Moraliserende ruïnes in arcadische landschappen

Tentoonstelling: Vervallen verleden; de ruïne in de Nederlandse teken- en schilderkunst. T/m 2-11 in Commanderie van Sint-Jan, Nijmegen. Begin november verschijnt Het boek Ruïnes in Nederland bij Uitgeverij Waanders, ca. 256 blz., ƒ 59,50.

Nederland telt zo'n tachtig officieel geregistreerde ruïnes: overblijfselen van kerken, kastelen en andere monumentale gebouwen die ergens in de loop van hun bestaan de strijd tegen het verval verloren hebben, en die daarna zijn ontkomen aan de bijna spreekwoordelijke Hollandse properheid die ertoe leidt dat ook de resten worden opgeruimd of juist dat er een reconstructie van het oorspronkelijke gebouw wordt opgetrokken. Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg verschijnt binnenkort een inventarisatie van deze ruïnes.

De tentoonstelling Vervallen verleden; de ruïne in de Nederlandse teken- en schilderkunst in de Nijmeegse Commanderie van Sint-Jan, sluit daar gedeeltelijk bij aan. Het grootste deel van de expositie bestaat uit 17de- en 18de-eeuwse topografische tekeningen met vrij exacte weergaven van Nederlandse ruïnes. Uit de serie tekeningen die Roelant Roghman in de jaren 1646-1647 maakte van ruim 140 kastelen en kasteelruïnes, zijn bijvoorbeeld zeven exemplaren geëxposeerd.

Roghman moet nog in de 18de eeuw zijn beschouwd als een echte ruïne-specialist. Dat blijkt uit een grote tekening van Jan Stolker in de tentoonstelling: een portret van Roghman tegen de achtergrond van de ruïne van de abdij van Egmond. De kunstenaar is voorgesteld met in zijn hand een tekening van hetzelfde complex.

Was een serie als die van Roghman in diens tijd nog uitzonderlijk, in de 18de eeuw specialiseerden verschillende kunstenaars, zoals Cornelis Pronk en Jan de Beijer, zich in het topografisch genre. Zij reisden het land door om markante monumenten te tekenen. Soms gebeurde dat in opdracht van prentenuitgevers die de tekeningen gebruikten voor boeken als Isaac Tirions Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden (1739). De series die deze kunstenaars en hun vele navolgers maakten, beperkten zich niet tot tekeningen van intacte gebouwen. Ook ruïnes werden de moeite waard geacht om af te beelden.

Maar hoezeer de nadruk ook ligt op topografische voorstellingen, toch is de tentoonstelling niet bedoeld als louter een visuele documentatie van Nederlandse ruïnes. De expositie beoogt vooral iets te laten zien van de verbeelding van de ruïne in de Nederlandse kunst. En daarbij hoeft het niet altijd te gaan om natuurgetrouwe uitbeeldingen van Nederlandse ruïnes.

Zo zijn er, naast de afbeeldingen van overwoekerde ruïnes die door hun ouderdom ontzag inboezemen, ook voorstellingen van nog verse bouwvallen, die minstens zoveel indruk moeten hebben gemaakt. Een schilderij van Jan van Kessel uit 1675 toont de puinhopen van de Dom van Utrecht kort nadat een windhoos een groot deel van het middenschip had verwoest en de toren definitief van het koor scheidde.

Maar de mooiste voorbeelden van ruïnevoorstellingen in de Nederlandse kunst zijn toch ontsproten aan de kunstenaarsfantasie. Werken van 17de-eeuwse schilders als Nicolaes Berchem en Bartholomeus Breenbergh, tonen dromerige landschappen met architectonische motieven, gebaseerd op de eeuwenoude Romeinse ruïnes die de schilders in Italië hadden leren kennen. In zulke voorstellingen krijgen vervallen gebouwen vaak het karakter van een vanitas-symbool. In een soortgelijke moraliserende betekenis zijn ruïnes ook vaak gebruikt in religieuze voorstellingen. Maar in de tentoonstelling zijn daar slechts twee voorbeelden van te zien - en dat is bar weinig als je bedenkt dat alleen al van de bijbelse episode van de geboorte van Christus ontelbare uitbeeldingen bestaan waarin een ruïneuze omgeving staat voor de overblijfselen van het Oude Verbond waaraan door Christus' geboorte een einde is gemaakt.

In schilderijen en tekeningen uit de 19de eeuw voert een ogenschijnlijk minder beladen, romantische visie op ruïnes de boventoon. Een van de blikvangers van de tentoonstelling is een mooi schilderij van Frederik Marinus Kruseman uit 1858: een lieflijk, arcadisch landschap met koeien, herders en een riviertje. Het landschap wordt beheerst door een begroeide bouwval, duidelijk geïnspireerd op de overblijfselen van de Sint-Maartenskapel van de Valkhofburcht in Nijmegen. Om duidelijk te maken dat de kunst zich van de conserverende bedoelingen van de jubilerende Rijksdienst voor de Monumentenzorg nooit veel heeft aangetrokken, heeft dit werk als titel gekregen: 'Fantasielandschap met een ruïne van de ruïne van de Sint-Maartenskapel in het Valkhofpark'.