Ondernemers koesteren publiek WAO-stelsel

De WAO zou zich aan de wetten van de markt moeten onderwerpen, zo stond het in het regeerakkoord van 1994. Tot afgelopen woensdag konden bedrijven met hun WAO-risico naar de markt gaan, maar ze bleven bijna allemaal in het veilige publieke stelsel.

DEN HAAG, 3 OKT. Een kabinetscrisis, een premier die zijn land provocerend ziek verklaart, de grootste werknemersdemonstratie ooit in Nederland, historische verkiezingsnederlagen voor PvdA en CDA, allemaal omwille van de arbeidsongeschiktheidsregeling WAO. Een regeling die steeds meer trekjes was gaan vertonen van een vervroegd pensioen voor overbodige, maar kerngezonde werknemers. Werkgevers moesten verantwoordelijk worden gemaakt voor de werknemers die ze als arbeidsongeschikt uit hun bedrijf loodsten. Hoe? Door premiedifferentiatie en marktwerking.

Deze twee begrippen staan centraal in het regeerakkoord uit 1994 van het kabinet-Kok. De premiedifferentiatie wil zeggen dat de WAO-premie (die niet langer door de werknemer, maar door de werkgever moet worden betaald) varieert, afhankelijk van het aantal arbeidsongeschikten dat een werkgever uitstoot. De marktwerking moest diezelfde werkgever de mogelijkheid geven om dit arbeidsongeschiktheidsrisico te verzekeren bij een commerciële verzekeraar. Niets verzekeren, maar zelf de WAO-uitkering betalen als een werknemer invalide wordt, mag ook.

Tot zover de maatregelen op papier. Nu de praktijk. Voor 1 oktober, afgelopen woensdag, hadden bedrijven de tijd om zich aan de marktwerking te onderwerpen, door zich af te melden bij een van de vijf uitvoeringsorganisaties waar ze tot 1 januari 1998 wettelijk aan vast geklonken zitten, GAK, Cadans, SFB, GUO of USZO.

De WAO-revolutie zou in 1998 al 750 miljoen gulden opleveren, begrootte premier Kok bij het aantreden van zijn kabinet. Het zal moeilijk worden volgend jaar die besparing te bewerkstelligen, want 0,0006 procent van de 335.500 werkgevers die bij de vijf 'uvi's' aangesloten zijn, hebben een aanvraag ingediend om zich tot commerciële verzekeraars te mogen wenden. Vermoedelijk niet het aantal dat leden van het kabinet en parlement in het achterhoofd hebben gehad tijdens de talloze debatten die tussen 1994 en eind vorig jaar over de moderne WAO zijn gevoerd.

Voor de mensen en organisaties 'in het veld' is de bescheiden belangstelling voor de marktwerking geen verrassing. De Nederlandse verzekeraars hebben er steeds op gewezen dat de manier waarop staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken) meent het begrip marktwerking in te moeten vullen, tegengesteld is aan hùn perceptie van de markt. GAK, Cadans, SFB, GUO en USZO kunnen premietarieven berekenen die voor commerciële verzekeraars te laag zijn om van een verantwoorde bedrijfsvoering te spreken.

Verzekeraar Aegon raadt bedrijven zelfs aan om maar in het publieke bestel te blijven, omdat uitstappen financieel zeer onaantrekkelijk is. Wie in het publieke bestel blijft, betaalt een WAO-premie die uit twee delen bestaat: een door de overheid vastgestelde basispremie (vastgesteld op 7,6 procent) en een gedifferentieerde premie (minimaal 0,09 en maximaal 1,12 procent) die afhangt van het aantal arbeidsongeschikten dat een bedrijf uitstoot. Wie uit het publieke systeem stapt, blijft echter aan zijn huidige 'uvi' de basispremie betalen. Een commerciële verzekeraar kan derhalve alleen voor het veel kleinere variabele premiedeel worden ingeschakeld.

Maar om daarvoor uit het publieke bestel te stappen is volgens Aegon en andere verzekeraars, zoals Nationale Nederlanden, helemaal niet nodig. Zij bieden zogenoemde 'premiedempings-producten' aan waarmee het risico van een plotselinge premieverhoging wordt verzekerd. Een werkgever die zijn variabele premie plots verhoogd ziet worden, kan verzekeringspenningen claimen om de verhoging te betalen. Dit risico is met name in het midden- en kleinbedrijf relevant, want bij een klein personeelsbestand is één arbeidsongeschikte al genoeg om gestraft te worden met de maximale premie van 0,84 procent bovenop de 7,6 prcent basispremie. MKB Nederland, de grootste belangenorganisatie voor het midden- en kleinbedrijf gaat dan ook een eigen verzekeraar oprichten (Assuron) die een 'premiedempings-verzekering' zal aanbieden.

Het GAK heeft naar al zijn aangesloten werkgevers een floppy opgestuurd, zodat ze zelf uit konden rekenen of het zin heeft de markt te betreden. Slechts veertig van de 180.000 zagen hun kosten/baten analyse in de richting van de commerciële verzekeraars uitslaan. Vanzelfsprekend schaarde een financiële gigant als ING (30.000 werknemers in Nederland) zich bij die veertig. Het verzekeringsdeel van ING, Nationale Nederlanden, wil immers producten aanbieden om het WAO-risico te verzekeren en dan zou het raar zijn als het niet het eigen product gebruikt.

Gezien de verhouding tussen de basispremie en de variabele premie, die tot niet meer dan 15 procent van de basispremie kan oplopen, ligt het voor de hand dat het alleen voor (hele) grote bedrijven interessant is om het publieke stelsel de rug toe te keren en samen met hun huis-verzekeraar over 'maatpakoplossingen' te onderhandelen. Maar multinationals die niet op de financiële markt opereren, blijken evenmin in de marktwerking geïnteresseerd. Koninklijke PTT Nederland, na de overheid de grootste werkgever van het land met 145.000 werknemers, laat alles bij het oude en blijft bij het GAK. Een woordvoerder van Shell laat weten: “Wij doen gewoon niets.” En zijn collega van Philips zegt: “Wij laten alles bij het oude.”

Of alle 205 merendeels kleine werkgevers die in tegenstelling tot Shell, KNP en Philips wel de stap richting markt overwegen die stap ook daadwerkelijk zetten, is nog helemaal de vraag. Ze hebben weliswaar een aanvraag ingediend om 'eigen-risicodrager' te worden, maar of ze dat ook worden hangt af van hun financiële positie. Die moet toestaan dat het bedrijf àlle werknemers op hetzelfde moment een WAO-uitkering kan betalen. Als bewijs daarvoor dienen bedrijven een bankgarantie te overleggen, zonder welke het commerciële avontuur eindigt voordat het begonnen is. De uitvoeringsinstellingen verwachten dat dit ertoe leidt dat slechts een fractie van de werkgevers die de aanvraag indienden, zich werkelijk tot de markt wenden. Een fractie van een fractie, ziedaar het resultaat van marktwerking in de WAO.