Duizend doden in de ruimte; Eerste ruimtewandelaar Aleksej Leonov op het nippertje ontsnapt

Op 18 maart 1965 verliet Aleksej Leonov het ruimteschip Voschod II en maakte als eerste mens een ruimtewandeling. Niemand wist dat hij vocht voor zijn leven. 'De ideologie schreef voor dat alles wat de Sovjet-Unie voortbracht superieur was en domweg niet kon haperen.'

'GA NU DE SLUIS binnen!' beval de gezagvoerder van het ruimteschip Voschod II. De stalen capsule met een diameter van nog geen twee meter vloog als een kanonskogel boven de kust van Noord-Afrika. Aleksej Leonov sloot zijn glazen helm en wrong zich in de harmonika-kamer, een opblaasbare rubberen slurf van tweeëneenhalve meter die toegang bood tot 'de open kosmos'. Toen het luik achter hem dichtviel, liep de hartslag van de 31-jarige kosmonaut op van 86 naar 95, en toen gestaag naar 150. “Ik was drijfnat van het zweet”, zegt Leonov. “Ik zwom zowat in mijn ruimtepak.”

Vijftig minuten moest hij in die nauwe sluis antichambreren, om te voorkomen dat stikstofbelletjes de bloedsomloop zouden verstoren, zoals bij duikers die te snel uit de diepte naar het oppervlak komen. Het was 18 maart 1965, half twaalf 's ochtends in Moskou. De luitenant-kolonel van het Rode Leger stond op het punt als eerste mens een ruimtewandeling te maken. Als een moderne Goliath was Leonov door de Russen in de strijd geworpen om de Amerikanen een nieuwe nederlaag in de ruimterace toe te brengen.

Die wedloop was op 4 oktober 1957, vandaag precies veertig jaar geleden, begonnen met de lancering van de Spoetnik-1, de eerste kunstmaan. De Pravda vulde er een klein kolommetje mee rechtsonder op de voorpagina, maar in de Verenigde Staten werd het nieuws met ontsteltenis ontvangen. Een bliepende metalen bal in de ruimte boezemde de Amerikanen meer angst in dan de MiG-15, schreef Tom Wolfe in zijn The Right Stuff. De grote angst was dat de Russen een bruggenhoofd in de ruimte zouden slaan, vanwaar ze atoombommen op Amerika konden gooien 'als steentjes van een viaduct'. In de Senaat zei Lyndon Johnson, die zes jaar later president zou worden: “Wie de hoge gronden van de ruimte beheerst, beheerst de wereld.” De New York Times waarschuwde Amerika zelfs voor 'national extinction' als het achterop zou raken in de slag om de hemelen.

De Verenigde Staten raakten achterop. Een maand na de Spoetnik lanceerden de Russen een capsule met daarin een hondje, Lajka. Toen de Amerikanen eindelijk hun eigen satellieten lanceerden, merkte partijleider Nikita Chroesjtsjov schamper op dat ze “niet groter waren dan een sinaasappel”. Het zelfvertrouwen van de Amerikanen ging helemaal onderuit toen zij - live op televisie - zagen hoe hun Vanguard-raket zich direct na de countdown een paar meter verhief, om in een vuurzee op het platform ineen te zijgen. Om de achterstand om te zetten in een voorsprong startte Washington het Project Mercury, dat door de kandidaat-astronauten Miss werd genoemd: Man in Space Soonest. De voorbereiding voor hun eerste vlucht was in volle gang toen onverwachts op 12 april 1961 de Sovjetmens Joeri Gagarin in een stalen bal in 1 uur en 29 minuten om de aarde vloog. 'Pobjeda!' kopte de regeringskrant Izvestija. 'Overwinning!'

Na Gagarin kwam Titov, ook een Rus, en toen pas John Glenn. Moskou sloeg opnieuw toe met de lancering van twee kosmonauten vlak achter elkaar, zodat er twee bemande capsules tegelijk om de aarde cirkelden. Weer een ruimterecord. Verzonnen de Amerikanen een twee-zitter (de Gemini), de Russen kwamen met een drie-zitter (de Voschod I die zo krap was dat de bemanning op dieet moest om erin te passen). Intussen had de Koude Oorlog in 1962 met de Cuba-crisis een dieptepunt bereikt; de wereld scheerde langs het randje van een atoomoorlog. In plaats van de strijd met wapens te beslechten, zo schrijft Tom Wolfe, kozen beide supermachten ervoor hun beste krijgers in een schijnduel in de ruimte tegen elkaar te laten uitkomen. Als gladiatoren.

