Van serieuze muziek moeten Fransen weinig hebben; Dirigent Philippe Herreweghe over de Franse muziekcultuur

In Frankrijk is de serieuze muziek vrijwel afwezig en nauwelijks onderwerp van gesprek. Dirigent Philippe Herreweghe, al jaren werkzaam in Parijs en dit seizoen gastdirigent van het Concertgebouworkest, legt uit waar het volgens hem aan schort. “Opera heeft de symfonie doodgedrukt in Frankrijk.”

Philippe Herreweghe concerteert dit seizoen met het Concertgebouworkest 22 okt in Utrecht, in Amsterdam (23 en 26 okt) en de St. Baafskathedraal van Gent (24 okt). In het voorjaar komt hij terug in Utrecht (Vredenburg) met het Orchestre des Champs Elysées: 10 maart (Beethoven, Tripelconcert - met Wispelwey, Brautigam, Moccia, en Eroïca) en 6 juni (Schumanns Frühlingssymphonie en Berlioz' Les Nuits d'été voor orkest en zang).

Het Théâtre des Champs Elysées aan de Avenue Montaigne is één van de betere muziekzalen van Parijs. Het elegante publiek gedraagt zich ook muzikaal gesproken keurig. Hier maken de late binnenkomers niet nog even een praatje terwijl Alfred Brendel al vordert in het eerste deel van een late Beethoven-pianosonate, zoals dat gebeurt in de grotere Salle Pleyel.

De opkomst van Philippe Herreweghe is on-Parijs van allure. Zijn Orchestre des Champs Elysées zit losjes te stemmen, donker gekleed maar zonder rok of soortgelijk tenue voor de dames. De dirigent wandelt op alsof hij zich net de afspraak herinnert. Het post-Mao-jasje valt als een vest om zijn schouders. Zullen we wat moois gaan spelen, lijkt hij zijn musici te vragen.

Zonder grote gebaren klinken de eerste maten van de symfonie in C mineur van Joseph Martin Kraus (1756-1792). Licht en fris volgt Mozarts vierentwintigste pianoconcert, met als solist op de fortepiano Andreas Steier. Herreweghe weeft de muziek als een fijn dekentje om de fragiele pianopartij. Tot zichtbaar genoegen van de volle zaal, die het orkest een thuiswedstrijd gunt, al is het gesubsidieerd door de regio Poitou-Charente.

In zijn ruime, stille apartement in de Marais, de oude wijk tussen Bastille en stadhuis van Parijs, domineert een open vleugel, langs de open ruimte waar zijn Nederlandse vrouw, de celliste Ageeth Zweistra, en haar kwartet, het Turner-kwartet, kunnen repeteren. Philippe Herreweghe (50) wil niet belerend praten, zeker niet over het land waar hij twintig jaar woont en werkt. Frankrijk, waar hij naast zijn eigen orkest zijn koor (La Chapelle Royale) en zijn festival voor oude muziek (Saintes) leidt. Een land dat de vijftig jaar geleden in Gent geboren musicus veel kansen heeft gegeven, maar zichzelf ook kansen onthoudt. Om dat laatste wil Herreweghe geen doekjes winden.

“De kwaliteit van het muziekleven in Frankrijk schiet tekort. Daar zijn verschillende oorzaken voor. In Parijs is niet één goede concertzaal voor symfonische muziek. Zo'n zaal als Vredenburg bestaat hier niet; ik heb net een tournee door Duitsland gemaakt, daar heb je fantastische zalen. Het Théâtre des Champs Elysées, waar wij vaak spelen, is architectonisch heel mooi, maar het is geen muziekzaal, al zullen directeuren het tegendeel beweren. Pleyel is veel te groot en niet interessant van klank. Alleen de Cité de la Musique heeft een goede zaal, voor 900 mensen - de geplande grote zaal is er nooit gekomen. De Opéra Garnier wordt alleen gebruikt voor ballet en nu weer voor kleinere opera's, daar komen wij niet in. Châtelet heeft jaren de meeste interessante politiek gevolgd, maar het is een theaterzaal, erg droog. En dan heb je het gehad.

Bloeiend muziekleven

“Daar komt bij dat er in Frankrijk geen orkest is dat zich kan meten met de Londense orkesten, met Leningrad, het Concertgebouworkest, Rotterdam, de grote Amerikaanse orkesten. Het Franse muziekleven is - zeker in vergelijking met Duitsland en Nederland - sterk geconcentreerd, in Parijs, hoewel sommigen zeggen dat het beste Franse orkest dat van de opera van Lyon is. Maar niet één Frans orkest behoort tot de internationale top.

