Loeien door een stoelpoot; Mime-festival in Tilburg

Mime is het België der podiumkunsten, omgeven door buren aan wie cultuurimperialisme niet vreemd is. Maar mime is meer dan een derde weg naar iets dat geen toneel is en ook geen dans: het bewijst dat het alledaagse niet bestaat. Op het festival 'Moving Mime' dat vandaag begint zullen bekende mimespelers optreden, en ook performers, choreografen en regisseurs zijn uitgenodigd.

'Moving mime' heet het bewegingstheaterfestival dat vanaf vandaag in Tilburg plaatsvindt. Hoezo moving? Mime is toch van zichzelf al een bewegingsvak? of houdt zich in dat woordje een emotionele ambitie schuil en wil dit festival ons laten zien dat mime ook moving - ontroerend - kan zijn? Meestal wijzen zulke schijnbaar overbodige toevoegingen op angst: alleen amateurs noemen hun voorstellingen nadrukkelijk 'professioneel' en alleen op de etalageruit van zeer vervallen bakkerswinkels kun je de slagzin 'elke dag vers brood' tegenkomen.

Er werd al gesproken van pure mime, over abstracte mime, over moderne, fysieke, comedy- of reality-mime en nu dus ook al over mime die beweegt. Op een najaarsmiddag, in een klein lokaaltje van een oud Utrechts schoolgebouw, kijk ik naar twee mannen. Ze zitten zwijgend op hun knieën, schuin tegenover elkaar. Ze dragen een stevige, geruite Schotse rok. Stilstand: er gebeurt niet veel meer dan een vluchtige blikwisseling en het onwillekeurig bewegen van een rugspier. Dan staat een van de twee toch op - met moeite, alsof hij de mogelijkheid om zoiets met je lichaam te doen zojuist ontdekt heeft en voor het eerst beproeft. Met hem, die nu aarzelend loopt, verkennen de toeschouwers de ruimte: het fonteintje in de hoek, de ramen met hun uitzicht op het schrale stadslandschap. Er klinkt muziek, flarden van een fanfarekorps, en met diezelfde trillende aarzeling waarmee ze zijn opgestaan en hebben gekeken en gelopen wagen de twee nu een korte aanraking en een paar danspasjes die al vervluchtigen nog voor ze goed en wel zijn uitgevoerd. Met erotiek heeft het weinig te maken, eerder lijkt het te gaan om een voorzichtig uitproberen van nieuwe zintuigen. Tegen een muur van het lokaaltje staan twee verchroomde buizen - overblijfsels van een stoel of bank. Terwijl uit het cassetterecordertje Jacques Brel hartstochtelijk zingt over 'Mijn vlakke land' pakken de twee spelers ieder zo'n gebogen stoelpoot. Met de functie of de schoonheid houden ze zich niet bezig, ze komen erachter dat een mens behalve over het vermogen tot kijken en bewegen ook over een stem beschikt - en ze gebruiken de buis als een versterking van het geluid dat ze voortbrengen. En zo, met een dubbele toon van droevig misthoorn-geloei, eindigt dit stuk van nog geen twintig minuten, dat Bambi 2 heet en dat wordt uitgevoerd door Jochen Stavenuiter en Paul van der Laan, twee nog maar pas afgestudeerde mimespelers die, met een andere productie, ook deelnemen aan het Moving Mime Festival.

Wat zij hebben laten zien houd ik voor een essentieel element van mime: het omgaan met de ruimte alsof die iets volkomen nieuws en onbekends is, schijnbaar argeloos bewegend. Alleen dankzij de lichaamsbeheersing en de hoge mate van concentratie van de spelers kan het er zo onbedoeld uitzien. En daarbij hun omgang met de stem en die povere voorwerpen: verschijnselen die nog op zoek zijn naar hun functie. Kijk ernaar en je beseft opeens weer dat het alledaagse niet bestaat: alles is altijd anders.

