Roman van Tom Lanoye, deel 1; Graaien in de drek van België

Tom Lanoye: Het goddelijke monster

Prometheus, 337 blz. ƒ 34,90

Of het me een jaar geleden ook zo zou zijn opgevallen weet ik niet, maar de geteisterde heldin van Tom Lanoyes Het goddelijke monster doet soms onweerstaanbaar denken aan prinses Diana. Ze maakt deel uit van de high society, zij het de Vlaamse, en ze heeft van buiten iets dat haar van binnenuit niet ophoudt te verbazen. Mannen, vrouwen - ieders hart slaat over bij de aanblik van haar lelieblanke lijf en leden. Ze is mooi, maar meer dan mooi, ze is in het bezit van die welhaast doorschijnende, betoverende schoonheid waarin men zijn eigen ziel kan leggen. Voor de een is ze een stoeipoes, voor de ander een icoon van kuisheid. Ze is alles wat het oog in haar wil zien, van fee tot feeks, en daarmee groeit ze uit tot plaatselijke 'allemansprinses'. Een people's princess, bijna letterlijk.

Maar, zoals dat gaat, ze voelt zich de gevangene van dat imago. Ze hoeft maar een foto van zichzelf te zien of ze begrijpt dat ze er nooit aan zal ontkomen. 'Ze mocht met haar werkelijke lichaam door de voorruit van een auto schieten, haar neus verbrijzelend, haar huid aan flarden rijtend - haar beeld zou ongewijzigd blijven, getuigend van een perfectie die zij nooit had bezeten.' Het is sterker dan zij. Ze zou veel liever zijn wat ze van binnen is ('zo goed als niets'), maar op de een of andere manier kan ze zich niet onttrekken aan de eisen van de buitenkant. Ze past zich aan, ze schikt zich naar de ogen die haar zien. Wil men die stoeipoes? Kijk haar draaien met haar kont. Wil men een huilebalk? Daar gaat ze al. Ze wordt daadwerkelijk wat men zich inbeeldt - een spiegel voor het menselijk verlangen.

Die willoosheid krijgt noodlottige gevolgen, zij het wel verrassend anders dan bij Lady Di. Lanoye geeft zijn heldin een echtgenoot mee die een mooie carrière maakt in het belastingrecht, maar die bij het toenemen van zijn succes een clandestien verlangen naar het tegendeel ontwikkelt. Hij daagt zijn vrouw uit om hem te kleineren, ijskoud, en als altijd doet ze wat de wereld van haar wil. Ze sart. Ze jent. Ze staat erbij en kijkt ernaar terwijl ze hem naar de verdommenis treitert en uiteindelijk, het gaat geheel buiten haar om, voltrekt ze wat zijn diepste wens moet zijn geweest. Ze knalt hem overhoop.

'Katrien Deschryver schoot haar man dood.' Bij die zin begint het boek, simple comme bonjour, en voor Katrien is daarmee alles wel zo ongeveer gezegd. Ze had tenslotte niets moorddadigs in de zin, ze spiegelt maar zo'n beetje in de rondte. Maar als lezer kom je daar niet zo gemakkelijk mee weg. Terwijl je gaat begrijpen wat zich hier voor lot voltrokken heeft, verschuift Lanoye het perspectief naar haar familie en omgeving. Hij zet vader, moeder, ooms en tantes neer, satirisch vaak, met ferme streek, tot er een breed tableau ontstaat van mensen die zich in de spiegel hebben willen spiegelen. Hij laat je meekijken, als het ware, en zo komt hij aan het eigenlijke raadsel. Want wat zijn dit voor verknipte lieden, die hun ziel en zaligheid in zo'n zinsbegoocheling steken? Wat is dit voor wereld?

Katrien wordt ingerekend door een onderzoeksrechter, Willy de Decker, die zich als een terriër op het dossier stort. Hij is overtuigd is dat hij een grote zaak te pakken heeft, want hij kent haar familie langer dan vandaag. Vader Herman Deschryver, een bekende Brusselse bankier, is de belangrijkste fiscale adviseur geweest van de voormalige regering-Waterschoot, die de corruptie bij de overheid tot een uitzinnig, bijna feestelijk niveau wist op te drijven. Die Deschryver is niet in de haak, aldus de rechter, en hij neemt zich voor de familie aan de haren van de moordende Katrien naar de ondergang te sleuren.

Bij die onderneming krijgt hij curieus genoeg een steuntje in de rug van een andere Deschryver: Leo, broer van Herman, oom van Katrien en zonder meer de indrukwekkendste figuur van de roman. Een ongelikte beer, een beestmens, gistend in het gif van zijn verachting voor de wereld. Hij veracht zijn werk als fabrikant van kamerbreed tapijt, dat hem volkomen onbenullig voorkomt. ('Tapis-plain. Wat is dat, tapis-plain? Een jumboversie van de deurmat. Iets om uw voeten aan te kuisen.') Hij veracht daarbij de klanten waar die zaak op drijft, de braverikken op wie hij zijn kloterigste streken uitprobeert. ('Ze hadden hem groot gemaakt maar juist dat stak hem.') Maar het meest van al veracht hij zijn familie, die zijn vet geslis en gore moppen niet op prijs stelt. Dus wie schetst zijn vreugde als hij, kalm op de WC gezeten, die familie op kan bellen en, precies op het moment dat hij zijn drol hoort vallen, losjesweg kan melden dat hij net een stapel blocnotes vol belastende gegevens over zijn verwanten aan de rechter heeft gegeven?