De militair Leonov won in zijn eentje een veldslag “door stoutmoedig de deur naar de kosmos open te zetten” (partijsecretaris Leonid Brezjnev). Hij zweefde aan een vijf meter lange navelstreng in het heelal. Twaalf minuten en negen seconden lang. “Wat u heeft volbracht gaat de meest drieste verbeeldingskracht te boven”, zo liet het Kremlin in een radioboodschap weten. OPGEZWOLLEN

De staatstelevisie vroeg Leonovs 4-jarige dochtertje Viktoria: “Waar is je papa nu?” “In de ruimte”, zei het meisje verlegen. Niemand vermoedde dat haar vader op dat moment vocht voor zijn leven. Leonovs ruimtepak, met een binnendruk van 0,4 atmosfeer, was in het luchtledige verder uitgezet dan voorzien. Hij was opgezwollen tot een Michelin-mannetje. “Mijn handen bleven steken in de mouwen, ik kon niet eens meer bij mijn handschoenen”, zegt Leonov over die meest beangstigende minuten van zijn leven. “Ik kon niet meer terug naar binnen.” Vanwege zijn postuur en kracht heette hij 'de Siberische beer', maar Leonov was niet sterk genoeg om zijn benen in te trekken. Zijn pak was te groot en te stijf. Hij probeerde zich met zijn ellebogen naar binnen te wringen. Vergeefs. Toen met zijn voeten eerst. Dat ging ook niet. “Ik raakte uitgeput, kreeg spontaan 39 graden koorts en dacht: Wat nu!”

Leonov (63) wrijft over zijn bakkebaarden. Hij is een aimabele man, een mijnwerkerszoon met handen als kolenschoppen. Meer dan een kwart eeuw had hij zijn verhalen als een staatsgeheim met zich meegedragen. Maar nu is de Koude Oorlog voorbij, de USSR en het Rode Leger bestaan niet meer, en Leonov, Held van de Socialistische Arbeid en drager van twee Lenin-ordes, is reclameman voor Omega-horloges geworden en daarna bankier in dienst van het grootkapitaal. Sinds kort kan hij ongestraft vertellen dat de Voschod II in zijn ogen “het gevaarlijkste ruimteschip was dat ooit is gelanceerd”.

Als veteraan heeft Leonov deze zomer de verrichtingen van de bemanning van de Mir gevolgd. De botsing van het Russische ruimtelab met het vrachtschip Progress was volgens hem “geen echt ongeluk”, omdat er geen levensgevaar dreigde. Het lek slaan van de Spektr-module, de brand aan boord, het uitvallen van de boordcomputer - tot vijf keer toe -, de onbesuisde tuimelingen van het spacelab, Leonov is niet onder de indruk. “Het stelt allemaal weinig voor. Tijdens onze vlucht in de Voschod zijn we zeven keer aan de dood ontsnapt”, zegt hij in zijn kantoor van spiegelglas. “Zeven keer in 26 uur. Dat gaat je niet in de kouwe kleren zitten.”

De waarheid is stukje bij beetje onthuld. Dat ging hand in hand met het afbrokkelen van de Sovjetmacht: hoe slapper de greep van partijleider en politburo op het dagelijkse leven, hoe schokkender de verhalen van de kosmonauten. Valentina Teresjkova, in 1963 de eerste vrouw in de ruimte, vertelde pas dit jaar dat de Sovjet-autoriteiten haar min of meer hadden gedwongen om samen met haar man, ook kosmonaut, een kind te krijgen zodat 'de eerste ruimtebaby' in de almachtige Sovjet-Unie ter wereld zou komen. Uit documenten van de arts van Gagarin, die onlangs bij Sotheby's zijn geveild, blijkt dat hij tijdens zijn terugkeer in de dampkring bijna was verongelukt. “Natuurlijk hebben we de meeste crises en missers verzwegen”, zegt Leonov. “De ideologie schreef voor dat alles wat de Sovjet-Unie voortbracht superieur was, nooit haperde, domweg niet kon haperen. Niemand haalde het in zijn hoofd om uit de school te klappen. Ook ik niet.”

