De opgejaagde jeugd van programmamaakster Germaine Groenier; Op je tenen lopen

Van de ene dag op de andere werd het drukke kinderleven van Germaine Groenier stil. In 1952 trok ze met haar moeder en haar broer in bij schrijver en criticus Victor van Vriesland. Voor zijn vrienden was hij een charmant causeur, maar thuis terroriseerde hij zijn pleegkinderen. 'Hij had een soort sadisme in zich, zette ons voor gek. Mij vooral.' Vandaag verschijnt het verslag van het vreemde leven in dat grote huis.

Een stuk van mijn hart, Germaine Groenier, Uitgeverij Prometheus, ISBN 90 5333 569 2, ƒ 29,90, verschijnt vandaag

Tot aan haar negende leefden Germaine Groenier en haar broer Binne een gewoon leven. Gewoon in de zin van gelukkig. Een huis in Amsterdam vol drukte en onregelmatigheid, een vader die toneelspeelde, een moeder die les en lezingen gaf, een aardige kinderoppas, en altijd mensen over de vloer. Een bohemiengezin.

Na de zomervakantie van 1952 veranderde dat. Germaine en haar broer Binne werden niet naar dat vertrouwde huis gebracht, maar naar een groot huis aan de Weesperzijde. Daar stonden de kinderen, met hun koffertje in de hal, en ze zagen boven aan de monumentale trap hun moeder staan naast een oude, rijzige man. Die man was de in die jaren bekende schrijver, dichter en criticus Victor van Vriesland. Hij is jullie nieuwe vader, zei hun moeder, en dit huis is jullie nieuwe huis.

Voor de twee kinderen is die gebeurtenis bepalend voor hun jeugd en voor hun verdere leven. Zo beschrijft Germaine Groenier (54), radioprogrammamaakster bij de VPRO en televisiemaakster bij de IKON, het in haar boek Een stuk van mijn hart.

Kwam die verhuizing helemaal onverwacht?

“Ja, absoluut. Mijn vader was een paar maanden daarvoor weggegaan, maar mijn moeder zei dat hij reizen leidde naar Praag en weer terug zou komen. Er kwamen ook kaarten uit Praag, maar mijn vader kwam niet meer bij ons wonen.”

Wat was het ergste?

“Dat je zo verraden was. Ik heb nooit begrepen en ik kan dat nog steeds niet, dat je kinderen zoiets aandoet. Ons leven veranderde van de ene dag op de andere totaal. Onze vader was ineens echt weg, ons huis ook. We waren aan wanorde, drukte, vrolijkheid gewend, en aan de Weesperzijde was het doodstil. Overdag moest het stil zijn, voor Vic. Hij werkte 's nachts en sliep overdag en tot vier uur 's middags moest iedereen fluisteren, op z'n tenen lopen, onhoorbaar zijn. Iedereen zat apart op zijn eigen kamer en iedereen zat stil te zijn.”

Een stuk van mijn hart beschrijft het vreemde leven in dat grote huis. Aan de ene kant een tragisch verhaal, vindt Germaine, maar tijdens het schrijven realiseerde ze zich dat het voor haar inmiddels vooral toch een verháál is geworden. Een fantastisch verhaal over extreme mensen die bij elkaar wonen in een groot huis en een extreem leven leiden. Dat ziet een kind niet dat er middenin zit, dat realiseert iemand zich pas bij het ordenen van herinneringen.

Het was een groot toneelstuk waarin iedereen een rol speelde. Het decor was het huis aan de Weesperzijde aan de Amstel. Het was een heel groot ruim huis, vier verdiepingen en een souterrain, met marmeren vloeren en trappen, parketvloeren, glas-in-loodramen, marmeren schoorsteenmantels, een gigantische keuken, een grote tuin.

De gezamenlijke plaats in huis was de eetkamer waar de maaltijden elke avond urenlang duurden. Een nachtmerrie voor de kinderen die onberispelijk moesten eten, naar de conversatie van de volwassenen luisterden, alleen iets mochten zeggen als hen iets gevraagd werd en van het begin tot het eind aan tafel moesten blijven zitten. De voertaal was Frans. Geen probleem voor de kinderen, ze stamden uit een Franse familie.

De arrogantie, het standsgevoel, dat waren de elementen in de tafelgesprekken en in de opvoeding waar ze de grootste hekel aan had. Verjaardagen, kerstfeest, zaterdagavond uitgaan, daar deed je niet aan, dat deed het gewone volk. Een grenzeloze minachting voor wat Van Vriesland gewone mensen noemde, een intellectuele hoogmoed ten opzichte van mensen die minder geletterd waren.

