Raymond Aron: Mémoires, 1983

Raymond Aron: Mémoires. Juliard, 1983, 778 blz. ƒ 55,20

Zijn de Mémoires van Raymond Aron een klassiek werk? Voor een stellig antwoord op die vraag is dit boek te kort geleden verschenen, maar het staat vast dat het grote aandacht heeft getrokken en nog steeds trekt als het fascinerende verslag van ruim een halve eeuw denken en schrijven over politiek.

Het resultaat van die bedrijvigheid is een indrukwekkend, misschien zelfs een klassiek oeuvre van meer dan veertig titels. Alle enerverende thema's die sinds de Tweede Wereldoorlog het politieke leven in Europa hebben beheerst, zijn door Aron met evenveel scherpte als diepgang in zijn boeken ontleed: de Koude Oorlog, de teloorgang van het kolonialisme, het einde van de ideologie, de Duitse deling, de verleiding van het marxisme, de aanval op de consumptiemaatschappij, de zelfkritiek van West-Europa enzovoort.

Aron, die ook nog bijna veertig jaar lang een wekelijks commentaar voor achtereenvolgens Le Figaro en L'Express schreef, beweert in zijn herinneringen dat luiheid een belangrijke drijfveer is geweest voor deze enorme productie. Hij heeft nooit kunnen kiezen tussen wetenschap en journalistiek. Mede om die reden werd hij pas in 1955, toen hij vijftig jaar oud was, benoemd tot hoogleraar, eerst aan de Sorbonne en later aan het Collège de France. Aangestoken door het politieke virus van zijn tijd, nam hij telkens weer het aanbod van een uitgever aan om een boek over een actueel onderwerp te schrijven. Met die gemakzuchtige beslissing vluchtte hij voor zijn eigen idee menigmaal weg van de tijdrovende taak een wetenschappelijke studie te produceren.

Het is de vraag of zijn lezers deze luiheid moeten betreuren. Ik was op school, schrijft Aron in zijn mémoires, de knapste maar niet de origineelste. Die combinatie is terug te vinden in zijn twee academische hoofdwerken. Zowel Paix et guerre entre les nations (1962) als Penser la guerre-Clausewitz (1976) bieden een bloedeloze uitstalling van een imponerende eruditie, die echter het kompas van een eigen Leitmotiv ontbeert. Daarentegen waren zijn kennis en intellect, in combinatie met een onafhankelijk oordeel, effectieve instrumenten om de tijdgenoot wegwijs te maken in het labyrinth van de actualiteit.

Aron gaf blijk van eigenzinnigheid door zijn minachting voor de modegevoeligheid van de Parijse intelligentsia en door zijn gebrek aan belangstelling voor de in die kringen dringende vraag of een opvatting als 'links' of 'rechts' moest worden gekwalificeerd. In 1957, vijf jaar voordat Algerije onafhankelijk werd, wekte hij de woede van rechts Frankrijk door in La tragédie Algerienne te schrijven dat de Franse regering deze kolonie moest opgeven.

Al twee jaar eerder had hij echter zijn anti-linkse reputatie bevestigd met de publikatie van L'opium des intellectuels, een aanval op het marxisme en zijn talrijke meelopers. Het marxistische idee dat de geschiedenis een onvermijdelijk verloop heeft, bepaald door de interne tegenstellingen van een tot de ondergang gedoemd kapitalisme, wees hij van de hand als een waandenkbeeld. Het was volgens Aron niets anders dan een product van geseculariseerde geloofsijver, geboren uit het verlangen naar een paradijs op aarde. De gauchistes, verslaafd aan het opium van de mythe dat de geschiedenis een einddoel heeft, prezen de Sovjet-Unie om haar idealen en veroordeelden de Verenigde Staten om hun daden.

Dit boek was niet in de laatste plaats een intellectuele afrekening met de filosoof en romancier Jean-Paul Sartre. Hij was in de jaren twintig op de Ecole Normale Supérieure de klasgenoot en kameraad geweest van Aron, die in zijn herinneringen met melancholie over deze vriendschap schrijft. Toen Sartre al kort na de Tweede Wereldoorlog een sympathisant van de Sovjet Unie werd, kwam het tot een breuk. In de roman Les Mandarins (1954), geschreven door Sartre's levensgezellin Simone de Beauvoir, vinden we Aron terug in de figuur van de anti-communist Scriassine.

