Ontsnappen aan de donkere zak

J.M.G. Le Clézio: Poisson d'or. Gallimard, 252 blz. ƒ 49,20

In het voorwoord bij zijn eerste roman, Le Procès-verbal uit 1963, schreef J.M.G. Le Clézio dat schrijven voor hem neerkwam op het vermogen 'om wat dan ook aan wie dan ook te doen geloven'. Hij streefde ernaar 'de muur van onverschilligheid bij het grote publiek te doorbreken'. In de tweeëndertig boeken die Le Clézio sindsdien heeft geschreven, bleef hij steeds een beroep doen op het gevoel van de lezer. Die moest sympathie voelen voor de naïeve openheid waarmee veel van zijn personages in de wereld staan.

Deze invalshoek is ook in zijn laatste boek Poisson d'or onveranderd gebleven. Wat wel veranderd lijkt te zijn is zijn afkeer van vérisme, van een waarheidsgetrouwe verbeelding van de werkelijkheid. Het decor van zijn vorige boek La quarantaine werd nog gevormd door een rotsachtig eilandje bij Mauritius, waar de schrijver een onwaarschijnlijk grote gevarieerdheid aan nationaliteiten en karakters bij elkaar bracht. De hoofdpersoon uit Poisson d'or daarentegen zou je zo op een Parijse straathoek kunnen tegenkomen en haar levensverhaal is wel bijzonder, maar zeker niet volledig uit de lucht gegrepen.

Le Clézio's recente roman wijkt in nog een ander opzicht af van het stramien uit zijn vorige boeken. Waren het in het verleden nog ondernemende Europeanen die, om de een of andere reden, de wereld introkken, in Poisson d'or is het een jonge Afrikaanse die haar werelddeel achter zich laat om naar Europa en later naar de VS te vertrekken. Op haar zesde jaar werd de hoofdpersoon, Laïla, weggeroofd uit haar stam, de Hilal, die ergens in de Marokkaanse woestijn rondtrok: 'Ik herinner me het niet meer zo goed, ik was te jong en alles wat ik sindsdien beleefd heb heeft die herinnering uitgewist. Er was die witte straat, de blauwe lucht, de schreeuw van een zwarte vogel en mannenhanden die me in een zak gooiden. Ik stikte.' Ze werd verkocht aan een oude joodse vrouw, die haar huishoudelijke hulpje Spaans, Frans en rekenen leerde. Na de dood van deze vrouw, die Laïla als haar grootmoeder beschouwde, vluchtte zij de straat op en belandde voor het eerst buiten de vier muren van het huis.

Het is het begin van Laïla's zwerftocht over de wereld, een tocht die voortdurend in het teken staat van ontsnapping en bevrijding. Zoals het Indiaanse motto aan het begin van het boek aangeeft, zijn er velen die het gouden visje in hun netten willen verstrikken. De één wil haar vriendschap, de volgende haar huwelijkstrouw, de derde haar lichaam, haar dienstbaarheid of haar politieke solidariteit. Maar Laïla laat zich niet nog een keer in een donkere zak stoppen en blijft haar vrijheid bevechten.

In de vijftien jaar van haar zwerftocht wordt Laïla van een onbeschreven blad tot een doorgewinterde, ervaren vrouw, voor wie de wereld geen geheimen meer heeft. Met veel liefde beschrijft Le Clézio de vrolijke, jonge Laïla, het lievelingetje van de 'prinsessen' uit het Marokkaanse bordeel, die alles steelt wat los en vast zit. Naarmate zij ouder wordt, wordt de toon van het boek melancholieker en minder licht, alsof ook de verteller terneergeslagen raakt door het verlies van illusies en van jeugdige onschuld.

Poisson d'or is behalve een mooie initiatieroman en een af en toe ontroerend relaas van Laïla's zoektocht naar haar identiteit, ook een roman waarin misstanden in de wereld aan de kaak worden gesteld. Le Clézio kiest de kant van de verdrukten in de maatschappij, van diegenen die niets bezitten, geen papieren hebben, geen huis en geen werk, wat de roman tot de meest politieke maakt die de auteur tot nu toe schreef. Laïla belandt in Afrikaanse muziekbands die de Parijse metro bevolken, in bedompte ondergrondse garages, waar een moord wordt gepleegd voor een matras en waar kinderen worden geboren die voor hun vierde nooit het daglicht zullen zien. Haar vrienden lezen in Les damnés de la terre van Frantz Fanon over de verwerpelijke tweedeling tussen arm en rijk. Ze bewonderen het werk van Nietzsche of de poëzie van Aimé Césaire, maar ze lezen zeker geen romans 'want die behelzen niets, geen waarheid, geen leugen, alleen maar wind.' Even meedogenloos is Le Clézio in zijn beschrijving van de onverschillige en egoïstische Amerikaanse samenleving, waar Laïla enerzijds de donkerste dagen uit haar leven kent, maar waar anderzijds ook iemand haar muzikale talent ontdekt, wat haar redding wordt.

Pas wanneer Laïla besluit haar geboorteland op te zoeken, en terugkeert naar de Afrikaanse woestijn waaruit zij ooit werd ontvoerd, hervindt zij haar levensvreugde. Het eindpunt van haar reis is het begin van een nieuw leven. Want 'nu ben ik vrij, nu kan alles beginnen.'