Aangetekend

Brandbrieven stuur je naar een vriend of je geliefde, niet naar de eeuwige vijand. Die vijftien velletjes waarin het bestuur van het NOC*NSF Anton Geesink meende te mogen kapittelen voor zijn wat eigengereid optreden slaan dus nergens op.

Tussen Geesink en Huibregtsen is een honderdjarige oorlog aan de gang die nooit zal eindigen. De twee heren zijn verwikkeld in een cascade van statusgevechten. Wie mag er met de grootste roos in het knoopsgat rondlopen, daar gaat het om. Beide strategen beschikken over een huurlingenleger. Huibregtsen heeft de sportpausjes uit de polder om zich heen verzameld, Geesink leunt op het lichtjes seniele maar nog steeds webachtige prestige van IOC-voorzitter Samaranch. Erica Terpstra waggelt af en toe met een wit zakdoekje tussen de twee frontlinies, maar ook zij kan het geweld niet keren.

Kortom, het is een soap.

Wat was er nu weer aan de hand? Huibregtsen had zichzelf gekandideerd voor een stoeltje in het Europese Olympisch Comité. Geesink dacht: wat Wouter wil kan ik beter. Het EOC is een club van niets: ze komt hooguit drie keer per jaar bijeen en voorzitter Mario Pescanto wil alleen vergaderen aan het zwembad, in een Siciliaans badplaatsje. Inderdaad een decor naar de maat van Anton: hij valt tenminste op, en daar gaat het om.

Er kwam een aangetekende brief aan te pas. Volkomen misplaatst. Met neo-stalinistische fratsen val je een oud-olympisch kampioen niet lastig. Gelukkig reageerde Geesink als een heer van stand: “Ik heb die NOC-brief van 28 augustus nog niet gelezen. Ik had belangrijker zaken te doen.” Aangetekend. Het woord alleen al staat zo ver van de olympische gedachte als een kuikentje van het spit. Het behoort tot het vocabulaire van Philips, Sport7 of een genootschap van bloedhonden. Wie zich aangetekend tot een medemens richt, degradeert zichzelf tot het wereldje van de VVCS en Feyenoord. In de olympische familie worden geschillen niet gestempeld. Ze worden uitgepraat, in een vriendelijk luchtje van Eau de cologne. De open prestigestrijd tussen Huibregtsen en Geesink heeft iets van een nationale striptease: we zijn een land zonder aristocratie. Overal ter wereld zijn olympische comités het Mekka voor de oude adel, bescheten diplomaten en hier en daar een koningskind. Juan Antonio Samaranch is de meest fluwelen exponent van dit fluisterende gezelschap dat achter een mongoloïde glimlach stijf staat van de intriges, machtshonger en geldlust. Maar de stijl van verhevenheid was altijd leuk om naar te kijken. Een gevormd geweten is prima - het oog mag ook wat hebben.

Anton Geesink heeft zijn eigen verhevenheid. De betonvlechter uit Utrecht blijft een leuke man. Niet geheel vrij van zachte eigenwaan, maar hij is geen machtsproleet. Hij is nog steeds authentiek in zijn wat logge gang door de betere wereld van de sport. Zoveel is zeker: Geesink heeft het heilige vuur. Hij is gek van sport, houdt van de mensen en is in wat hij doet geloviger dan het hele IOC bij elkaar. Het zou een minieme gunst moeten zijn om deze gezant in het olympisch harnas te laten sterven.

NOC-voozitter Huibregtsen zal ook wel genieten van hockeyende dames en heren, maar hij is toch meer een man voor avondkleding. Gezien worden. Partijen. Boottochten met de minister-president. Tijdens de Olympische Spelen in Barcelona onthulde het Belgische IOC-lid Rogge dat Huibregtsen uit was op likwidatie van Geesink. De zware beschuldiging staat nog steeds overeind.

Zou de joyeuze sportfanaat Willem-Alexander niet een paars windje kunnen laten waaien in het NOC*NSF? Of hebben socialisen en liberalen meer breeddenkendheid in huis dan olympische bobo's? Dat is pas echt de wereld op zijn kop.

Het mooiste zou zijn als Anton Geesink via zijn internationale contacten er alsnog voor kan zorgen dat Wouter Huibregtsen fulltime voorzitter wordt van het EOC. In Rome. Dan kan eindelijk de vrede uitbreken op Papendal. En kan de olympische reus zich weer vrijelijk door Nederland bewegen. Als een vuurtoren die nooit slaapt.