In 1948, toen de Koude Oorlog nog nauwelijks was begonnen, had Aron in Le grand schisme al duidelijk positie gekozen tegen de Sovjet-Unie. Verzoening tussen democratie en communisme, twee systemen die aanspraak maakten op universele geldigheid, was volgens hem onmogelijk. Afspraken met de Sovjet-Unie waren echter onontkoombaar om het gevaar van de nucleaire catastrofe te bezweren. Het Westen moest met veel geduld een economische en militaire machtspositie opbouwen die het Sovjetsysteem volgens Aron op den duur tot de hervormingen zou dwingen. Tot dan zat er niets anders op dan genoegen te nemen met een toestand die door hem werd getypeerd met de beroemd geworden formule: de vrede is onmogelijk, maar de oorlog is onwaarschijnlijk.

In 1977 verscheen het laatste politieke tractaat van Aron, Playdoyer pour l'Europe décadente. West-Europa, zo schreef hij in dit boek, was in de jaren zeventig bezig zichzelf ten onrechte een existentiële crisis aan te praten. Dit decadente subcontinent leed onder een economische recessie die grote interne verdeeldheid veroorzaakte en het zelfvertrouwen aantastte, maar die in werkelijkheid niet meer was dan een luxeprobleem dat door een hervorming van de overheidsfinanciën kon worden verholpen. In de sinds '68 populaire kritiek op de 'consumptiemaatschappij' zag hij een overtrokken en tijdelijke uiting van de zelfkritiek die traditioneel in Europa zowel een bron van creativiteit als van pessimisme was.

De politiek strijdschriften van Aron waren een boeiende bijdrage aan het debat van zijn tijd en blijven als een historische bron van belang, die in scherpte nog steeds menig geschiedwerk naar de kroon steken. Wie iets wil begrijpen van de revolutie die zich in mei '68 in Parijs voltrok, doet er nog altijd het beste aan om naar het datzelfde jaar verschenen La révolution introuvable te grijpen.

Aron had vaak gelijk, maar het heeft lang geduurd voordat hij het in brede kring ook kreeg. Links, dat tijdens de Koude Oorlog lange tijd niet alleen in Frankrijk het intellectuele klimaat beheerste, ontdekte hem pas eind jaren zeventig als de man die het vrijwel altijd goed had gezien. De verschijning van Solzjenitsyns Goelag Archipel en de Sovjetinval in Afghanistan veroorzaakten een anti-communistische omslag in spraakmakend Parijs. Met zijn in 1983 verschenen Mémoires kon Aron, die hetzelfde jaar zou overlijden, nog net van deze verandering profiteren.

Het succes van dit bijna 800 pagina's tellende boek, waarvan nog voor het verschijnen van de pocketeditie al meer dan driehonderdduizend exemplaren werden verkocht, was echter niet alleen een kwestie van intellectuele conjunctuur. U denkt als een dissertatie, zo had Emmanuel Todd hem eens verweten. Het lijkt alsof Aron die uitspraak wilde wraken door in zijn herinneringen te laten zien dat zijn leven zeker niet alleen had bestaan uit een niet aflatende demonstratie van knapheid. In dit boek leren we een heel andere Aron kennen, iemand die met ingehouden emotie vertelt over zijn uit Oost-Europa afkomstige joodse grootouders, over zijn dramatische vlucht naar Londen in juni 1940 en over de ramp die hem in 1950 trof, toen zijn tienjarige dochtertje aan leukemie stierf en zijn mongoloïde kind werd geboren.

In zijn Mémoires is een Aron aan het woord die met zichzelf in gesprek is, niet alleen over zijn eigen oeuvre maar ook over zijn eigen lotgevallen. In deze herinneringen vloeien leven en werk samen tot een persoonlijk gekleurd panorama van Europa in de twintigste eeuw. Deze betrokkenheid werpt bovendien licht op het Leitmotiv van zijn geëngageerde essayistiek: een diep besef van tragiek, een afkeer van fanatisme en een passie voor rationaliteit en gematigdheid. Zijn vaak bespotte uitspraak dat hij een voorstander was van de verveling in de politiek, krijgt na lezing van dit meesterwerk het karakter van een doorleefde wijsheid.