Uit het samenspel van beide heren, fabrikant en rechter, doemt al gauw een treffend beeld op van de wereld die zich spiegelt in die ongelukkige Katrien. Het is een wereld vol onduidelijke achterommetjes, doofpotten en handjeklap, een menselijk moeras waar iedereen zijn gang kan gaan en elke samenhang der dingen min of meer toevallig is. Want ga maar na: de rechter ziet een samenhang tussen de moordzaak van Katrien en de corruptie van de rest van de familie, maar ziet hij dat terecht? Nee. Maakt dat uit? Nee. Hij hoeft maar in de drek van België te graaien en hij vindt altijd wel wat, zo lijkt het, en Lanoye werkt die suggestie zo breed uit dat de roman best Het verdriet van België had kunnen heten. Het schijnt onvermijdelijk te zijn bij Vlaamse schrijvers, de belgitude krijgt ze allemaal te pakken.

Wat Het goddelijke monster met dat thema aan wil is alleen nog niet zo heel precies te zeggen. Na ruim driehonderd bladzijden besluit het boek doodleuk, onaangekondigd, met de regel: 'EINDE DEEL EEN'. Het slot ontbreekt, de plot blijft open. De corruptie wordt niet opgehelderd en een stoet aan broers en tantes van Katrien blijft na omstandige beschrijving als bevroren in de lucht hangen. Hoe beter je kijkt, hoe meer je mist - en blijkbaar legt de uitgever daar liever maar geen nadruk op.

Toch laat zich wel zo'n beetje raden waar Lanoye op mikt. Zet je de rechter en de fabrikant naast elkaar, dan zie je dat ze gek genoeg verwante zielen zijn. Ze teren beiden op verbittering, op naijver en wrok en haat, op destructieve prikkels van het soort dat in de regel wordt geboren uit het stuklopen van constructieve. Elke notie iets met anderen te kunnen delen is verdwenen. Hun gevoelens zijn in de meest letterlijke zin verkeerd - geïnverteerd, een slag gedraaid, zodat ze ze zich tegen hun aanvankelijke doelen richten. Tegen hun eigen wereld. Tegen zichzelf, uiteindelijk.

Precies, kortom, als bij de echtgenoot die zich de hersens uit zijn schedeldak laat schieten.

Begin je dat patroon in het tableau te overzien, dan zie je plotseling ook wat het is wat al die mensen zoeken in de spiegel van Katriens volmaaktheid. Ze zijn niet in staat hun dromen en verlangens vorm te geven op de rechtstreekse manier die men wel liefde noemt en projecteren hun gevoelens daarom op een wezen dat ze niet als een van hen hoeven te zien, meer als een godgezonden engel. Wie zo onaantastbaar mooi is, moet wel aan de wereld zijn ontstegen. Die bezoedelt je gevoelens niet, zoals de rest van de wereld, die kaatst ze stralend terug. Een goddelijke spiegel in een monsterlijke wereld.

Keer je ten slotte met die wijsheid van Het goddelijke monster naar de echte wereld terug, dan is de verleiding groot toch nog even aan die andere spiegelheldin te denken. De bloemen en de tranen van de Britse natie na de dood van Lady Di, getuigen die nou werkelijk van eendracht en warm menselijk gevoel? Zijn die niet juist een voorbeeld van de hartstocht waarmee mensen een godin de eer bewijzen die ze aan elkaar onthouden? Sentiment is het, verdriet dat nergens consequenties hoeft te krijgen en dus eigenlijk niet meer dan een vermomming van cynisme is. Gevoel, dat wel, maar vals.

Het goddelijke en het monsterlijke zijn twee kanten van hetzelfde euvel, laat Lanoye zien: het ontbreken van het menselijke. Zijn Katrien zoekt almaar woorden om te zeggen dat ze van haar echtgenoot gehouden heeft, ja dat ze, anders dan de anderen, onder zijn dood lijdt. Maar die woorden, die komen niet. Die zijn er niet, in heel het boek niet, en het lijdt geen twijfel dat Lanoye ook voor zichzelf de grootste moeite heeft om nog in dat soort woorden te geloven. Door zijn boek heen loopt een spoor van woede, nauw bedwongen woede over de verziekte wereld van de Belgen en de mensen in het algemeen. Maar uit die boosheid maakt zich af en toe een toon los van boosaardigheid die je met enige schrik doet denken aan zijn eigen meest verdorven personages. Het is menens met dat monster, zoveel is wel duidelijk. Het leeft niet enkel in de wereld, het zit in hemzelf.

Uit: Tom Lanoye, Het goddelijk monster

Katrien Deschryver schoot haar man dood. Per ongeluk. Ze wist dat geen mens haar zou geloven maar het wás een malheur - dom, abrupt en onherroepelijk. Typisch iets voor jou, zou haar man hebben gebruld. Indien hij nog had kunnen brullen.

Ze was verraden door haar noodlot, eens te meer. Vanaf haar jeugd was het zo gegaan. Men noemde haar aantrekkelijk, intelligent en elegant tot ze het zelf geloofde. En hoe meer ze het geloofde, hoe meer ze veranderde in wat men haar toedichtte. Tot, op een lelijke dag, haar masker viel en iedereen met open mond staarde naar wat ze werkelijk was. Een doodgewoon meisje, een vrouw uit de honderdduizend. Een plastic spiegeltje waarin de wereld zichzelf had gezien en verliefd was geworden.