Producten van hard zwijgen; De laatste gedichten van Herman de Coninck

Herman de Coninck: Vingerafdrukken. De Arbeiderspers, 66 blz. ƒ 29,90

In zijn debuutbundel De lenige liefde publiceerde Herman de Coninck in 1969 een gedicht Aan Buddingh' waarin hij duidelijk maakte waar zijn poëtische voorkeuren lagen. 'Ik hou wel,' schreef hij, 'van gedichten / als gespierde kerels van behaarde / mannelijke taal,'

Maar ik hou eigenlijk nog meer van een groep woorden die zich samen plotseling bijzonder intiem gaan voelen en zeggen: laat ons nou maar altijd bij elkaar, er hoeft er geen meer bij te komen.

In zijn zes volgende bundels heeft De Coninck laten zien tot welke poëzie zulke intieme woordgroeperingen kunnen leiden. Nu eens badinerend, dan weer intens romantisch of (zoals hij het zelf noemde) schaamteloos pastoraal, beschreef hij de wereld die hem omringde. Meestal ging het over de liefde, maar steeds weer ook over wat een gedicht zou kunnen en moeten zijn. Over zijn liefde voor poëzie dus.

Ook in Vingerafdrukken, zijn postuum verschenen nieuwe bundel, staat een cyclus over de poëtica: 'O, de o! (Een stijlleer in zeven lessen)'. In het laatste gedicht daarvan gaat De Coninck in speelse discussie met Jan Eijkelbooms gedicht 'O' uit De gouden man - zoals hij in andere verzen van Vingerafdrukken speelt met uitspraken en regels van collega's als Simon Vinkenoog en Benno Barnard of met citaten uit zijn eigen werk. De titel van de bundel zelf verwijst ook naar een definitie van poëzie. 'Ik denk,' opent het eerste gedicht, 'dat poëzie iets is als vingerafdrukken / op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen / te wachten staat op dag.' Elders, in 'Ars poetica', wordt het gedicht verbeeld als een produkt van hard zwijgen, als een

grafsteen die luistert naar wat erin is gegrift. Letters die luisteren tot ze vol regen staan.

En in zijn derde reisgedicht over het Afrikaanse Ubud omschrijft De Coninck poëzie als de wetenschap van het missen: 'Een lege plek. / En ineens overvlogen worden door betekenissen.'

Zoveel definities van van wat een gedicht is. Dat lijkt verwarrend, maar voor Herman de Coninck was dit permanente onderzoek naar de poëtische wortels het drijfwerk van zijn dichterschap. 'Ik héb geen definitie van de poëzie,' schreef hij in zijn essaybundel De vliegende keeper (1995). 'Ik heb er een twintigtal en hoop dat ze elkaar tegenspreken en aan de praat houden. Mijn eenentwintigste definitie zou dan zijn dat poëzie bij uitstek het genre is dat voortdurend zichzelf wil definiëren.'

Dat klinkt als het adagium van een typische 'Poet's poet', een ivoren torendichter. Maar dat is De Coninck van meet af aan niet geweest. Daarvoor waren zijn bronnen te alledaags. Niet de literatuur, maar het directe leven was zijn onderwerp. Waar andere dichters, op de vraag wat hun beïnvloed heeft, op de proppen komen met grote dichtersnamen, schreef Herman de Coninck in 'De buigzaamheid van het verdriet' (uit Met een klank van hobo, 1980):

Wat mij beïnvloed heeft? Mijn moeder. Die 8 dagen na de dood van mijn vader aan een zus van hem / tante van mij een doodsprentje gaf met daarin verborgen de rekening van wat ze haar nog verschuldigd was.

In Vingerafdrukken krijgt deze anekdotiek van de emotie een ontroerende uitwerking in het tweeluik '(Gedicht voor Marc) Vijftig' en '(Gedicht voor Mit) Vijfentwintig jaar met Marc'. Het al te menselijke is hier op z'n allereenvoudigst, maar ook allerraakst verwoord. 'Ze lacht om oude grappen,' Mit. 'Om de zekerheid. Om de gezelligheid van de herhaling.' En Marc? 'Het verst waar hij zich waagt is de stoep. Daarop zit hij dan. / Te kijken of ook zij niet binnenkomt.' Zoals Mit na lezend in de tuin in slaap te zijn gevallen in 'zo'n prachtig ander leven', rooskleurig wakker wordt in het hare: 'kijkend of ook hij niet buitenkomt.'

Je moet een wel heel goede dichter zijn, wil zo'n landerig beeld van symbiose in poëzie beklijven. Herman de Coninck was een meester in zulke landerigheid. Dit meesterschap was zeker ook het gevolg van zijn scherpe blik en schier onuitputtelijk associatievermogen. Alles leent zich in zijn gedichten tot beeldspraak. Ook beeldspraak zelf: 'Zoals een grootvader van zijn kleinzoon houdt, / zo legt beeldspraak ergens een arm omheen.'

De Coninck legde zijn poëtische arm om alles wat hij tegenkwam. In Vingerafdrukken onder meer om het werk van de Engelse dichter Edmund Blunden (1896-1974), om een intrigerende kinderfoto van Norbert Maes, en om de dierenwereld in het Serengeti-park in Tanzania. Vooral die dierengedichten zijn juweeltjes, van kijkkunst en schrijfkunst. 'Van een absolute juffrouwelijkheid,' aldus De Coninck, 'van een jonge ouwelijkheid / zijn de giraffen.' En bij de olifanten constateert hij 'De ontroering dat er in al die slobberbroeken gewoond wordt. / Dat cement oogjes heeft om mee uit die ontzaglijkheid te kijken.'

Het is onverteerbaar dat De Conincks poëtische hartelijkheid zo abrupt tot stilstand is gebracht. De troost ligt in wat hij heeft nagelaten: fonkelende essays over zijn bevlogen leeservaring, en zeven poëziebundels, waarvan zowel de consistentie als de ontwikkeling door niemand beter zijn beschreven dan door De Coninck zelf in de reeks 'Nu, dus' in Vingerafdrukken:

Opgevoed in zwijgzaamheid. Het is sindsdien mijn vak: woorden zoeken die zwijgen. Die je niet hebt, maar alleen kunt krijgen. Misschien leerde ik het van mijn moeder. 'Jongen, je weet wel,' zei ze toen ik ging trouwen. Ik heb er bundels en vrouwen over gedaan om zo weinig te zeggen. Om het geinige af te leren, vervolgens het chagrijnige, om ten slotte thuis te komen in het weinige. Van de lenige liefde in de enige.