Pas in 1986, toen Gorbatsjov zijn glasnost verkondigde, lichtte Leonov in zijn boek Mysteries van het Sterreneiland een tipje van de sluier op. Op een luchtige toon vertelt hij dat de automatische piloot uitviel, en dat commandant Pavel Beliajev en hijzelf de Voschod met de hand moesten bedienen. In werkelijkheid was de capsule ongecontroleerd om zijn as gaan tollen, zeventien keer sneller dan voorzien, zodat het de twee kosmonauten ging duizelen. Van de stuwraketjes, onmisbaar voor de veilige terugkeer naar de aarde, bleek slechts één het te doen. Twee jaar geleden nog schepte Leonov op dat hij op het Rode Plein had kunnen landen, als hij dat had gewild, maar nu zegt hij: “We wilden koste wat kost in de Sovjet-Unie landen en mochten van geluk spreken dat dat ene raketje het niet begaf.”

Tijdens de vrije val door de stratosfeer hadden de kosmonauten het gevoel dat hun ogen uit hun kassen zouden ploppen. Gelukkig sprongen alleen de adertjes zodat ze elkaar na een veel te harde landing versuft en met bloeddoorlopen ogen aankeken. Waar waren ze terechtgekomen? De bedoeling was: de woestijn van Kazachstan, maar voor het raampje plakte sneeuw. “We bevonden ons in de Oeral op 180 kilometer van de stad Perm”, schreef Leonov. “Er hing een Antonov-10 klaar om ons te zoeken, maar het nieuws van onze landing bereikte [de vluchtleiding in] Bajkonoer met enige vertraging, waardoor we pas de volgende dag werden gevonden.” De glasnost stond nog niet toe erbij te vermelden dat het luik aanvankelijk niet meegaf, dat Leonov zo verzwakt was dat Beliajev hem aan zijn voeten naar buiten had moeten slepen, dat de twee een vuurtje hadden gemaakt om warm te blijven, en dat ze die nacht wolven hoorden en toen maar weer teruggekropen waren in hun capsule. De Voschod II was wat uit koers geraakt, meer niet.

Leonovs worsteling met zijn uitgezette ruimtepak bleef tot diep in de jaren negentig geheim. Tegen de instructies in had hij het ventiel opengezet om zuurstof te laten ontsnappen, zodat zijn harnas begon te krimpen en hij zich naar binnen kon persen. “Daarom zit ik nu hier”, zegt hij. “Maar in theorie zou ik dood moeten zijn.”

Geheimzinnigheid was een psychologisch wapen van de Russen. Wat hun volgende zet zou zijn viel bijna niet te voorspellen. “De Sovjets gaven praktisch geen cijfers, beelden of diagrammen vrij”, schreef Wolfe. “En al helemaal geen namen; er werd alleen losgelaten dat het Sovjet-programma geleid werd door een figuur die bekend stond als de hoofdconstructeur. Zijn macht was onaantastbaar!” Dat het brein achter de raketten en ruimteschepen van Sovjet-makelij Sergej Koroljov heette, werd pas bekend toen de hoofdconstructeur (codenaam Dageraad) in 1966 stierf - door een fout van een chirurg, maar dat bleef geheim. Als held van de Sovjet-Unie werd hij bijgezet in de Kremlinmuur.

Koroljov gold als de tsaar van de Sovjet-ruimtevaart. Nadat het prototype van de Voschod II met aan boord twee gipspoppen in februari 1965 explodeerde en van de radar verdween, riep hij de kosmonauten Leonov en Beliajev bij zich. Leonov: “Hij zei: We zijn al ons testmateriaal kwijt. Ik wil dat jullie zelf beslissen, òf de lancering gaat volgende maand door, òf we passen de capsule aan en dan vliegen jullie op zijn vroegst volgend jaar.” De keus was eigenlijk geen keus, want de Amerikaan Ed White was al aan het trainen voor een ruimtewandeling. “Wij kenden het Amerikaanse schema. Ed zou binnen een half jaar vertrekken. En al zou hij slechts een hand naar buiten steken, dat konden we niet toestaan. Dus zeiden we: Kameraad Koroljov, we zijn er klaar voor.”

