De vergoddelijkte Ritzen

Op de eerste maandag van september openen de voorzitters van de colleges van bestuur van de vaderlandse universiteiten met een mooie toespraak het academisch jaar. Het onderwerp is in de regel hoe goed de colleges van bestuur het wel niet voorhebben met hun instelling en hoe weinig de minister van Onderwijs begrijpt van de ware noden van de universiteiten.

Dit academisch mos, zo leerde ik uit de verslagen in verschillende kranten, heet 'minister knuppelen' en de journalisten leken zich wel te beklagen dat hun dit jaar dit vrolijke volksvermaak werd onthouden. Het is natuurlijk niet moeilijk om te bedenken waarom de voorzitters van de colleges van bestuur zich dit keer inhielden: in het jaar voor de verkiezingen mag iedere minister voor Sinterklaas spelen, dus kun je maar beter een braaf liedje zingen voor de schoorsteen.

In Leiden zong de voorzitter van het college van bestuur helemaal niet. Wij werden in de Pieterskerk onthaald op drie korte toespraken, door een succesvol oud-student, een vrouwelijke hoogleraar, en een succesvol student, met als overkoepelende titel 'Was vroeger alles beter?' Aan een universiteit met als slogan 's lands oudste, 's lands eerste en die 'koerst op kwaliteit' was het antwoord natuurlijk te voorspellen: vroeger was het heel goed, nu is het ook heel goed, en straks wordt het nog beter. De sprekers hielden zich keurig aan hun rol, en de laatste, de Leidse student en succes-auteur Abdulkader Benali, was zelfs ronduit aanstekelijk amusant.

Benali's verhaal, dat in de toekomst was gesitueerd, had alleen nog een klein staartje omdat hij voorzag dat in het jaar 2035 de Leidse Pieterskerk in gebruik zou zijn als moskee. Prompt verscheen er in het Leidsch Dagblad een ingezonden brief waarin een christen zich beklaagde over Benali's 'triomfalisme'. De briefschrijver was blijkbaar vergeten dat de Pieterskerk al sinds jaren niet meer in gebruik is als bedehuis maar wordt geëxploiteerd als horecagelegenheid, evenementenhal en tentamenschuur. Uit zijn achtergrond had het de briefschrijver juist moeten verheugen dat een vertegenwoordiger van de jongste generatie de Pieterskerk weer aan de Heer zag gewijd.

In vele opzichten is de universiteit van nu onnoemelijk veel beter dan de universiteit van de jaren vijftig en zestig. Maar in één opzicht was het bestel toen veel beter: het systeem van studiebeurzen. Een van de grootste verworvenheden van de Nederlandse naoorlogse maatschappij was dat vrijwel niemand zich in principe zorgen hoefde te maken over de kosten van het onderwijs. De scholen op elk niveau werden gefinancierd door de overheid, en voor degenen die het hoger onderwijs wilden volgen waren, indien nodig, beurzen beschikbaar en renteloze voorschotten. Het systeem ging uit van premissen die mij ook nu nog als uitermate redelijk voorkomen: ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding en opleiding van hun kinderen, de overheid heeft pas een rol waar de talenten aanwezig zijn maar de middelen ontbreken, en goede studieresultaten worden beloond.

Maar goede dingen mogen niet blijven, alles woelt in dit land nu eenmaal om verandering. Eerst was er de discussie om het studieloon. Linkse studenten, zich maar al te scherp bewust van hun bevoorrechte positie ten opzichte van het proletariaat, riepen dialekties de studie uit tot een vorm van arbeid, en als echte arbeiders eisten zij een daarbij passend salaris. God zij dank is het daarvan niet gekomen, want arbeid en loon veronderstellen gezagsverhoudingen en controle. Je moet er toch niet aan denken dat je als docent de hele stad moet doorfietsen om in alle studentenhuizen te controleren of je studenten wel om acht uur 's ochtends in werkhouding achter hun boeken plaats genomen hebben en hun grijze cellen laten ploeteren.

Weer wat later vatte in sommige kringen de idee post dat het onethisch was dat volwassen mensen van achttien jaar en ouder op enigerlei wijze afhankelijk zouden zijn van hun ouders. Toen die gedachte in de maatschappij al weer verlaten was en de studenten in toenemende mate bij moeders pappot bleven, werd ze alsnog door de politiek vertaald in het systeem van de basisbeurs. Ongeacht het inkomen van hun ouders kregen nu alle studenten opeens voor een studie van vier jaren zes jaren lang een beurs, die niet genoeg was om van te leven, maar voor wie hem niet nodig had toch een leuke meevaller bleek. Brave ouders met een prachtig inkomen (waarvan er in Nederland toch ook nog altijd heel wat zijn) die er jarenlang rekening mee hadden gehouden dat ze de studie van hun kroost (althans de kosten van levensonderhoud tijdens hun studie) zouden moeten betalen, zagen zich opeens grotendeels ontslagen van die plicht en wisten natuurlijk wel raad met die mooie meevaller.

