Een drukpersje

In de Rue des Écoles in Parijs is, of misschien was een winkel in bergbeklimmersartikelen. Mensen aan wie je kon zien dat ze nooit hoger dan hun vliering zouden klimmen, drukten hun neus plat tegen het raam. Ze keken niet, ze bestudeerden de touwen, hamers, pikhouwelen, bergtenten en zuurstofmaskers voor de hogere hellingen van de Himalaya.

Onvergetelijk: een man van een jaar of tachtig uit wiens opgerolde en dichtgenaaide broekspijp zijn houten been stak. Aan hem heb ik het te danken dat ik meer ben gaan letten op de mensen die lang naar etalages kijken; welke mensen naar welke etalages, mij zelf niet uitgezonderd.

Nu nadert Sinterklaas. Als je zes jaar was, wat zou je dan willen? Hoe dichter vijf december nadert, hoe meer mensen voor de etalages van de speelgoedwinkels blijven staan en zes jaar worden. Er wordt op het ogenblik veel geschreven over 'tijdmachines'. Er is geen betere dan de uitstalling van een speelgoedwinkel. Het gaat om het begeren, niet om het bezit.

Op het ogenblik zie je veel mannen kijken naar radiografisch bestuurde, hoog op de zwaarste terreinbanden staande, zeer vervaarlijk uitziende electrische autootjes. Ze zijn al jaren in de handel, er is zelfs een film waarin de schurk zich van zo'n karretje bedient. Het is geladen met een bom die bij de achtervolging - altijd een lange achtervolging - onder de auto van de vluchtende concurrentie ontploft. Het valt mee dat onze georganiseerde grote criminaliteit deze techniek nog niet heeft afgekeken. Wel zie je steeds meer mannen voor de ruiten van de speelgoedwinkels kijken naar zulke karretjes, die trouwens met het jaar groter en sneller worden. Wat willen ze? Alleen van zo'n eigen gigantje dromen, of meer? Alle mannen dromen, zei D. H. Lawrence, maar weinigen zetten hun dromen om in daden.

Als ik zes was, had het me meer dan fijn geleken, er een te hebben, maar nu ik veel ouder ben terwijl ik me indenk zes te zijn, waarschuw ik mezelf: wil dat toch niet jongen, wil dat niet! Heel even is het leuk. Je laat het om de tafel razen maar het botst tegen een stoel; je wilt ermee naar buiten maar je vader en moeder vinden dat te gevaarlijk want op de middenweg rijden de echte auto's en op de stoep loopt misschien een grote jongen die het inpikt. En als je er een dag mee hebt gespeeld, gaat het je vervelen. Je kijkt naar dat prachtige ding dat je nog altijd mooi vindt, maar je weet niet wat je er verder mee moet doen, en je krijgt medelijden met jezelf. Maar gelukkig voor de speelgoedhandel denken veel vaders en moeders er anders over, en dus gaan de Daggers, de Revengers, de Ridge Riders en de Redhot Hitmachines in record aantallen over de toonbank.

Wat is er met de treintjes gebeurd? Ze zijn er nog wel, mooier en ingewikkelder, dichter dan ooit tot de volmaaktheid naderend, maar ik heb de indruk dat ze - misschien juist daardoor - tot het rijk van de grote mannen horen. Wie zes is, wil nog altijd een trein (veronderstel ik, hoop ik). Wiens wens is vervulling is gegaan, doet dan een ontdekking. Het bezit stemt wel gelukkig maar dat duurt niet lang. Het plezier is het 'opzetten': het aanleggen van de baan, plaatsen van de stations, houden van de eerste proefritten. Daarna kan de trein alleen op een gegeven aantal manieren rondjes maken en dat is al vlug vervelend. Je wilt meer rails en wissels en locomotieven hebben om je particuliere spoorwegen volgens je eigen dromen uit te breiden. Het lijkt me niet uitgesloten dat het spoorwegbedrijf Lovers op deze manier is ontstaan.

De lust van het bezit ligt in het vooruitzicht op expansie. Daarmee kun je twee kanten op. Je wilt bouwen, liefst tot je de hele aardbol in het web van je rails hebt gevangen; of je wilt verzamelen en dan word je een hobbyist die alle locomotieven ter wereld in zijn vitrines wil hebben, om er dan in verstild geluk naar te kijken. Bouwen is actie; verzamelen een bedriegelijke vorm van niets doen, een stil zwelgen in de aanblik van de volmaakte volledigheid.

Ik raak op een dwaalspoor. Bij het bekijken van het aanbod van Sinterklaas krijg ik de indruk dat steeds meer speelgoed kant en klaar in steeds geraffineerder vorm verschijnt. Aan een rijdend monster, elektrisch bestuurbaar, valt niets meer te doen; een computerspelletje kan leuk zijn maar op het schermpje verschijnen altijd dezelfde personages die niet buiten de grenzen van het programma kunnen treden. Hoe verder het speelgoed de volmaaktheid nadert, hoe dichter de verveling in het kielzog. Het gaat me nu te ver om te voorspellen dat we daarvan in het eerste kwart van de volgende eeuw de gevolgen zullen ondervinden. Aan de andere kant: een zeker verband tussen wat je deed of wilde toen je zes was, en wat je dertig jaar later ervan hebt over gehouden, lijkt me niet te ontkennen.

Wetend wat ik nu weet, stelde ik me voor dat ik zes was. Ik zag een rotatiedrukpersje met letterkast, voor nog geen vijftig gulden. Heel wat mooier dan mijn drukdoos van ik weet niet hoe lang geleden. Iedere dag zou ik een ander krantje maken. Soms ben je als zesjarige dichter bij de vervulling dan je zelf kunt dromen.