BENZINEWALM

Aleksej Archipovitsj Leonov was in mei 1934 geboren in het dorp Listvajanka in het kolendistrict Kemerovo in Siberië. Toen hij op zijn zesde voor het eerst een auto zag, kroop hij naast de chauffeur voor een proefrit. “Ik snoof de benzinewalm op. Heerlijk vond ik dat.” Aleksej was achttien toen hij op de vliegopleiding werd toegelaten, al op zijn 23ste vloog hij in een MiG-15 verkenningsvluchten boven Oost-Duitsland. Hij zag de grens en in de verte de Amerikaanse F-100's. Daarin zaten piloten die net als hij later ruimtevaarders zouden worden. Elke dag van zijn leven stond in het teken van de Koude Oorlog. “De competitie was voelbaar. We zagen de astronauten als pure tegenstanders. We wisten niets van elkaar, alleen de wapenfeiten. Ik heb me wel eens afgevraagd: wilden we wel wat over elkaar weten?” Ondanks het beleid van vreedzame coëxistentie bleven beide kampen totaal gescheiden. De Amerikanen waren goede protestanten die geregeld naar de kerk gingen, terwijl de Russische kosmonauten het 'bewijs' leverden dat God niet bestond. Zij zeiden, of beter: moesten zeggen: 'We zijn in de ruimte geweest en hebben Hem niet gezien.'

Pas in 1965 stonden Amerikaanse en Russische ruimtevaarders voor het eerst oog in oog met elkaar, op een ruimtevaartcongres in Athene. Leonov: “We hadden in de lobby van het hotel afgesproken, maar de Amerikanen kwamen niet opdagen omdat ze er geen pers bij wilden hebben. De ontmoeting moest min of meer stiekem verlopen. Dus kwamen wij 's avonds bij hen op de hotelkamer. Dick Slayton was er en Peter Conrad. Hoe we met elkaar gecommuniceerd hebben? Ik weet het werkelijk niet! Er was geen tolk, maar wij hadden wodka meegebracht, en zij schonken whisky.”

Wat niemand in die tijd wist was dat Leonov werd klaargestoomd voor de Russische maanmissie. Al in 1961 had president Kennedy aangekondigd: nog voor het decennium voorbij is zal er een mens op de maan staan. En: die mens zal een Amerikaan zijn. Hoe graag had hij, Aleksej Leonov, de Amerikanen de loef afgestoken! Het plan van de Sovjets was om een kosmonaut - Leonov - af te zetten in de Sea of Tranquillity, dezelfde plek waar Neil Armstrong in 1969 uit de Apollo 11 zou stappen. Maar met de Sovjet-maanverkenners ging na een aanvankelijk succes van alles mis. Volgens Leonov door het wegvallen van Koroljov, volgens anderen omdat de Russen hoe dan ook in een achterhoedegevecht verwikkeld raakten.

In Leonovs leven verkeerde de competitie langzaam in vriendschap. Hij ontwikkelde zich tot goodwill-ambassadeur voor de Sovjet-Unie, een functie die hem op het lijf was geschreven. Steeds vaker en steeds verder toerde hij (“er is praktisch geen land ter wereld waar ik geen handtekeningen heb uitgedeeld”). Hij ontmoette Charles de Gaulle, koning Juan Carlos, Pablo Picasso. In eigen land werd hij vereerd als de Sovjetversie van de Übermensch. Overal waar hij komt wordt hij (“nog steeds, maar het wordt minder”) beklopt en behangen met lintjes. Leonov is ereburger van Perm, Kaloega, Kemerovo, Naltsjik, Kaliningrad, Vladimir, Arkalik, Karaganda, Termez, maar ook van Atlanta, New York, Los Angeles, San Antonio, Salt Lake City, Nashville en Chicago.

