De kosten van corruptie

De werkelijkheid is vaak platter dan de intellectuele waarnemer pleegt te veronderstellen. De Thaise hoogleraar Pasuk Phongpaichit kenschetste de autoriteiten in haar land, tijdens de jongste jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds en Wereldbank, als een “stelletje boeven”.

De financiële crisis in Thailand is er voor een belangrijk deel mee verklaard. Ineen land waar bankbazen gemakkelijke kredieten aan vriendjes verstrekken en de centrale-bankpresident een devaluatie van de baht traineert om dezelfde vriendjes tijd te geven hun miljoenenvermogens in veiligheid te brengen, heeft het nu eenmaal weinig zin hoogdravende betogen over 'macro-economische fundamentals' te houden. Met boeven valt tenslotte geen enkel land te besturen. Niet voor niets staat corruptiebestrijding tegenwoordig hoog op de prioriteitenlijst van IMF en Wereldbank.

Is er wel zoveel nieuws onder de zon? In zijn boek 'Corruption and the Decline of Rome' (1988) beweerde Ramsey MacMullen met goede argumenten dat wijdverbreide corruptie een heel grote rol speelde in de neergang van het Romeinse Rijk. En in zijn met de Pulitzer Prize bekroonde 'Lenin's Tomb: The Last Days of the Soviet Empire' (1994) kenschetste David Remnick het communistische partij-apparaat in de Sovjet-Unie als de “meest gigantische mafia” die de wereld ooit heeft gekend. “Geen enkele economische transactie bleef onaangetast.”

In dit licht is het verbazingwekkend dat economen pas de laatste jaren serieus aandacht schenken aan het verschijnsel van corruptie en de economische schade die het teweeg brengt. Een opvallende poging tot kwantificering is die van Harvard-econoom Shang-Jin Wei, die in maart van dit jaar het (door IMF en Wereldbank verspreide) paper 'How Taxing is Corruption on International Investors?' publiceerde. Hij onderzocht het effect van corruptie op buitenlandse directe investeringen.

Als maat voor corruptie combineert hij de gezaghebbende ranglijsten, die Transparency International en de Economist Intelligence Unit op basis van enquêtes hebben opgesteld.

Singapore geldt met een score van nul als het minstcorruptieve land. Mexico scoort hoog op de hitlijst met een rating van 6,75, terwijl risicovolle landen als Indonesië, Nigeria en China het nog slechter doen.

Volgens Shang-Jin Wei werkt corruptie (steekpenningen) als een vorm van belasting. Indien in Singapore de corruptie tot Mexicaans niveau zou stijgen, staat dat volgens zijn econometrische exercitie gelijk met een verhoging van het marginale belastingtarief voor buitenlandse investeerders met minstens 21 procentpunt. En ook staat één punt meer op de corruptielijst gelijk met 16 procent minder aan buitenlandse directe investeringen.

De Harvard-econoom ontzenuwt ook de gedachte dat corruptie in de Oost-Aziatische tijgerlanden slechts een beperkt effect op de directe investeringen zou hebben. Die gedachte komt op omdat deze landen meer directe investeringen aantrekken dan op basis van het bruto binnenlands product zou mogen worden verwacht, onder meer door lage belastingen en lage lonen.

Ook China loopt als grootste ontvanger van buitenlandse directe investeringen jaarlijks een aanzienlijk bedrag mis. Interessant is in dit verband de rol van de overzeese Chinezen, die meer dan de helft van de buitenlandse directe investeringen in China voor hun rekening nemen. Zij trekken zich volgens Shang-Jin Wei minder van corruptie aan, omdat zij gebruik kunnen maken van persoonlijke netwerken die als substituut voor de rule of law dienst doen.

IMF-econoom Paulo Mauro kwam een jaar geleden in een staff-paper tot de conclusie dat een verbetering op de 'corruptie-index' met twee punten (op een schaal van tien) het inkomen per hoofd jaarlijks al met meer dan een half procent extra doet groeien.

Minstens zo interressant zijn de conclusies van Mauro over het effect van corruptie op de samenstelling van overheidsuitgaven. Zo wordt in corrupte landen relatief minder geld aan onderwijs besteed. Aanschaf van tekstboeken en uitbetaling van leraarsalarissen lenen zich nu eenmaal minder voor het opstrijken van steekpenningen dan de aanbesteding van grote infrastructurele projecten of de aankoop van geavanceerde militaire uitrusting.

De Wereldbank noemt in een recente studie nog meer negatieve effecten van corruptie. Kleine en middelgrote bedrijven (die vaak voor de meeste werkgelegenheid zorgen) hebben er relatief meer last van, omdat zij de hoge kosten van corruptie niet kunnen dragen. En de armsten lijden er meer onder dan de rest van de bevolking, omdat zij geen steekpenningen kunnen betalen om toegang te krijgen tot openbare voorzieningen.

Bestrijding van corruptie vergt meer dan alleen het vangen van boeven. Minder en transparanter regelgeving in ontvangende landen zou al veel helpen. Ingewikkelde regels maken immers de dief en markten disciplineren nu eenmaal veel meer dan overheden.

Ook in de industrielanden zijn maatregelen nodig, want corruptie komt altijd van twee kanten. Maar eenvoudig is dat niet. Shang-Jin Wei toonde in zijn studie aan dat Amerikaanse investeerders zich weinig aantrekken van de federale wet in de VS die het betalen van steekpenningen strafbaar stelt. Zij zijn volgens de Harvard-econoom kennelijk slim genoeg om op een meer verhulde manier smeergeld te betalen.

De gedachte dat corruptiebestrijding ook in de industrielanden nodig is, leek tijdens de jongste jaarvergadering van IMF en Wereldbank nog niet tot allen doorgedrongen. Tijdens een besloten overleg boog een Duitstalig minister zich tijdens een rede van een Nigeriaan naar zijn Nederlandse collega Pronk met de toefluistering: “Wieder ein Experte”.