Germaines moeder speelde een hoofdrol in het drama aan de Weesperzijde. Vanaf het moment dat ze met Victor van Vriesland trouwde, veranderde ze. “Op de Weesperzijde bleek ze twee kanten te hebben, heel schizofreen: buiten de deur was ze opgewekt, ze gaf les op het Spinozalyceum en op de Werkschuit en ze moedigde de meisjes op school altijd aan om voor zichzelf op te komen en zich niet te laten inpakken. Geweldig vonden die meiden dat, ze was populair, iedereen vond dat ik een fantastische moeder had. Maar zodra de deur van de Weesperzijde achter haar dichtsloeg, veranderde ze. Dan werd ze slaafs. Dan was het voortdurend: 'ssssst, denk om Vic'. Hoe ze de telefoon aannam: Met mevrouw doctor Victor E. van Vriesland, bespottelijk, zo was ze nooit geweest.”

Ze beschrijft haar moeder: een grote vrouw, met lang, donker, golvend haar en een grote neus, de neus van haar Spaanse vader. Een mooie vrouw die zich heel goed kleedde, een dame. En erudiet, ze las veel, ze gaf lezingen in het land over literatuur, je kon een goed gesprek met haar voeren.

Waarom werd ze zo anders toen ze met Van Vriesland trouwde?

“Ik heb geen idee. Mijn vader heeft wel eens gezegd dat ze een autoriteitenneuker was en Van Vriesland was iemand, hij was in de jaren vijftig een literaire autoriteit die bovendien populair was door het radioprogramma Hou je aan je woord. Er waren altijd mensen die hem geweldig vonden. Daar viel ze kennelijk voor. En hij was een charmeur, hij putte zich uit tegenover vrouwen. Toen mijn moeder met hem trouwde was hij een oude, zieke man, maar ze is altijd dol op hem geweest. Ze deed alles om hem het leven prettig te maken en dat was niet eenvoudig. Toen hij doodging dacht ik dat ze nu eindelijk van een vrij leven zou gaan genieten, maar zo zag ze dat zelf helemaal niet. Ze heeft de rest van haar leven, bijna twintig jaar, om hem getreurd.”

Victor van Vriesland was groot, statig, rijzig. Hij had prachtige handen, lange vingers. Een gracieuze man. En hij zag er altijd heel erg verzorgd uit, hij liet zijn pakken maken, had prachtige jassen en een hoed, en hij droeg altijd handschoenen. Hij stamde uit een deftige, rijke familie uit Den Haag, maar was z'n kapitaal kwijtgeraakt met speculeren.

“Hij was arrogant. Hij noemde zichzelf de Grootste Geest aller Tijden. Wij noemden hem voor de grap ook wel GG en daar lachte hij dan wel om, maar hij dacht echt zo over zichzelf. Mijn beeld van hem is erg ingekleurd door mijn herinneringen. Hij kon ook heel erg leuk zijn, hij kon ontzettend goed vertellen, hij wist veel over boeken. Maar ik was altijd op mijn qui-vive bij hem omdat zijn stemming ineens kon omslaan. Hij pakte je, hij had een soort sadisme in zich, hij zette ons voor gek. En dan voornamelijk mij, als ik hem negeerde, want daar kon hij absoluut niet tegen, en als ik foute opmerkingen maakte, of niet oplette aan tafel.”

En dan was Binne er, Germaine's anderhalf jaar oudere broer, de belangrijkste persoon in haar jeugd. Zo lang ze zich kan herinneren vormden Binne en zij een eenheid, ze trokken zoveel mogelijk samen op, vertelden elkaar 's avonds op hun kamer verhalen, speelden samen op straat, Binne was een knutselaar die timmerde en met boten bezig was. Samen hadden ze een boot waarmee ze de Amstel opvoeren, ze kampeerden s zomers wekenlang in Vinkeveen, ze waren elkaars steun in het moeilijke leven dat ze thuis moesten leiden. En ze leken niets op elkaar.

Terwijl Germaine rebelleerde en dwars lag, legde Binne zich neer bij de situatie. Hij ging de strijd aan tafel niet aan, en terwijl Germaine zich terugtrok op haar eigen kamer, ging Binne steeds vaker bij Vic in zn kamer zitten praten. Ze vond dat wel erg, maar zei er nooit iets over. Een keer vloog ze Binne aan, toen hij aan tafel partij trok tegen haar. Ze werd naar haar kamer gestuurd, Vic duldde als pacifist en als humanist, zoals hij zei, geen geweld in huis. “Pas veel later hoorde ik van Binne dat hij in die tijd ook maar met één ding bezig was geweest: hoe kom ik hier weg. Maar als kind praatten we er nooit over. Als Binne en ik met de kano weg waren, bestond de Weesperzijde niet meer voor ons, dan hadden we het met zijn tweeën goed.”

