De innerlijke draaikolk van een vrijheidszoeker

Voorstelling: Goya, naar Gombrowicz en Borges, door Theatergroep Tzara i.s.m. Theater Bellevue. Compositie: Jan Bus; regie: Jos Vijverberg; spel: Ben Ramakers; zang: Charles van Tassel; piano: Jaap Dieleman; vormgeving: Frits van Hartingsveldt. Gezien: 1/10 Theater Bellevue; t/m 12/10 aldaar, aanvang 12u30; res 020-5305301. Op 9/11 (16u) in Huis a/d Werf, Utrecht.

Een kleine ronde tafel, uitgelicht in de duisternis, met daarachter een schimmige man: hoe eenzaam ziet dat eruit. De man klampt zich aan zijn tafeltje vast als aan zijn zon, zijn maan, in een heelal dat te groot voor hem is. Excuses voor de gebrekkige beeldspraak, maar Goya maakt de poëet in de mens wakker. Goya is muziektheater in zijn eenvoudigste vorm. Een pianist, een acteur en een zanger, dan heb je het personeel wel gehad. En je ziet niet meer rekwisieten dan dat tafeltje plus een scherm waarachter nog zo'n tafeltje (met man) verschijnt.

O ja, even wordt er kreeft gegeten met behulp van een krakende schaar, maar voor spectaculairder effecten voege men zich bij de kassa's van Joop van den Ende. De makers van Goya hebben het fijntjes gehouden; de simpele vorm verbergt een ingewikkelde inhoud en aanvankelijk begrijp je hun bedoelingen slecht.

Traag en 'zwaar van de slaap', zoals de acteur het noemt, verloopt de eerste helft. Alleen de sfeer daarvan beklijft, zoals het zuidelijk-scherpe licht met het desolate silhouet van de man-aan-zijn-tafel geprojecteerd op het scherm.

Pas in de tweede helft van deze door Jos Vijverberg geregisseerde lunchvoorstelling valt alles op zijn plaats. Dan snap je dat de twee mannen, de zanger en de acteur, samen één personage vormen - een gespleten persoon, dat wel.

Op een schip ontmoeten zij elkaar, de jonge Witold Gombrowicz die in 1939 naar Argentinië vaart en de gelouterde Witold Gombrowicz die jaren later terugreist. En de jonge Gombrowicz is het interessantst, ook zonder daarbij te denken aan de historische feiten, aan Gombrowicz' vlucht uit Polen en zijn vertwijfelde emigrantenbestaan.

De geestelijke nood op het toneel hoeft niet per se de wanhoop van een emigrant te zijn; het is de angst van elke vrijheidszoeker. Want wie onbeperkt naar ongebondenheid streeft kan goed op drift raken.

De zee staat hier dus tevens voor het zwalken, maar zelfs die betekenis doet er niet wezenlijk toe, net zomin als de betekenis van het woord Goya (geen schilder, maar een Argentijns stadje).

Belangrijker is de muziek. Die bereikt haar climax vlak nadat de acteur de zin 'verlos mij van mijn innerlijke draaikolk, van de paniek die ik ben' heeft uitgesproken. De zang van Charles van Tassel gaat dan over in hartverscheurend geneurie. Dat hij de overige liederen zong in het voor velen raadselachtige Spaans, op gedichten van Gombrowicz' Argentijns-Europese zeezwalker-collega Jorge Luis Borges, en dat verder de hoge noten weleens geknepen uit Van Tassels keel kwamen, dat zij regisseur en zanger vergeven.

Vooral het geneuriede lied overtuigde mij ervan dat Jan Bus, maker van de muziek bij de drukbesproken kameropera Westerling, zich heeft ontwikkeld tot een componist die op een zuivere manier weet te ontroeren.