Abortus (1)

'De discussie over abortus is nooit ten einde' luidde de ondertitel van het artikel over abortus (Z 6 sept.). Het is goed in gesprek te blijven over de ethiek rond de voortplanting van de mens. Het zou echter duidelijker zijn als de discussie voortgezet zou worden over ethische kwesties die zich eventueel in de toekomst vaker voor gaan doen en niet telkens terug hoeft naar af: de normale abortuspraktijk.

Juist dit onderwerp komt weer aan de orde als de Tweede Kamer zich binnenkort buigt over het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de abortuspraktijk in Nederland.

In het artikel komt eerst het dertigjarig jubileum van de Engelse abortuswet aan de orde en worden vervolgens allerlei extreme voorvallen rond abortus en IVF (reageerbuisbevruchting) op een rijtje gezet. Geen wonder dat de Engelse ex-minister Steel geïrriteerd reageerde op de vraag of hij geen spijt had van de invoering van de abortuswet. Die discussie is volledig achterhaald in een medisch goed geoutilleerde samenleving, waar abortus veilig is en voorbehoedmiddelen volop te krijgen zijn.

Abortus komt niet in de plaats van anticonceptie, zoals in Oost-Europa en Japan, maar is voornamelijk een vangnet voor de 'ongelukjes'. Veel vrouwen voelen zich dan ook betutteld door de in de wet voorgeschreven vijf dagen bedenktijd. Ze denken er immers hun hele leven al over na, of en hoeveel kinderen zij zouden willen. In een beperkt aantal gevallen, vier à vijf procent, vormt die vijf dagen wachten een werkelijk probleem. Daar biedt de wet dan ook een uitweg voor.

Abortusklinieken zijn laagdrempelig, de behandeling is gratis en zeer mensvriendelijk. De telkens weer aangeslingerde discussie heeft weinig draagvlak in deze dagelijkse realiteit en lijkt voornamelijk beperkt te blijven tot de EO, christelijke politici en, wonderlijk genoeg, de Hoofdinspecteur voor de Volksgezondheid.

Is het in de praktijk zo dat alle vrouwen in Nederland die voor abortus kiezen, die ook kunnen krijgen? Weigert een abortusarts ooit een abortusverzoek? Het kortst mogelijke antwoord op deze vragen, respectievelijk 'ja' en 'nee', leidt steeds weer tot misverstanden bij diegenen die wet noch praktijk (willen) kennen of aanvaarden.

In de kliniek wordt een abortusverzoek door betrokkenen van alle kanten belicht en vervolgens beslist de vrouw wat zij gaat doen. Bij ruim twintig procent van de vrouwen die zich bij een abortuskliniek aanmelden komt het niet tot een zwangerschapsafbreking. Soms zijn zij niet (meer) zwanger of kiezen ze toch voor het uitdragen van de zwangerschap. Ook als iemand nog niet in staat is tot een afgewogen beslissing, is er geen sprake van expliciete weigering door de arts, maar van een aansporing langere tijd te nemen voor overweging.

De Nederlandse abortuswet is een christelijk-liberaal monstertje (van 1984) dat je telkens doet struikelen over zijn kronkelige redeneringen. Maar de conclusie is gelukkig helder: de verantwoordelijkheid ligt bij de vrouw. Waar zou deze beter op zijn plaats zijn? Wie wil nu nog dat artsen, autoritair en tegen bestaande wetsregels in, de beslissing over abortus naar zich toe trekken? Het blijft voor een aantal mensen, opvallend veel mannen, kennelijk moeilijk te aanvaarden dat het principiële beslissingsrecht over de ontwikkelingen in eigen lijf en leven ook geldt voor zwangere vrouwen.

Vanzelfsprekend is het de taak van de overheid toe te zien op de kwaliteit van de gezondheidszorg. Via het parlement kunnen signalen uit de samenleving leiden tot extra onderzoek of ontwikkelingen in het bestaande toezicht. Het is echter verspilling van energie om telkens weer oude argumenten uit de kast te halen om te schoppen tegen de best functionerende abortuspraktijk van de wereld.