Wie als Nederlandse ouder van studerende kinderen in het buitenland dit prachtige systeem mocht uitleggen, kon zich steeds verlustigen in de onverholen afgunst van zijn publiek. Maar studenten uit minder draagkrachtige milieus hadden opeens ook bij de beste studieresultaten niet meer de mogelijkheid om hun studie zonder een schuld te voltooien, want zij moesten gaan lenen. Sociaal-democratische ministers bleken plotseling bekeerd tot het marktmechanisme en het profijtbeginsel, en hielden niet op om met vuur, een betere zaak waardig, aan studenten uit te leggen dat ze hun studie toch vooral moesten zien als een investering, en dat ze ongetwijfeld zonder probleem hun schuld zouden kunnen aflossen van het hoge inkomen dat ze na de voltooiing van hun studie zouden verdienen. Bovendien, als ze toch armlastig zouden blijven - een stimulerend vooruitzicht! - zouden ze uiteindelijk ook niets hoeven terug te betalen. Hoe dan ook, schulden moesten ze maken. Het netto resultaat is natuurlijk toch dat het systeem verschillen in afkomst bestendigt in plaats van opheft. Studenten met draagkrachtige ouders voltooien hun studie zonder schuld, en studenten uit minder draagkrachtige milieus worden altijd opgezadeld met een schuld.

Het huidige systeem loopt inmiddels op zijn laatste benen en iedereen komt met voorstellen voor een nieuw systeem. Nu ik als ouder ten volle heb mogen profiteren van het huidige systeem in zijn beste dagen, ben ik vanzelfsprekend vervuld van dankbaarheid jegens het ministerie en wil ik niet achterblijven om ook een duit in het zakje te doen, ook al ben ik niet in staat de financiële consequenties van mijn voorstel door te rekenen.

Mijn voorstel komt, kort en goed, neer op de aanbeveling: keer terug naar het oude stelsel! In een land zo rijk als Nederland zijn er vele, vele ouders die solvent genoeg zijn om de studie van hun kinderen te betalen. In het ergste geval blijft die derde vakantie een paar jaar lang achterwege. Misschien moet de nieuwe auto wat eenvoudiger uitvallen. Kinderen nemen is tegenwoordig een bewuste keuze en wie zijn of haar billen brandt moet nu eenmaal op de blaren zitten.

Het geld dat het ministerie op deze wijze uitspaart, kan het gebruiken om studenten die het werkelijk nodig hebben een volledige beurs te geven. Die beurs moet van een zodanige omvang zijn dat de student daar echt van kan rondkomen en geen droog brood hoeft te eten als hij eens een ander boek koopt dan een verplicht voorgeschreven studieboek, of naar de opera gaat. Een student mag natuurlijk best daarnaast nog een grijpstuiver bijverdienen, maar wie wil dat de student het vierjarig programma ook in vier jaren afrondt, moet hem daar natuurlijk wel de gelegenheid toe bieden. Een student die zonder serieuze reden niet het pensum van 42 studiepunten (of zoveel minder als de minister in zijn ondoorgrondelijke wijsheid beslist) haalt, kan een jaar een renteloos voorschot krijgen. Is hij daarna niet terug op schema, dan is de student blijkbaar minder geschikt voor de studie en houdt de financiering op, zodat vermeden wordt dat hij zonder uitzicht op voltooiing van de studie toch een forse schuld opbouwt. Haalt de student het pensum wel, dan krijgt hij voor het volgende jaar weer een beurs.

De student die zijn propedeuse in een jaar haalt, mag, als het aan mij ligt, eenmaal met behoud van beurs van studie wisselen. Want waarom hebben we anders een oriënterende en verwijzende propedeuse? En er moet ruimte zijn aan het einde van de studie voor een behoorlijke flexibiliteit: ook in het beste programma kan de plooibaarste student op praktische problemen stuiten bij veldonderzoek, stage of scriptie. En passant schaffen we natuurlijk ook nog even de gedwongen winkelnering van de ov-jaarkaart af.

Nu Bolkestein al heeft laten weten dat wat hem betreft de huidige minister van OCW niet hoeft terug te komen in het volgende paarse kabinet, lijkt het me voor deze rode bewindsman van de grootste urgentie om nog voor de verkiezingen van het volgend jaar met een voorstel van een nieuw stelsel van studiefinanciering voor de dag te komen dat studenten uit minder draagkrachtige milieus in staat stelt te studeren zonder de angst voor een schuld. En als blijkt dat de huidige middelen op de begroting daarvoor onvoldoende zijn, dan brengen we toch iedereen die ook na zes jaar nog niet is afgestudeerd de volledige kosten van de studie in rekening?

Bovendien, als iedere afgestudeerde academicus automatisch zoveel gaat verdienen, dan betaalt hij via de inkomstenbelasting dat beursbedrag toch terug? Als de minister zou kiezen voor dit systeem, is in het jaar 2035 de Pieterskerk hoogstwaarschijnlijk geen moskee maar een eretempel, gewijd aan de vergoddelijkte Ritzen.