielles nieuwsgierigheid naar Badakhshan werd gewekt door kamergenote en vriendin Nigina Dushanbiyeva. “Tadjiek-Perzisch was niet haar moedertaal. Nigina vertelde enthousiast over haar geboortegrond en via haar maakte ik in Dushanbe kennis met meer mensen uit die streek. De meeste Tadjieken hebben geen goed woord over voor de steenklompen in het zuidoosten. Helaas kon Nigina me niet, zoals andere vriendinnen deden, uitnodigen een keer mee te gaan op familiebezoek. Door de Russische inval in Afghanistan was Badakhshan voor niet-bewoners verboden gebied.”

Badakhshan, een gebied driemaal zo groot als Nederland, omvatte ooit delen van Tadjikistan en Afghanistan. Sinds de Russische Revolutie vormt de Panj-rivier een natuurlijke grens die tot voor kort potdicht zat. Ruig bergland wordt doorsneden door rivieren, met dorpjes die 's winters van de buitenwereld zijn afgesneden. Het gebied is dunbevolkt. Grootste stad is Xorugh, strategisch gelegen aan de Afghaanse grens en met verbindingen naar Dushanbe en Osh, voorbij de grens met Kirgizië in het noorden. In de valleien, waar populieren het landschap domineren, wordt koren verbouwd in wat eens sovchozen heetten, te weinig om de bevolking van enkele honderdduizenden te voeden. Ook groeien er walnoten, moerbeien en abrikozen. Sinds in 1992 in Tadjikistan een burgeroorlog uitbrak, waarbij ook ismailieten het doelwit waren, is de economische situatie in het autonome Badakhshan sterk verslechterd. De vluchtelingenstroom heeft het inwonertal van Xorugh, normaal 20.000, fors doen oplopen.

“De Pamirtalen van Badakhshan zijn heel anders dan het Tadjiek-Perzisch”, zegt Gabrielle. “Het Shughni en het Waxi zijn met 150.000 en 20.000 sprekers de voornaamste, maar er zitten er ook bij die tot een dorp beperkt blijven. Ze behoren tot de Oostiraanse taalfamilie en worden gesproken maar niet geschreven. Op mijn eerste reis in 1992 heb ik me Shughni geleerd, gewoon door goed op te letten en veel te vragen. Met een achtergrond in het Perzisch en de wil om te leren gaat het snel genoeg. In de praktijk kan je met Shughni overal in Badakhshan terecht, te midden van al die taaltjes fungeert het als een informele lingua franca. Tadjiek-Perzisch, en soms Russisch, fungeert als tweede taal.”

VUURAANBIDDERS

Tussen alle sunnitische moslims die Centraal-Azië bevolken vormen de ismailieten van Badakhshan een shi'itische minderheid. Deze afsplitsing binnen de islam dateert van de achtste eeuw, toen de zevende imam Ismail vroegtijdig stierf. “In Badakhshan zeggen ze dat ze in de elfde eeuw door de klassiek Perzische dichter-filosoof Nasir-i Xusraw zijn bekeerd”, zegt Gabrielle. “Daarvoor zouden ze vuuraanbidders geweest zijn. Of het waar is is moeilijk na te gaan. Geschreven bronnen zijn verloren gegaan, de geschiedenis van de ismailieten is een turbulente en de variant in Badakhshan wijkt af van wat elders geleerd wordt. In de serie ismailitische imams is Sjah Karim al-Husayni de 49ste. Hij resideert in Europa en fungeert als weldoener. Twee jaar geleden heeft hij Badakhshan bezocht, iedereen lag in aanbidding. Zijn economische hulp is hard nodig.”

Altijd zijn de ismailieten als ketters beschouwd, door sunnieten èn door de twaalver-shi'iten. “Door zich in de bergen schuil te houden hebben ze zich weten te handhaven”, zegt Gabrielle. “In hun geloofsbeleving ligt de nadruk op het innerlijk, op de intentie. Alhoewel ze het zelf ontkennen doen sommige van hun ideeën sterk aan sufisme denken. Vasten, bidden en andere uiterlijkheden zijn ondergeschikt. Ismailieten hechten aan een goede opleiding en zijn minder streng, je ziet in Badakhshan minder hoofddoekjes dan elders in Tadjikistan.”