Suver Nuver

Je zou de mime het België of het Canada van de podiumkunsten kunnen noemen. Omgeven door buren aan wie cultuurimperialisme niet vreemd is, verstoken van een eigen taal. Maar de organisatoren van het festival in Tilburg hebben duidelijk geen zin in een defensieve houding. Ze onttrekken zich aan een krampachtige bewaking van de grenzen tussen mime en dans, mime en toneel of mime en performance-kunst. Mime kan meer zijn, schrijven ze, dan een derde weg die leidt naar iets dat geen toneel is maar ook geen dans.

Mime is een begrip dat ook staat voor een mentaliteit - vandaar dat 'Moving Mime' de komende week niet alleen optredens laat zien van min of meer bekende mimekunstenaars als Jan Langedijk en het gezelschap Suver Nuver, maar dat er performers, choreografen en regisseur zijn uitgenodigd die zich blijkbaar thuisvoelen in dit wereldje van individualisten: Barbara Duijfjes, Jan Fabre, Michael Laub en Hans Tuerlings.

In 1968 zag Jan Kassies, een man van denken en daden op het terrein van de kunsten in Nederland, één van zijn dromen verwerkelijkt: in Amsterdam kwam de Theaterschool tot stand, een bundeling van podium-kunstopleidingen die tot dan toe los van elkaar hadden bestaan. Die school moest een plek worden waar podiumkunstenaars elkaars invloed zouden ondergaan en zo tot meer zouden worden opgeleid dan beoefenaren van één specialisme. Naast de toneel- en de dansscholen kwam er als onderdeel van deze nieuwe organisatie ook een mime-opleiding. Nog altijd is deze vierjarige opleiding de enige van zijn soort in de wereld. Hoe het met dat Theaterschool-ideaal verder is afgelopen is een ander verhaal - maar het is wel van belang om te benadrukken hoe goed de mime toen binnen zo'n 'grensoverschrijdende' opzet paste. De mime was bij uitstek 'modern'. De mime ging de straat al op toen de rest van te podiumkunsten zich nog behaaglijk tussen het pluche en de bordkartonnen decors verschanste. De mime zocht het contact met de nieuwe muziek en de eigentijdse beeldende kunst. Mime - dat was echte, autonome en hoofdletterloze 1968-kunst. In de jaren van verandering die volgden is de mime zichzelf voortdurend blijven herdefiniëren. Het ging om een kunst die op ruimte en beweging gebaseerd was, zoveel bleef zeker, maar daarnaast kon alles. En zo is het nu nog: de gedramatiseerde gebouwverkenningen van Bewth of het volkstheater van de Gebroeders Flint, de stampvoetende geslachtsdrift van Karina Holla of het in Oosterse lappen gewikkelde dandyisme van Luc Boyer - het lag en ligt allemaal ver uit elkaar maar het rekent zich allemaal tot lid van dezelfde familie.

Voorgangers

Maar het werk der veteranen blijkt slechts in beperkte mate een traditie te waarborgen. Nieuwe lichtingen mimespelers ondergaan met gepaste gretigheid de invloed van hun door het leven getekende voorgangers, maar kiezen vervolgens steeds weer voor iets dat door die ouderen maar matig gewaardeerd wordt. Na een schijnbaar bewegingssmonopolie ging in de jaren '70 en '80 de tekst domineren; na experimenten in anarchie werd de mime opnieuw verstilde bewegingskunst. Heterodoxie is het enige onveranderlijke kenmerk van de mime in Nederland.

De Franse theatervernieuwer Etienne Decroux geldt nog altijd als de oude peetoom van die Nederlandse mime. Decroux begon zijn werk in de jaren '20 met een radicale reductie: het traditionele theater dat de gevangene geworden was van zijn eigen conventies, was toe aan een periode van reiniging. In plaats van de hele machinerie van tekst en scenografie die gewoonlijk een theatervoorstelling bepaalt, zou er in eerste instantie niets anders op het toneel te zien zijn dan de naakte, woordeloze acteur. Pas als zo het lichaam herontdekt zou zijn, konden er langzaam elementen worden toegevoegd: eerst de kreet, vervolgens het eigen woord van de spelers en dan pas, decennia later, de traditionele, geschreven tekst.

