Woorden zijn onschuldiger dan sappen

NEW YORK/MONTAUK. Een Duits tijdschrift verzocht mij een interview te houden met een New Yorkse toneelschrijver, zijn voornaam is Nicky, zijn achternaam laat ik maar achterwege. Ik las zijn stukken. Er kwamen veel penissen in voor. Men schijnt te denken dat ik iets met penissen heb.

Op donderdagmiddag om twee uur ontmoette ik Nicky in een lunchroom in Chelsea. Interviews zijn verschrikkelijk, maar minder erg als je zelf de vragen mag stellen. Hoewel ik mij nog goed kan herinneren dat Karel Appel tegen mij zei, 'als je dit soort vragen stelt ben je niet echt een gevatte jongen.' En vervolgens meer interesse toonde voor de rode schoenen van mijn vriendin.

'Wat heb je vandaag ontbeten?' vroeg ik.

'Wat is dat voor vraag,' zei Nicky, 'wil je niet over mijn toneelstukken praten?'

'Nee,' zei ik, 'ik heb ze niet eens gelezen. Ik heb een ontbijtobsessie, ik wil altijd weten wat mensen ontbeten hebben en of ze in hun ochtendjas waren of juist halfnaakt. Jij hebt ook de nodige obsessies, toch?'

Hij keek me onderzoekend aan. 'Jij bent geen journalist hè, jij bent een beetje gek?'

'Ja', zei ik, 'ik ben een beetje gek.'

Toen pakte ik een tandenstoker en hield die in mijn mond alsof het een sigarettenpeukje was. Het zag er onbeholpen uit, ja zelfs potsierlijk. Maar zo moest het er ook uitzien.

'Vind je jezelf eigenlijk aantrekkelijk?' vroeg ik.

Hij moest er even over nadenken. 'Ik denk niet over mezelf na in die categorieën. Ik ben al blij als mensen niet gaan overgeven als me zien.'

Ik borg mijn notitieblokje en de pen die ik net tevoorschijn had gehaald weer op en zei: 'laten we tijdens het eten gewoon wat praten, Nicky, mag ik Nicky zeggen?'

Twee uur later ging ik tevreden naar huis. Nicky zei nog dat hij zo genoten had van het gesprek. Ik werkte het interview uit (Kop: 'Looking sad is bad for business') en nam de trein naar Montauk. Montauk is een dorp op het uiterste puntje van Long Island. Achter Montauk begint de zee en daarachter ligt Europa.

Het bekendste hotel in Montauk is Guerny's Inn. Het is zo groot dat het zelf eigenlijk een dorp is. Je kan er piepkleine kamers huren met uitzicht op een muur, maar ook complete huizen die op het strand staan.

Ik ging in de grote eetzaal zitten, met uitzicht op de oceaan. Er was bijna niemand. Het seizoen was afgelopen. Een strijkje speelde. Rechts van mij was het zand, en links van mij een aquarium met minstens veertig kreeften.

Ik had hier afgesproken met Francesca, de dochter van mijn bazin. lk heb mijn werkzaamheden in de horeca niet kunnen opgeven. Het is verslavend. Bovendien is alleen schrijven te saai, en saai leven is een zonde.

Francesca was teruggekeerd van de Dominicaanse Republiek waar zij haar kind had grootgebracht en geleefd had van de opbrengst van het land. Of van de lucht. In ieder geval had ze er veel uitgeslapen. Haar echtgenoot, een depressieve Israëli, was teruggegaan naar Tel Aviv waar hij zijn dagen rokend in zijn woonkamer doorbracht, aangezien hij genoeg verdiend had op de beurs. Nu moest dat kind naar school en Francesca keerde terug naar New York.

Haar moeder meende dat ik Francesca niet aardig vond, wat misschien ook zo was.Ik zag haar en vergat haar weer. Tot ze me op een avond, een woensdagavond, aansprak met de woorden: 'ik ben niet erg intelligent.'

'Hoe weet je dat?' vroeg ik. En raakte geïnteresseerd. Want zoiets had nog nooit iemand tegen me gezegd. (Hoewel, Nicky de toneelschrijver zei hetzelfde.)

We praatten twee uur. Ze leende mij haar jas (ik had geen jas bij me en het was koud), las mijn hand, beantwoordde mijn vragen en lachte veel en (wat belangrijker is) op de juiste momenten. Ze dronk drie seven-up met rum en om half drie zei ze dat ze me de rest van de nacht alleen zou moeten laten, aangezien ze het respecteerde dat ze me de eerste keer ontmoet had in gezelschap van mijn vriendin en bovendien moest haar dochtertje de volgende ochtend naar school.