Op hun eerste tocht naar Badakhshan kreeg Gabrielle steun van Tadjiekfilm, dat bemiddelde bij het krijgen van schaarse plaatsen in het vliegtuigje van Dushanbe naar Xorugh - een adembenemende vlucht tussen de bergen. “De politieke situatie was een stuk onrustiger dan in 1988, toen moest de glasnost nog doorsijpelen. Naast de bloedige burgeroorlog speelt ook dat politieke partijen via de herkomst van hun voormannen gekoppeld zijn aan regio's. Voor Badakhshan was dat de Democratische Partij, die in een serie conflicten het onderspit dolf. Die politieke 'details' zijn door een aantal sunnieten gebruikt om af te rekenen met de 'ongelovige' ismailieten. Die zijn toen de hoofdstad massaal ontvlucht. Sindsdien hangt er een sfeer van: jij bent mijn vijand en dat komt nooit meer goed.”

De chaos in Tadjikistan weerhield Gabrielle er niet van haar speurtocht naar de Pamirpoëzie voort te zetten. Wel ging de tweede reis in 1993 uit veiligheidsoverwegingen via Kirgizië. Tadjiekse kennissen hadden geregeld dat het Nederlandse tweetal vanuit de grensplaats Osh met een konvooi vrachtwagens meekon naar Xorugh, dwars door het hooggebergte. “Ik reed mee in een meelwagen, Jan in een tankauto” zegt Gabrielle. “Adembenemende vergezichten, zoutmeren en af en toe langs de weg een heilig graf waar steenbokhoorns waren neergelegd.”

Met Xorugh als uitvalsbasis trok Gabrielle de bergen in op zoek naar poëzie en muziek. “We huurden een busje met chauffeur en lieten ons door een lokale gids vergezellen”, zegt Gabrielle. “Benzine was schaars, soms konden we dagenlang Xorugh niet uit omdat de tank moest worden bijgevuld. Kennissen zijn dan handig. Meestal hadden we tevoren namen opgekregen van minstrelen. Als we in een dorp aankwamen en naar hem vroegen werden we door kinderen naar zijn huis geleid. Vaak moest hij van elders komen. Als hij ermee instemde voor ons op te treden, zijn luit zocht en een geborduurd petje opzette, brachten wij in huis de opnameapparatuur in gereedheid. Het gezang kon uren duren en tot diep in de avond doorgaan. In dat geval was er veel bekijks, wat de echtheid ten goede kwam. Als we verder trokken zat ons busje vaak tjokvol mensen die van de gelegenheid gebruik maakten in het volgende dorp een handeltje te drijven of familie te bezoeken.”

Vooral tijdens de tweede reis merkte Gabrielle toenemende armoede. “Vaak bleven we slapen bij de minstreel die die avond voor ons had gezongen, samen met de hele familie op matjes in één ruimte. Langer dan een nacht kon je met goed fatsoen niet van hun gastvrijheid gebruik maken, behalve brood was er niks. Als cadeautjes hadden we uit Nederland koffie, thee, chocola, suiker en soep meegenomen, producten die daar nauwelijks verkrijgbaar waren, en voor de kinderen bellenblazers en smarties.”

Al snel ontdekte Gabrielle dat het niet om de muziek draaide maar om de poëzie. “Die is oraal overgeleverd, vaak van vader op zoon. Als ze twaalf zijn speelt zo'n kind op de achtergrond lijsttrom en dat groeit. Soms raadpleegt de minstreel een oud opschrijfboekje met aantekeningen in Arabisch of cyrillisch schrift. De muziek is sober. Een belangrijk genre is madah, religieuze poëzie in het Perzisch. Per dorp zijn er een paar die dat kunnen. Het is een gave en optreden doe je naast je gewone werk zonder er geld voor te vragen. Een madah kan uren duren en wordt uitgevoerd tijdens een dodenwake, of op het jaarlijkse ritueel bij het graf van een heilige.”