Om het lichaam, dat de kiemcel van dit nieuwe theater moest worden, toe te rusten voor die taak, ontwikkelde Decroux een trainingsmethode die nog steeds bekend staat als de mime corporel. Bewustzijn van gewicht en tegenwicht, articulatie van het lichaam in zijn onderdelen en 'dynamoritme' - het verloop van een beweging in de tijd - het werden begrippen voor de acteurs die zich in Decroux' Parijse school lieten opleiden. Een aantal van hen kwam uit Nederland; zij en hun eerste leerlingen hebben de vorm bepaald die de mime in Nederland zou krijgen: Jan Bronk, Will Spoor, Frits Vogels en Luc Boyer. Hoe radicaal de verschijningsvormen ook uiteen zouden gaan lopen, dankzij hen is die sobere, fysieke en analytische basis nooit verloren gegaan. Wie wil zien hoe theater eruit ziet dat dicht bij deze bron is gebleven, kan op het festival in Tilburg terecht. Een bijzonder moment in de ononderbroken Nederlandse geschiedenis zal zich aanstaande dinsdag voordoen, wanneer van Will Spoor, zo'n jaar of veertig na zijn eerste mime-ervaring in parijs, een nieuwe solo in première gaat.

Ongemakkelijk uurtje

Een andere ruimte en een andere dag, toevallig ook in Utrecht. In de expositiezaal van een kunstgenootschap wordt het publiek ontvangen door Magne van den Berg en Maartje Vos de Wael. Het zal een ongemakkelijk uurtje worden: een tranche de vie van een bestaan dat voor de toeschouwer nauwelijks te doorgronden is - maar ook de twee vrouwen die dit leven leiden lijken er zelf een niet al te stevige greep op te hebben. Eenvoudig wereldbeeld is de naam van dit kleine spektakel, waarin dozen met rommel worden ingepakt, eten en drinken wordt uitgedeeld aan het publiek, een stukje muur gewit, orde nagestreefd maar nooit bereikt - en waarin vooral veel wordt gepraat. Het eenvoudige wereldbeeld van Van den Berg en Vos de Wael kenmerkt met blijmoedige uitzichtloosheid een systeem waar orde niets anders is dan herschikking van de wanorde.

De jonge mime-theatermaakster Christine van Stralen loopt, in haar solo Vrouw alleen rond als een dier dat zijn kooi zoekt. Haar met onrust geladen lange blonde lichaam schiet heen en weer, alsof zij en de ruimte om haar heen elkaar niet verdragen. Zo ongemakkelijk als het lichaam eruit ziet, zo onopgepoetst komt de taal uit haar mond. Don Duyns, de schrijver en regisseur van Vrouw alleen, weet precies waar hij deze speelster kan laten excelleren: ze is een mimespeelster en geen actrice en voor haar zullen woorden nooit het primaire uitdrukkingsmiddel kunnen zijn. Maar ook wie in eerste instantie tot bewegen geneigd is kan niet zonder taal, al is het een taal van halve zinnen en losse woorden. 'Alles in de war', laat Duyns Van Stralen zeggen, 'zoeken/doorzoeken/graven/als een mol met lamme poten/zoek ik/vind ik/til ik stenen op/wroet ik in de aarde/vuil achter mijn nagels/geschaafde handen/zoek ik/graaf ik (...)'

Mimespelers ontlenen hun kracht niet aan zekerheid. Invloed hebben en invloed ondergaan is altijd een kenmerk geweest. Voor veel mensen maakt dat de mime tot iets wazigs. Dat is soms lastig, maar geen ramp. De mime fungeert immers ook als een soort vijfde colonne in het theater: een anarchistische brigade die de zekerheden ondermijnt van al die mensen die denken te weten hoe het moet. Te bewijzen valt het niet, maar ik ben ervan overtuigd dat mede door de mime het Nederlandse theater zo'n eigen kwaliteit heeft. Dat 'kleine' Nederlandse theater, waar de speler ook maker is, waar hierarchie van regisseurs of auteur niet vanzelf spreekt, waar het lichaam de gelijkwaardige partner is van het woord, waar de wil tot vertellen van een groter belang is dan de afronding van een verhaal - het zijn en waren stuk voor stuk allang kwaliteiten van de mime.