Picareske knapen

Eduardo Mendicutti: Bulgaarse minnaars. Vertaald uit het Spaans door Adri Boon. Wereldbibliotheek, 239 blz. ƒ 39,50

Bulgaarse minnaars moet al de zesde roman zijn van de Spaanse schrijver Eduardo Mendicutti, maar een grote naam is hij nog niet geworden. Toch is hij al in diverse talen vertaald: in het Frans, het Braziliaans en nu dus in het Nederlands. En in het Bulgaars: Mendicutti lijkt iets bijzonders te hebben met Bulgarije.

Bulgaren bevolken zijn eerste in het Nederlands verschenen roman in ieder geval in groten getale. Niet in de meest vleiende vorm. Mendicutti's Bulgaren zijn ofwel schandknapen of criminelen, en vaak beide tegelijk. Hij lijkt het ze niet kwalijk te nemen. Eindelijk verlost van hun knellende regime komen ze bij massa's naar het Westen, waar ze zich door welgestelde heren laten onderhouden en zich ook anderszins de kneepjes eigen maken van het roofzuchtig kapitalisme. Het zijn eigenlijk geen kwade lieden, eerder grote kinderen die een beetje verloren zijn gelopen. En ze zijn, ondanks de protserigheid die hen nog altijd tot proleten stempelt, verblindend mooi. Dat vindt althans Daniel Vergara, vanuit wiens perspectief het boek geschreven is.

Vergara is welgesteld en van goede familie. En hij is een homo, die de Puerta del Sol, Madrids centrale plein, afschuimt naar beschermelingen van buitenlandse herkomst want die schijnen zich daar inmiddels even talrijk op te houden als van oudsher de Spaanse provincialen al deden. Vergara wordt verliefd op Kyril, een blonde godheid met een hang naar gouden kettingen en dure auto's. Vergara is er goed voor, zelfs als Kyril zijn verloofde Kalina naar Madrid laat overkomen en de betalende gastheer alle zeilen moet bijzetten om zijn liefdesillusie overeind te houden.

Mendicutti beschrijft Vergara's geschipper met zijn eigen liefde op een buitengewoon subtiele manier. Vooral de picareske kanten van Kyrils karakter houden het verhaal licht en zelfbeklag staat Vergara zich niet toe. Maar naarmate het verhaal vordert en het eind van zijn relatie onontkoombaar wordt, worden zijn toegevingen steeds pijnlijker en aangrijpender, zonder in het pathetische te vervallen. Zelfspot en ironie zijn er steeds net genoeg om ontsporing te voorkomen, maar de waardig gedragen wanhoop van Vergara levert aan het eind van het boek een paar aangrijpende bladzijden op, waar Mendicutti zich een waar evenwichtskunstenaar toont. Ze maken nieuwsgierig naar die andere vijf romans.