Twee dagen later schreef ik haar: 'Lieve Francesca, Verkoop me geen leugens. (Ik respecteer dat ik jou de eerste keer heb ontmoet etc.) Jij respecteert dat soort zaken helemaal niet. Ik zou het ook niet respecteren, al had ik jou ontmoet in gezelschap van je echtgenoot en twee dozijn minnaars. Allemaal mooier en jonger dan ik. Na dit gezegd te hebben, het volgende: Jij hebt mijn lichaam niet nodig. Ik heb jouw lichaam niet nodig. Al wat ik te bieden heb zijn woorden. Al waar ik om vraag zijn woorden. Woorden zijn onschuldig, in ieder geval onschuldiger dan lichaamssappen. Mag ik je uitnodigen voor een lunch? Etc.'

Haar moeder had mijn brief blijkbaar gelezen, want die avond behandelde ze me als een zeldzaam roosje. Haar moeder denkt dat ik wijs ben. Ik geef haar wel eens adviezen die eruit bestaan dat ik haar vertel wat ze me net zelf verteld heeft. Van dat soort adviezen zijn de mensen gediend. Haar moeder denkt dat ik royaal ben. Ik neem haar wel eens mee naar een duur restaurant en breng haar dan naar huis. Haar moeder denkt dat ik een genie ben. Ik heb haar verteld dat de moderne denkers ongelijk hebben het concept genie van de hand te wijzen en dat wij onszelf tekort doen door het genie als een romantisch gedachtenspinsel af te doen. Ze meent dat ik het tegenovergestelde ben van een macho, omdat ik haar heb verteld dat ik van sterke vrouwen houd. En sinds ik haar dochter een brief heb verstuurd per Fed-Ex en niet per gewone post, meent ze dat ik een romanticus ben. (Het verschil tussen een romanticus en een niet-romanticus is tien dollar vijftig. Voor dat bedrag hoeft niemand het te laten.)

Misschien heeft ze gelijk, ik kan dat moeilijk allemaal over mezelf beweren, maar feit is dat het me niet slecht uitkomt dat ze zo denkt. Een schrijver wiens passie het is een flatteus beeld van zichzelf te schetsen had advocaat moeten worden.

Francesca liet zich zien noch horen, maar haar moeder brandde kaarsjes.

Ik wachtte drie dagen, vol ongeduld, toen schreef ik mijn volgende brief: 'Lieve Francesca, Ik begrijp dat mijn offer (de correcte vertaling is natuurlijk 'aanbod', maar 'offer' is eigenlijk mooier) om een spel met woorden te spelen te laag is. Ik vergat dat je me die woensdagavond vertelde dat je liefde zocht. Wat stom van me. En dat je wanhopig was. Wie niet? Een handjevol mensen is wellicht door de wanhoop overgeslagen, maar zij zijn dan ook zo saai dat zelfs het drinken van een kopje koffie met ze een bezoeking is. Welnu, jij wilt liefde. Jij krijgt liefde.'

Hierna volgde een lijst van twintig voor de hand liggende complimenten. (Als je drinkt ben je zeer aantrekkelijk, maar je bent ook zeer aantrekkelijk als je niet drinkt.) Niet voor de hand liggende complimenten klinken al gauw onoprecht.

Na deze brief, die behalve door Francesca door minstens zes mensen was gelezen, hield men mij nog voor een grotere romanticus. Een dromer zelfs.

Als echte passie tragedie is (wat zij is ) dan is de gespeelde passie een komedie. In laatste instantie naturlijk een tragi-komedie voor alle betrokkenen, maar laten we het voor een keer niet over die laatste instantie hebben.

Fransesca bleef onzichtbaar.

Ik schreef haar nog een derde brief, met het verzoek haar moeder te gebruiken als bode, om mij te berichten waar en wanneer ik haar kon ontmoeten. Ik suggereerde Montauk, het weekend van de 27ste september.

Na dagen van martelende onrust, zoals dat heet, liet haar moeder weten dat Fransesca zou komen, zonder kind. Wat een opluchting was.

Maar ze kwam niet.

De slang, dacht ik, de slang, toen ik alleen, naast het aquarium met halfdode kreeften zat. Dat ik zelf ook een beetje een slang was kwam merkwaardig genoeg niet in mij op. Mensen kunnen zo naïef en onschuldig zijn.

Na een strandwandeling en een goeie nachtrust keerde ik terug naar New York. Nicky stond drie keer op mijn antwoordapparaat. Arm zwijntje, dacht ik en besteedde er verder geen aandacht aan, want al waarop ik wachtte was een bericht van Francesca.

Ik schreef: 'Lieve Francesca. Jij bent een ware stilte-kunstenares. Nog nooit heeft de stilte zo bekoorlijk geklonken als uit jouw mond. Weet je trouwens dat ik je neusje adoreer. Niet alleen je neusje. Ook je oren, ik zou ze twee per week willen kussen. Etc. etc.'

Het gat tussen mooi zijn en je mooi voelen kan alleen worden overbrugd met woorden die zo onschuldig zijn als kleine kinderen die het verschil tussen goed en kwaad nog niet kennen. Om deze stelling kracht bij te zetten, knielde ik voor de open haard en zei, 'God, waarom heeft U mij verlaten? Waarom ben ik van God los, God?'