Binne en haar moeder hadden een heel nauwe relatie, een symbiotische relatie, zoals Vic ooit zei. Maar Germaine kon veel moeilijker met haar moeder overweg. “Een moeder die niet voor je kiest is heel pijnlijk. Ik heb me echt heel erg opzij gezet gevoeld.”

Heb je dat wel eens tegen haar gezegd?

“Nee, nooit. Er werd bij ons thuis heel weinig over persoonlijke dingen gesproken, dus dat zat er sowieso al niet in. En ik hield van mijn moeder. Ik heb het verschrikkelijk gehad vroeger, en ik ben oprecht blij dat ze niet meer leeft, maar ik hield echt van haar. Ik wilde verschrikkelijk graag dat ze ook van mij hield. Ik wilde een aardige dochter zijn. Een ongelooflijk ingewikkeld gevoel, dat je je schuldig voelt omdat je zo lastig bent. Ik had sterk het idee dat het aan mij lag. Aan mijn karakter, mijn directheid, mijn zwartwitheid. Ik probeerde ook wel te veranderen, om leuk te zijn thuis en vrolijk, maar dan schoot er toch weer rebelsheid in.

Hoe verzette je je tegen Vic en de gang van zaken in huis?

“Ik was lastig en ik gedroeg me stoer. Ik liep stoer, de woorden die ik gebruikte waren stoer, ik was grof, ik provoceerde ze. Ik deed alles wat ze niet wilden. Toen de kamer eens vol zat met bezoek gooide ik de deur open en riep keihard: 'kut, lul, neuken'. De verbijstering op die gezichten zal ik niet gauw vergeten.”

Hoe oud was je toen?

“Ik denk een jaar of elf. Ik smeet de deur open en daar zaten de vrienden van Vic en daar riep ik die woorden. Daarna knalde ik de deur weer dicht.”

Behalve Germaine was er ook een grootvader in huis die tegen het regime in opstand kwam. Hij was cellist, gepensioneerd, en woonde na de dood van zijn vrouw bij zijn dochter in. Mijn grootvader trok zich niets van Vic aan, hij maakte expres lawaai overdag en reageerde niet op de huistelefoon waardoor Vic ons allemaal voortdurend bevelen doorgaf en uitschold. Hij steunde me, zonder woorden vaak, als ik in verzet kwam. In het openbaar waren Vic en hij uiterst hoffelijk tegen elkaar, begroetten elkaar 's avonds met 'cher maitre' en een halve buiging. Maar zijn woede aan tafel kon hij niet altijd beheersen, dan kon hij ineens zo zijn lepel in zijn bord smijten.''

Na de oorlog kwam An bij hen wonen, als kinderoppas. Ze is nooit meer weggegaan. Aan de Weesperzijde werd ze beschouwd als een bedienende en dat liet ze allemaal gebeuren, want An liet alles gebeuren. “Ze woonde onderin dat huis en moest keurige kleren aan, een schortje voor en bedienen, dat soort dingen. An was een schat. Als An er niet geweest was, dan was ik er ook niet meer geweest, dat kan ik rustig zo stellen. Ze was zo ontzettend lief en hartelijk, we hadden samen een geheim leven. Ze probeerde me te beschermen. An was mijn tweede moeder, zo heb ik dat altijd gevoeld. Bij mijn moeder kon je terecht voor een goed gesprek, An gaf warmte en gezelligheid.”

De enige ontsnappingen waren lezen en veel nadenken. Van Vic had ze geleerd - dat moet ze hem nageven, daar is ze altijd dankbaar voor geweest - hoe belangrijk het is om te lezen. “Boeken zijn altijd de grote troost geweest in mijn leven, ik kon me als kind al helemaal verliezen in een boek. Dat was heerlijk. Dan zat ik alleen op m'n kamer en dan las ik, of dacht na. Ik fantaseerde over een leven dat ik graag zou willen leiden, over een gewoon gezellig gezin met veel kinderen waar alles kon.