Tijdens een madah trekken verschillende dichtvormen uit de klassieke Perzische poëzie voorbij. Het begint met een ghazal, een kort gedicht over de liefde, traag gezongen en het innerlijk benadrukkend. Na nog wat ghazals of kortere kwatrijnen volgt als hoofdmoot een verhalend gedicht waarin een wonderverhaal wordt verteld, meestal met Ali, de schoonzoon van de Profeet, in de hoofdrol. Ook het lofdicht en de bede komen in de madah voor, of extatische gedichten over mystieke liefde. Afgesloten wordt met een ghazal in een vast staccato-ritme waarin de moraal is vervat. Het is poee die in de afzondering van de bergen is ontstaan en die zich soms moeilijk laat rijmen met de ismailitische orthodoxie.

WIEGELIEDJES

In totaal veertig uur poee heeft Gabrielle op de band staan. Thuis heeft ze deze schat getranscribeerd, vertaald en geanalyseerd. Ook seculiere gedichten zitten erbij, zoals bruiloftsliedjes op accordeonmuziek, volkspoëzie of wiegeliedjes gezongen in familiekring. De eerste reis maakte Gabrielle weinig aantekeningen tijdens de uitvoeringen. “Ik dacht dat het bijna allemaal ontleend was aan de grote Perzische dichters, omdat hun namen in de slotregels werden genoemd. Volgens de minstrelen stonden de gedichten in hun verzameld werk. Thuis gekomen viel dat tegen, veel materiaal bleek apocrief. Misschien moest de naam van een groot dichter de poëzie ten overstaan van een vijandige buitenwereld status verlenen. Op mijn tweede reis nam ik na afloop van iedere sessie mijn aantekeningen met de minstreel nog eens door, om 'gaten' te dichten. Daar hadden ze overigens niet altijd zin in. Zo'n tekst fungeert in een opvoeringspraktijk en bij het nog eens overdoen van een gedicht kwam er soms iets anders dan wat de avond tevoren was gereciteerd. Ik heb het meegemaakt dat een tienjarige kleinzoon de poëzie beter paraat had dan opa de minstreel.”

In haar proefschrift heeft Gabrielle van den Berg ook een anthologie van de Pamirpoëzie opgenomen. Inmiddels heeft Pan Records in Leiden twee CD's uitgebracht met een keuze uit het materiaal. Ze mag er graag naar luisteren. “Perzische poëzie is een en al beeld. De nachtegaal als de klagende geliefde, de roos als symbool voor God: het wordt ze in Iran, Afghanistan en Tadjikistan met de paplepel ingegoten. Dezelfde ghazal die deel uitmaakt van een madah komt tijdens een bruiloftsfeest opeens in een ander licht te staan. Dat is het aardige van Perzische poëzie, die is zo ambivalent. Met Shughni is dat anders. Die taal heeft geslachten en dan is direct duidelijk of het hem is of haar. En God is nooit haar.”

GHAZAL

In verdriet door liefde voor jou

Zijn wij gevangen van ellende

Niemand is zo wanhopig verliefd als wij

Werp een blik op ons, wij zijn vreemden in deze stad

Wees vriendelijk voor ons, wij zijn bedelaars in dit rijk

God geef een teken van je gunst, wij vrezen de galg niet

Wij zijn als Majnun, wij verkeren in de liefde voor God

Wij vreesden deze angst en ellende:

Wat vrezen we nu nog? Wij zijn midden in de ellende

We delen een geheim met jou; niemand is deelgenoot van ons geheim

Ook al gaat ons hoofd eraf, we onthullen jouw geheim aan niemand

Bezie je eigen genade, kijk niet naar onze zonde

Wij zijn ondergedompeld in zonde van hoofd tot teennagel

We betreuren noch de hel, noch verlangen we de hemel

Haal de sluier van je gezicht, want wij zijn vol verlangen naar je gelaat

Haal de wapens weg van Shams de bedelaar, de zwakke van Tabrez

Heb medelijden met ons, wij zijn gebrandmerkt door jou Heb medelijden met ons, wij zijn gebrandmerkt door jou