'Officiële cijfer rookslachtoffers is veel te laag'

De omvang van de milieuramp in Indonesië is veel groter dan de regering wil toegeven. De plaatselijke milieubeweging telt veel meer rookslachtoffers en geblakerde hectares.

JAKARTA, 3 OKT. In het kantoor van de Indonesische milieubeschermingsorganisatie Walhi is een hoek ingericht waar de muren vol hangen met schema's en foto's van bosbranden. “Dit is onze centrale posko (commandopost)”, zegt Maya Sarah, een van de projectmedewerkers van Walhi. Vanuit dit zenuwcentrum brengt de milieuorganisatie de gegevens bijeen die worden verzameld door de negen posko's in Sumatra en Kalimantan.

Een met stift bijgehouden muurschema maakt melding van medicijnen en neus- en mondkapjes, die verspreid worden onder de bevolking van gebieden die nu al maanden te kampen hebben met rookoverlast ten gevolge van de tienduizenden branden op de eilanden. Volgens de regering zijn inmiddels vier personen overleden aan de gevolgen van de luchtverontreiniging. Maya Sarah wijst dat aantal van de hand. “Wij winnen informatie in bij ziekenhuizen en puskesmas (wijkgezondheidscentra) en volgens onze gegevens zijn er sinds het begin van de branden ten minste 24 personen overleden aan ziektes die samenhangen met de rook. Zo'n 39.000 mensen kampen op dit moment met ademhalingsmoeilijkheden. Andere slachtoffers zijn niet eens meegeteld, zoals de vrouw die gisteren overleed nadat een brandende boom bovenop haar viel.”

Walhi is, zoals alle milieubewegingen, kritisch, maar zeker geen marginaal clubje. Tussen deze niet-gouvernementele organisatie en het ministerie van Milieu bestaan al jaren innige contacten. Dat neemt niet weg dat Maya Sarah ook de getallen die dit ministerie hanteert over de omvang van het gebied dat inmiddels is zwartgeblakerd door de vele branden, naar het rijk der fabelen verwijst. Terwijl overheidsfunctionarissen steeds zeggen dat het gaat om 300.000 hectare, vindt Walhi dat een miljoen hectare verbrande oppervlakte dichter bij de waarheid ligt. Het gaat hierbij grotendeels om grasland, kreupelhout en zogenoemd 'secundair bos', regenwoud dat is opgeschoten na houtkap en waarin geen woudreuzen meer staan. Overigens ligt Walhi's schatting van de totale oppervlakte aan maagdelijk oerwoud dat inmiddels in vlammen is opgegaan ook een stuk hoger dan die van de autoriteiten. Een ambtenaar van het departement van Bosbouw verklaarde onlangs dat het gaat om 60.000 hectare regenwoud, volgens de gegevens van Walhi is er ongeveer 100.000 hectare primair bos door brand verwoest.

Behalve over de totale omvang en de gevolgen van de branden is ook een discussie gaande over de vraag wie de 'schuldigen' zijn. Het gaat meer precies om de vraag wie nu eigenlijk het grootste aandeel leveren, de nomadische boeren die al sinds mensenheugenis jaarlijks nieuw akkerland met behulp van vuur ontginnen, of de grote houtkap- en plantage-ondernemingen die hetzelfde doen maar dan op grote schaal. Dit jaar heeft de regering bij monde van de ministers van Milieu en Bosbouw voor het eerst ook met de beschuldigende vinger gewezen naar de houtindustrie en plantage-ondernemingen. Maar liefst 173 van deze bedrijven hebben ruim twee weken terug van de minister van Milieu, Sarwono Kusumaatmadja, veertien dagen de tijd gekregen om hun onschuld aan te tonen. De toplieden van de allergrootste conglomeraten hebben, waarschijnlijk als reactie op dat ultimatum, deze week die beschuldigingen van de hand gewezen.

Walhi deelt het standpunt van de minister van Milieu: “De kleine akkerbouwers zijn slechts verantwoordelijk voor één procent van het totale verbrande areaal,” zegt Maya Sarah. “Zo'n gezin verbrandt jaarlijks gemiddeld slechts een hectare. De grote bedrijven die het bosland hebben opgedeeld in concessies zijn volgens onze gegevens verantwoordelijk voor het merendeel van de branden. Plantage-ondernemingen en houtkapbedrijven branden enorme oppervlakten af voor de aanplant van oliepalmen of bomen geschikt voor industrieel hout.”

Volgens Walhi is ook nauwkeurig bekend om welke bedrijven het gaat. Daarbij wijst de organisatie in eerste instantie op de vier grootste zakenconglomeraten van Indonesië die in handen zijn van de ethnisch-Chinese ondernemers Prayogo Pangestu, 'Bob' Hasan, Sudono Salim en Eka Cipta. “Dat zijn mannen die stuk voor stuk zeer stevige connecties hebben met de president zelf”, zegt Maya Sarah. Dat verklaart volgens haar ook voor een belangrijk deel het uitblijven van daadkrachtig optreden van de regering tegen de almaar voortdurende branden. “Topfiguren in de regering hebben persoonlijk grote zakelijke belangen in de houtkapbedrijven en plantage-ondernemingen. Of zij hebben geld geaccepteerd van die bedrijven. Om die reden kan of wil de overheid nauwelijks optreden tegen deze praktijken.”

Walhi gelooft niet dat er op korte termijn een einde komt aan de branden. Dit pessimisme wordt gedeeld door het Wereldnatuurfonds (WWF) dat gisteren bekend maakte dat de branden, ondanks alle aangekondigde maatregelen van de Indonesische regering, in volle hevigheid doorgaan. Het fonds, dat vorige week het totale door brand getroffen gebied schatte op ongeveer 600.000 hectare, heeft die schatting inmiddels bijgesteld naar 750.000 hectare. Maya Sarah: “De bedrijven gaan gewoon door, want de overheid staat machteloos.”

'De bedrijven gaan door, de overheid staat machteloos.'