“Misschien was er in de baroktijd wel een bloeiend muziekleven in Frankrijk. In de negentiende eeuw zeker. Het Franse orkestleven was toen maatgevend voor Europa. Wagner zei: als je Beethoven goed wilt horen moet je naar Parijs. In het verlengde van de Franse Revolutie was het Conservatoire opgericht. Brede lagen van de bevolking kregen daar een kans. De Franse vioolschool werd toen gesticht. Die was in het midden van de negentiende eeuw een standaard. Ook de vioolbouw stond op een hoog peil. Frankrijk had toen goede orkesten, maar weinig vooraanstaande componisten. Tegenover Mozart, Schubert, Brahms, Bruckner stelt Frankrijk alleen Berlioz. Dat is alles.

“Ik denk dat de opera de symfonie heeft doodgedrukt in Frankrijk. Opera, dat zijn vooral plaatjes. Fransen vinden het verbale belangrijker. Zij hebben bij muziek liever woorden en plaatjes. Muziek alleen vinden zij moeilijker. Fransen zijn niet gericht op de muzikale essentie: de architectuur van de tijd.”

Philippe Herreweghe moet denken aan zijn jeugd in Gent, waar hij heeft geleerd dat de basis van muziek zang is. “Daar waren nog zes koren die de motetten van Bach konden zingen. Alles en iedereen was gericht op samenzingen. Als wij daar nu de Elias van Mendelssohn opvoeren, zoals we net hebben gedaan, zijn er nog velen in het publiek die hem vroeger zelf hebben gezongen. Fransen niet. Met de revolutie is het kerkzingen afgeschaft.”

Als arts die zijn specialisatie psychiatrie grotendeels voltooide, vóór het voorbeeld van Gustav Leonhardt hem deed besluiten definitief in de (oude) muziek te gaan, zegt Herreweghe zonder aarzelen: “Ik weet dat wat ik ga zeggen een enormiteit is, maar ik heb echt het gevoel dat het een begin van verklaring voor de Franse muziekcultuur biedt. Het individu wordt hier meer uit de ratio dan uit het gevoel gestuurd. Bovendien voert het individualisme de boventoon. De hofcultuur in Versailles was daar de ultieme belichaming van. Daar moest iedereen haantje de voorste zijn om de aandacht van de koning te vangen.

“Dat individualisme maakt het in feite onmogelijk hier een orkest of een koor te leiden. Ik weet natuurlijk dat er veel uitzonderingen zijn, maar Fransen zijn over het algemeen niet solidair, ze willen graag bewijzen dat ze beter zijn. Dat gaat lijnrecht in tegen de essentie van samen musiceren. Als je Engelse zangers hebt, dan buigen die een beetje naar elkaar toe om beter samen te zingen. Franse zangers doen het tegendeel, alsof zij willen zeggen: eigenlijk hoor ik niet bij het koor.

“Aan de andere kant is dit een hoogst intelligent volk dat in staat is de realiteit op een bijzondere manier te belichten, een zeer literair volk, met meer schrijvers dan componisten. Dit is de bakermat van de Verlichting, in zekere zin van de democratie, de Franse Revolutie heeft belangrijke dingen gebracht. Maar als muziek een beetje heilig zou zijn, dan zouden ze nu de beste zalen willen hebben.”

Chaotisch beleid

Philippe Herreweghe spreekt zich in Frankrijk zelden of nooit hardop uit over het Franse muziekleven. Hij heeft het er te druk voor: tot kerstmis is hij nog vier dagen in Parijs. Maar helemaal alleen staat hij niet in zijn visie. De muziekredacteur van Le Monde schreef onlangs weer over de 'meer dan zorgelijke situatie van het Franse muziekleven'. De componist en dirigent Pierre Boulez uitte onlangs in die zelfde krant een lange zucht over het gebrek aan organisatie en samenwerking op muziekgebied.

“Het beleid in Frankrijk is chaotisch”, beaamt Herreweghe. “In Duitsland is muziek belangrijk. Hier moet het politieke personeel om op te klimmen een romannetje hebben geschreven. Muziek is bijna obscurantistisch, iets dat ver af staat van de helderheid die men nastreeft. Het muzikale landschap is een gevolg van desinteresse bij de beleidsmensen, die bovendien onder druk staan van corporatistische elementen, de grote orkesten en de opera's voorop. Daar gaat 90 procent van het geld naar toe. Boulez is er dank zij zijn superieure intelligentie en talent in geslaagd zijn niche te vinden. Hij heeft gecreëerd wat hij wilde. Hij is de Lully van nu. De Cité de la Musique staat er, dat vind ik fantastisch. De vraag is of hij nu nog gemotiveerd is om mee verder te vechten.