“En ik sprak mezelf moed in, want hier zou ooit een eind aan komen, dat wist ik zeker. Ik dacht: ze kunnen me in wezen niets doen, ik kan denken wat ik wil, ik ben vrij. Aan tafel zat ik de vreselijkste dingen te denken en dan keek ik om me heen en dacht: ze kunnen niet zien wat ik denk, ik denk wat ik wil, ze kunnen me niets doen. En ik had altijd wel iets leuks om aan te denken, dingen die ik ging tekenen of schilderen, heel kleine dingen die ik zou gaan doen, ik zat altijd vol energie.”

Germaine vertrok van de Weesperzijde op haar negentiende. Ze was inmiddels getrouwd en had een kind en kon met een huilende baby onmogelijk daar blijven wonen. In het boek beschrijft ze de aanloop tot dat huwelijk als het tweede absolute dieptepunt uit haar jeugd, na de plotselinge verhuizing.

“Ik was achttien en werd zwanger en ik heb mijn moeder letterlijk op mijn knieën gesmeekt om me te helpen abortus te laten plegen. Ik wist dat ze me kon helpen. Ze had het zelf een keer laten doen, maar ze weigerde. Ze overlegde met Vic en mijn vader en toen hebben ze besloten dat ik het kind moest krijgen. Ze regelde meteen dat ik moest trouwen en naar de zolder zou verhuizen, want Vic kon het voor zijn relaties niet hebben dat ik daar ongetrouwd met een kind in huis zou wonen. Zo zei hij dat. Mijn moeder ging naar het toneelgezelschap toe waar ik sinds een paar maanden werkte, om te vertellen dat ik zou stoppen. Mijn leven was net een beetje op orde aan het komen, en dat werd zomaar afgebroken. Ik heb dat mijn moeder ontzettend kwalijk genomen.”

Waarom wilde ze je niet helpen?

“Ik denk dat het gewoon wraak was. Ik was mijn hele leven lastig geweest en nu kon ze iets terugdoen voor al mijn dwarse gedoe, de ruzies die ze om mij met Vic gehad had, al die dingen bij elkaar.”

Hoe is het Binne vergaan?

“Binne heeft het uiteindelijk niet gered. Hij paste zich aan en is uiteindelijk slachtoffer geworden van het leven aan de Weesperzijde. Binne is altijd afhankelijk gebleven, eerst van mijn moeder, later van zijn vrouw. Hij werd depressief en angstig, en kreeg psychotische aanvallen. Een paar jaar geleden heeft hij zelfmoord gepleegd.”

Een jaar later stierf haar moeder en weer een jaar later An. Vic was in 1974 al overleden. “Op zijn sterfbed vroeg hij of ik langskwam. Hij stuurde mijn moeder weg en vroeg of ik vond dat hij dood moest. Ik heb heel even nagedacht, want ja, iemand zeggen dat hij maar dood moet, is niet niks. Maar ik heb het toch gezegd. Hij had met zijn egoïsme alles gekregen wat hij wilde. Nu had hij alleen nog maar kwalen en moest maar dood. Hij knikte en gaf me een hand. Drie dagen later was hij dood.”

Toen haar moeder dood was, kreeg ze ineens brieven van het Letterkundig Museum waarin haar toestemming werd gevraagd om de nalatenschap van Vic in te zien. “De brieven waren gericht aan 'de erven Victor van Vriesland'. Ik bleek de enige erfgenaam te zijn. Dat uitgerekend ik dat auteursrecht heb, vind ik geestig.

Ben je nu klaar met de Weesperzijde?

“Ik ben niet ongelukkig met hoe ik ben. Ik ben gescheiden omdat ik erachter kwam dat ik niet met een ander kan samenleven. Ik voel me beter als ik helemaal alleen ben. Ik woon alleen op deze woonboot en voel me er gelukkig bij. Wat ik lastig vind is dat dat eigenlijk niet mag, mensen vragen er altijd naar. Maar het is echt zo dat mijn geluk niet afhangt van een ander. Ik kan uiterlijk heel makkelijk met mensen omgaan, maar dat is een façade. Er zit een glazen muur tussen mij en de rest. Ik verdraag geen intimiteit. Ik kan me voorstellen dat een ander dat tragisch noemt, maar voor mij is het goed.

“Ik ben sterk, ik voel me onkwetsbaar, ik ben een overlever, je moet me kapotschieten om me dood te krijgen. En ik laat me geen slachtoffer maken, dat ben ik ook nooit geweest. Ik heb me heel vroeg al gerealiseerd dat in principe niemand me wat kan doen, ik kan alleen mezelf wat doen. En daar moet ik ontzettend voor uitkijken.”