RENDEZ-VOUS

Het was geen verrassing dat juist hij in 1975 de USSR vertegenwoordigde bij het historische rendez-vous tussen de Apollo en de Sojoez. “De sfeer was in die tijd totaal omgeslagen”, zegt Leonov. “Voor het eerst maakten wij de exacte vluchtgegevens bekend: het tijdstip van de lancering en dat van de koppeling: op 17 juli om zoveel uur en zoveel minuten.” Op die dag schudde hij honderden kilometers boven de aarde Dick Slayton de hand, net als tien jaar eerder op die hotelkamer in Athene.

Hebben zijn ruimtereizen hem veranderd? Van de twaalf (Amerikaanse) astronauten die op de maan hebben gelopen, is een aantal manisch depressief of gek geworden, heeft in ieder geval één zelfmoord gepleegd en heeft een ander zich bij een sekte aangemeld. Leonov denkt na. Hij gelooft niet meer in het communisme, zoals de eerste ruimtevrouw Valentina Teresjkova dat nog wel doet. Hij had politicus willen worden. In 1989 heeft hij zich op de golven van zijn populariteit tot lid van de Opperste Sovjet laten kiezen, maar dat lichaam is samen met de rest van de USSR ten onder gegaan.

Na zijn afscheid als generaal-majoor van de Luchtmacht in 1992, tekende hij een lucratief contract met de horlogemaker Omega. Maar de Russische Alfa Bank kwam met een aantrekkelijker bod: Leonov kon voorzitter worden van een investeringsfonds dat meerderheidsbelangen koopt in verouderde fabrieken, om die vervolgens winstgevend te maken. Zo is de kampioen van het arbeidersparadijs na zijn pensionering een investment banker geworden. “Ik voel me geen bankier, ik doe sociaal werk”, zegt hij. Wat de Alfa Bank met hem in huis gehaald heeft is zijn uitstraling. Als een van de klussen heeft Leonov de waspoeder- en zeepfabrikant Pemos (“zeg maar de Russische Procter & Gamble”) de weg naar de markt gewezen. “Gewoon door een tijdje de directie voor te zitten. Alle werknemers kennen mij, ze stellen vertrouwen in me.”

Reizen doet hij ook nog veel, altijd op de voet gevolgd door een legertje journalisten die dan optekenen wat hij en zijn vrouw Svetlana in Los Angeles zoal aanschaffen: patronen voor zijn berenjachtgeweer, een gehoorapparaat voor tante, een mobiele telefoon voor op de datsja. In 1993 in New York was hij een soort veilingmeester van space memorabilia uit de Sovjet-tijd. Definitiever kon een nederlaag in de ruimterace niet zijn: de boedel was bij opbod verkocht in het land van de voormalige vijand. Leonov weigert daarvan de ironie in te zien. Op zijn stropdas prijkt een speldje van twee in elkaar verstrengelde vlaggen: de Stars and Stripes en de Russische driekleur.

Hij voelt het niet als pijnlijk dat de Amerikaanse space-shuttle een nieuwe boordcomputer voor de Mir moest komen brengen. “De Nasa heeft ons nodig, en wij hebben de Nasa nodig”, zegt hij. Ook verwacht Leonov niet dat de Russische ruimtevaart net als de Mir aan haar zwanezang is begonnen, in die termen wil hij niet praten. Liever laat hij de kalender zien met reproducties van zijn schilderijen. Zijn leven lang al tekent en schildert hij. Op het vliegveld heeft hij altijd een schetsboek bij zich, waarin hij met potlood wolkenformaties of rotspartijen tekent. En thuis in Sterrendorp buiten Moskou, of op zijn datsja in het bos, kan hij dagenlang schilderen. Raketten en kerken komen er dan tevoorschijn. Russisch-orthodoxe kerken en Russische raketten. Op de kalenderplaten komt dezelfde goudgele glans van de kerkkoepels terug in het zonlicht dat op de ruimteschepen weerkaatst. Is de eerste mens in de ruimte in God gaan geloven? “Nee, maar er is iets tussen hemel en aarde waarvan wij mensen geen weet hebben. Daar ben ik van overtuigd.”