Volhouden

Op een ochtend nam de pad zich voor nooit meer boos te worden. Hij was zo vaak boos geweest, had zichzelf zo vaak opgeblazen en was zo vaak ontploft... Hij had er genoeg van. Vooral het ontploffen en het gedoe daarna om zichzelf weer in elkaar te zetten bevielen hem niet.

'Nee', zei hij tegen zichzelf. 'Ik word nooit meer boos.'

Hij ging voor zijn spiegel staan, dacht aan iets vrolijks en gaf zichzelf toen plotseling een harde stomp.

'Au', riep hij en hij werd boos.

Hij zuchtte en dacht: het zal niet meevallen.

Hij oefende urenlang, ging op zijn eigen tenen staan, schold zichzelf uit, beschuldigde zichzelf van verschrikkelijke dingen die hij niet had gedaan en kneep zichzelf hard en gemeen in zijn wang.

Aan het eind van de middag werd hij niet meer boos, wat hij ook deed.

Hij ging die avond naar het feest van de krekel. Het was een gezellig feest. De dieren aten taart, dansten en zongen. Iedereen was tevreden.

Aan het eind van de avond vroeg de spreeuw aan de pad: 'Toe, pad, word nog eens boos. Je wordt altijd zo prachtig boos...'

'Nee', zei de pad. 'Ik word nooit meer boos.'

Iedereen hield op met dansen en zingen en keek naar de pad. Nooit meer boos? De pad? Dat bestond niet.

De olifant drong naar voren en zei: 'Dat kan niet, pad.'

'Dat kan wel,' zei de pad.

'Dat kan niet!' riep de olifant.

'Dat kan wel' zei de pad zachtjes.

De olifant draaide zich om en klom verongelijkt in de populier.

'We zullen je boosheid wel missen', zei de marter. Hij keek de pad droefgeestig aan.

Maar de pad haalde zijn schouders op.

De neushoorn kwam naar voren en gaf hem een onverwachte draai om zijn oren. Maar de pad werd niet boos.

De sprinkhaan gooide hem ruw omver en de valk sleurde hem de lucht in en liet hem vanuit de hoogte vallen. Hij kreeg stompen en trappen en er werden verwensingen naar zijn hoofd geslingerd. Hij werd uitgelachen, verfrommeld en onder de voet gelopen, en de olifant liet zich uit de top van de populier boven op hem vallen. Maar de pad werd niet boos.

'Nee', zei hij. 'Ik word niet boos.'

Ten slotte gingen de dieren naar huis, druk pratend over hoe ze de pad boos konden maken. 'Dat moet', vonden ze. Want als de pad nooit meer boos zou worden wat zouden zij zelf dan wel nooit meer worden? Vrolijk? Opgetogen?

De krekel was in slaap gevallen achter zijn cadeaus en snurkte tevreden.

De pad knikte naar hem en strompelde naar huis.

Toen hij thuis kwam keek hij in zijn spiegel. Hij zag er blauw en gehavend uit. Hij leek ook kleiner te zijn geworden. Maar hij was niet boos. Zou ik het volhouden? dacht hij.

Hij moest op een krukje klimmen om in zijn bed te komen. Stil lag hij even later naar het plafond te staren. Het was donker, maar toch was het alsof er iemand terugstaarde.

'Wie is daar?' vroeg de pad.

'Je boosheid', zei een stem.

'Wat doe je daar?'

'Dat weet ik niet. Maar ik heb het zo koud'.

De boosheid was heel klein en grijs, niet meer dan een stipje in het donker. De pad zuchtte. Ik wist het, dacht hij, ik wist het wel.

'Kom maar hier,' zei hij.

Maar opeens was de boosheid verdwenen en zag de pad alleen maar zijn donkere plafond. Hij deed zijn ogen dicht. Misschien houd ik het toch vol, dacht hij. Je weet het nooit!

Toen sliep hij in.