“Er is natuurlijk nog veel meer gebouwd de laatste vijftien jaar. De Grote Bibliotheek, de Opéra Bastille. Alleen, die Bastille is een catastrofe, een afschuwelijk gebouw dat slecht klinkt, een slechte opera die met busladingen toeristen en gepensioneerden moet worden gevuld. En om marketingredenen moeten steeds de zelfde vijf opera's worden gespeeld. Het is werkelijk een aanfluiting, een voorbeeld van hoe een muziekleven juist niet gestructureerd zou moeten worden.”

Ook daarover heeft Herreweghe helderomlijnde ideeën. Een optimaal muziekleven draait volgens hem om een akoestisch zeer goede zaal die een sociale functie heeft, “een zaal waar de mensen naar toe trekken om elkaar te ontmoeten en om open concerten mee te maken”. De klemtoon moet liggen op de muziek die nu geschreven wordt. Daar moet het meeste geld naar toe gaan. Alleen dan kan de 'feedback-relatie' met het publiek ontstaan waarin nieuwe muziek tot stand kan komen. “In Frankrijk is hedendaagse muziek door gebrek aan feedback met een reëel publiek papieren muziek geworden. Het Vredenburg in Utrecht en het Singel in Antwerpen programmeren bijvoorbeeld een stuk interessanter. Frankrijk is een burgerlijk land met een burgerlijk muziekleven. Het IRCAM (Institut de recherche et de coordination acoustique musique, laboratorium voor de nieuwste muziek, directeur: Pierre Boulez, red.) is een soort klein getto.”

Herreweghe grinnikt: “Misschien zegt u: hij pleit voor hedendaagse muziek en zelf maakt hij oude muziek. Dat is waar en ik voel me er niet schuldig om. Als de serieuze muziek gezond was georganiseerd, dan zou de oudere muziek op een positieve manier in een museale omgeving bewaard en uitgevoerd kunnen worden. Mijn taak ligt in dat museum. Ik heb twintig jaar van mijn leven gewijd aan de afdeling Bach, nu ben ik bezig met de negentiende eeuw. Juist in museumverband kan dat interessant zijn. Beethoven belichten zoals wij, Frans Brüggen en anderen dat doen, dat kan de moeite waard zijn in een goede museumpolitiek.”

Opera-applaus

Bach was geen muziek waar de Fransen van nature voor warmliepen, heeft Herreweghe ervaren. In een recent gesprek met het blad The Grammophone zei hij: “Wij Vlamingen staan dichter bij Bach, misschien meer dan de Duitsers zelf.” In Duitsland heeft volgens hem een Pruissische invloed Bach vorige eeuw overspoeld, terwijl in Vlaanderen een 'meer flexibele, Bourgondische traditie' is blijven bestaan. Fransen weten over het algemeen niet wat zij aanmoeten met Bachs koorwerk. Herreweghe: “Hier gaan de mensen naar cantates luisteren zoals ze naar een Balinees ballet gaan, zeer bekorend en estethisch, maar wat er verteld wordt gaat langs ze heen. Dat is in Italië nog erger. In een stad als Parijs wonen voldoende uitzonderingen om een zaal te kunnen vullen met uitzonderingen. Mensen uit Nederland schrikken erg als hier na de Matthäus Passion hartelijk wordt geklapt. Een concert is toch interactie? Geen applaus vind ik soms ook te ver gaan, dat kan erg artificieel zijn. Een bepaald soort applaus is het losbarsten van een ingehouden emotie, daar kan veel waardering van het publiek inzitten. Maar hier is het vaak een opera-applaus, het is meer een corrida-atmosfeer. Dat kan na een opera gepast zijn, na een Matthäus past het niet. Voor mij is het mooiste van muziek het religieuze deel, het metafysische in de muziek. Dat heb je in zeer goede kamermuziek, of in Bruckner-symfonieën - Bruckner benadert voor mij de essentie van muziek. Bruckner of ook Josquin bijvoorbeeld vind ik toppen van architecturale muziek, die iets zeer dieps zegt, niet verbaal. Maar dat is niet hun tasse de thé hier.

“De beste Franse muziek, neem Debussy en anderen van dat kaliber, dat blijft natuurlijk oppervlaktemuziek. Ik zeg niet: oppervlakkige muziek. Het is muziek van kleuren, coloristische muziek. La profondeur est à la surface, heeft iemand gezegd. Begrijp me goed, ik voel me enorm aangetrokken tot dit land en deze stad, maar wij zoeken iets anders in de muziek. Voor mij is het archetype van een goed concert een soort religieuze gebeurtenis. Onze concertzalen zijn tempels, kijk naar het Concertgebouw. Die benadering van muziek is hier ver te zoeken, en in Italië onbestaanbaar. We zitten hier tussen het Latijnse en het Germaanse, maar Parijs is toch al ver naar het zuiden.”