De liefdadigheidsindustrie

“Mijn ouders leerden mij de tien geboden, maar het mochten er ook weleens negeneneenhalf zijn. Bij ons thuis regeerde niet de godsdienst van de angst. In politiek opzicht kreeg ik niet veel mee, ze waren bij wijze van spreken meer met de huzarensalade bezig.” Jacques de Milliano (1956, Breskens) kwam ter wereld als de zoon van katholieke ouders die een hotel en twee restaurants in Zeeland dreven.

De eerste jaren van zijn leven bracht hij door bij een Belgische grootmoeder (“in een horeca-bedrijf is nu eenmaal niet veel tijd voor kinderen”).

Zijn middelbare school was “een heel tolerant internaat van paters Benedictijnen” in de buurt van Brugge. “Daar werd ik geconfronteerd met filosofen als Spinoza en Plato. Eén van de boeken die indruk op me maakten was La Peste, van Albert Camus. Vanwege de dialoog tussen de existentialist en de spirituele idealist. Stimulerend voor mijn denken. Mijn voorkeur ging uit naar een bevlogen sociale gerichtheid. Die houding kreeg pas een politieke dimensie toen ik op de Universiteit van Leuven medicijnen studeerde. Ik sympathiseerde met bevrijdingsbewegingen in Latijns Amerika, maar ik was geen barricaden-figuur.”

In 1983 werkte De Milliano voor Artsen zonder Grenzen België in Tsjaad. Na een korte opleidingsperiode bij een Haarlems ziekenhuis (“ik stond op het punt specialist te worden - het gouden kalf van de gezondheidszorg binnen bereik”) koos hij voor een keldertje in Amsterdam, waar hij met geestverwanten de Nederlandse tak van Médecins sans Frontières oprichtte. Mede door een studie bedrijfskunde aan Nijenrode schroomde De Milliano de afgelopen jaren niet om zijn humanitaire brandweer te omschrijven als een deel van 'de liefdadigheidsindustrie', en beaamde hij dat er hevig met 'concurrenten' als het Rode Kruis wordt gevochten om 'de geefgulden'. Artsen zonder Grenzen weet zich tegenwoordig gesteund door ruim 800.000 Nederlanders en institutionele donoren, die vorig jaar in totaal zo'n 115 miljoen gulden schonken.