Weduwen en wezen

Huub Oosterhuis heeft in zijn Abel Herzberg-lezing, zo begrijp ik uit de publikaties daarover in de diverse dagbladen, stelling genomen tegen Karel van het Reve en mij. Wij zouden een heel verkeerd beeld van God hebben. Volgens Oosterhuis moeten wij God zien als 'vriend, als vader van weduwen en wezen, die het kermen van de verdrukten hoort en de vernederden optilt uit het stof.'

Laten we de eerste bijbeltekst eens opslaan in het Oude Testament waarin God zich uitlaat over de weduwen en wezen: Exodus 22 vers 22. Daarin staat: 'Geen enkele weduwe of wees zult gij verdrukken.' Dat voorschrift van God lijkt nobel, en allicht zult u zeggen: zie je wel dat Oosterhuis gelijk heeft. Maar lees nu eens verder. Na dat voorschrift volgt de tekst: 'Indien gij dezen toch verdrukt, voorzeker zal Ik, indien zij luide tot Mij roepen, hun geroep horen, en Mijn toorn zal ontbranden en Ik zal u met het zwaard doden, zodat uw vrouwen weduwen worden en uw kinderen wezen.'

Mij dunkt: het ergste wat vrouwen en kinderen kan overkomen is dat hun mannen en vaders gedood worden. Die weduwen en wezen zouden er toch het meest bij gebaat zijn geweest als God hun mannen en vaders helemaal niet gedood had. God zelf maakt dus, in zijn toorn, de weduwen en wezen aan. Dan is het vervolgens ook wel terecht om je hun lot een beetje aan te trekken. Niettemin: wat een rare gang van zaken: eerst zelf datgene aanmaken waar je later een helpende hand naar uitsteekt. Je zou toch zeggen: het beste wat God kan doen is ervoor zorgen dat vrouwen en kinderen geen weduwen en wezen worden. En dan die kermende verdrukten. En die vernederden die opgetild worden uit het stof. In Leviticus 21 vers 16 tot 20 lezen we: 'En de Here sprak tot Mozes aldus: Spreek tot Aäron: wie van uw nakomelingen in latere geslachten een lichaamsgebrek heeft, zal niet naderen om de spijze van zijn God te offeren, want niemand die een lichaamsgebrek heeft, zal naderen: een blinde of een verlamde of iemand met mismaakt gelaat of met te lange leden, of iemand die een breuk aan been of arm heeft, of een bultenaar of een uitgeteerde, of iemand die een vlek op zijn oog heeft, of die uitslag of huidziekte heeft, of die geschonden is aan de geslachtsdelen.' Als hier geen sprake is van een hoogst opmerkelijke vorm van discriminatie van lichamelijk gehandicapten weet ik het niet meer. Is dit nu 'een vernederde optillen uit het stof'? Had je een bochel, dan mocht je geen offer brengen! Zelfs met te lange leden - wat is daar nou in vredesnaam mis mee? - greep je er al naast!

Ik begrijp best dat Oosterhuis, zoals ik uit deze krant van maandag 22 sept vernam, het bijbelboek Leviticus in één avond denkt te behandelen. Dan kan hij al die vreselijke strafwetten, en al die gruwelijk discriminerende bepalingen overslaan betreffende zieken en ongelukkigen. Lees eens in Leviticus 13 en 14 wat God verordineert als je melaats was. Me dunkt, zo'n melaatse is wel een heel treffend voorbeeld van de kermende verdrukte. Was God met zijn lot begaan? Allerminst, zo blijkt uit de genoemde hoofdstukken uit Leviticus. Je werd verstoten, je werd de woestijn ingejaagd, je werd behandeld als een schurftige hond.

Overigens is, zo begrijp ik uit een buitengewoon boeiend boek dat onlangs verscheen, De dood is in de pot, man Gods, van prof.dr. J.P. Nater, het woord 'zara'ath' dat dus in onze bijbel met melaatsheid werd overgezet, hoogst waarschijnlijk ten onrechte aldus vertaald. Zara'ath is geen melaatsheid, maar een heel andere, en waarschijnlijk ook ernstiger aandoening. Niettemin: hoe ernstig die aandoening ook was, 'een verstoting uit de maatschappij was voor de betrokkene een veel grotere beproeving dan de huidaandoening zelf,' zoals prof. Nater terecht opmerkt. En juist die verstoting geschiedde op Gods bevel die zich volgens Oosterhuis het lot van de kermende verdrukten zo enorm aantrekt.

Volgens Oosterhuis moeten de bijbelteksten volgens de joodse traditie gelezen worden in het licht van de geest van de bijbel als geheel. 'De geest die het geheel kenmerkt,' aldus Oosterhuis, 'is de verantwoordelijkheid van mensen voor elkaar.'

Verantwoordelijkheid van mensen voor elkaar? In 1 Samuel 15 vers 3 zegt de profeet Samuel tegen koning Saul: 'Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met den ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel.' Laten we wel wezen: dit is doodgewoon een regelrechte oproep tot genocide. Valt dat ook onder de verantwoordelijkheid van mensen voor elkaar? Het is bovendien duidelijk dat je, als je een heel volk uitroeit, inclusief de vrouwen en de zuigelingen, en passant ook heel wat weduwen en wezen over de kling jaagt. Waren ze meteen definitief uit hun lijden. Zoals God toch met hun lot begaan is!

Overigens is het verhaal in het eerste bijbelboek Samuel met dat bevel aan koning Saul om, geheel in overstemming met de verantwoordelijkheid die mensen voor elkaar hebben, een heel volk uit te roeien, nog niet afgelopen. Saul laat namelijk rund en schaap, kameel en ezel in leven. Mij was het liever geweest als hij vrouw en zuigeling in leven had gelaten, maar desondanks kan aan Saul enige menselijkheid niet ontzegd worden. De onschuldige slachtdieren, toch bij uitstek de vernederden en verdrukten, toen en ook thans in de overvolle varkensstallen, spaart hij. Je zou zeggen dat God die zo begaan is met de kermende verdrukten dat wel moet waarderen. Het tegendeel blijkt. Omdat Saul nog een greintje humaniteit had laten zien, en het vee had gespaard, wordt hem aangezegd dat 'de Heere hem verworpen heeft'. ( 1 Samuel 15 vers 26).

Een markant detail in het hele verhaal is nog dat koning Saul, behalve de kermende schapen en de vernederde runderen, ook de koning van Amalek in leven heeft gelaten en mee heeft gebracht. De arme man stapt welgemoed op Samuel af en zegt: 'Voorwaar, de bitterheid van de dood is geweken.' En wat doet Samuel - verantwoordelijkheid voor elkaar! - met die koning? 'Daarop hieuw Samuel Agag in stukken voor het aangezicht des Heren te Gilgal.'

Als Huub Oosterhuis op een van zijn bijbelcursussen uitlegt hoe de oude, ongeoefende Samuel dat voor elkaar heeft gekregen, kom ik luisteren. Iemand aan stukken houwen, voorwaar, een enorme opgave. Kreeg Samuel daar een vlijmscherp zwaard of een hakbijl voor aangereikt? Zelfs dan moet het onbegonnen werk zijn geweest. Het is al een hele kunst om iemand een pink af te slaan, laat staan om er een arm af te hakken. Om van in stukken houwen nog maar te zwijgen!