Historische jeugdromans; Tijdmachines met gebreken

Auteurs van historische romans voor de jeugd hebben hun favoriete tijdperken. De middeleeuwen met zijn ridders en jonkvrouwen, de Gouden Eeuw vol zeeschuimers blijken onuitputtelijke inspiratiebronnen te zijn. Ook de Tweede Wereldoorlog is het decor van vele jeugdromans. Maar vergeefs zoekt men naar verhalen uit de tijd van de Verlichting, over de Bataafse Tijd of over Napoleon. Dat is niet erg, maar vervelender is het wanneer de historische jeugdromans bezwijken onder de feitelijke informatie of de hoofdpersonen verworden tot wandelende anachronismen.

Boeken die een voorbije wereld beschrijven zijn nog meer dan alle andere tijdmachines. Niet alleen ontrukken ze ons aan de klok met zijn eenvoudige voortgang, ze maken het ook mogelijk om van binnen uit een andere tijd mee te maken. Iets aantrekkelijkers laat zich nauwelijks denken. In een vliegtuig stappen naar bijzondere bestemmingen steekt er schraal bij af: zittend op de bank reist wie wil zonder koffers te pakken af naar de middeleeuwen om al enkele uren later ietwat verdwaasd terug te keren, vervuld van schitterende beelden en verhalen, betoverd door de wonderlijke woorden die hun werk weer hebben gedaan.

Een goed idee dus van de CPNB om de kinderboekenweek het thema 'De tijdmachine - terug naar toen' mee te geven. Zeker voor kinderen, die maar moeten afwachten waar hun ouders naartoe gaan met vakantie en waarvan de meesten, anders dan Dolf Wega, de hoofdpersoon van Kruistocht in spijkerbroek geen geleerden kennen die een machine hebben staan waarmee ze je kunnen 'wegflitsen' naar een andere tijd, zijn historische romans een uitkomst. De bibliotheek wordt een reisbureau, de catalogus een aanlokkelijke brochure: kies uw bestemming!

Maar de teleurstelling begint meteen al daar. Want veel tijdperken blijken niet of nauwelijks in historische romans voor te komen. In haar boek Het kinderboek als opvoeder over de pedagogische doelen en middelen van historische romans voor kinderen, geeft Lea Dasberg een overzicht van de tijdperken die in dergelijke romans aan de orde komen. Er blijkt uit dat kinderen die niet naar de Gouden Eeuw willen om tegen de Spanjaarden te vechten, het rijke kunstleven mee te maken of op een VOC-schip naar 'de Oost' te varen, pech hebben, want alle kinderboekenschrijvers willen dat nu juist wel. Op de tweede plaats komen de volle en late middeleeuwen, met hun ridders, kruistochten en nog jonge steden. Voor de rest is het Schraalhans Keukenmeester. Elke ander periode komt maar mondjesmaat voor. Het is opmerkelijk om te zien hoe tussen 1940 en 1976 de achttiende eeuw uit de gratie is geraakt. Zonder er onderzoek naar gedaan te hebben zou ik durven volhouden dat dit tot op de dag van vandaag geldt; de Verlichting, de Franse revolutie, de Bataafse Republiek, Napoleon - je komt ze vrijwel nooit in een kinderboek tegen. Waar volwassenen al jaren een warme belangstelling hebben voor de eigenzinnige, geestige, achttiende-eeuwse Belle van Zuylen bij voorbeeld, moeten kinderen wel denken dat er na 1660 niets bijzonders meer is gebeurd.

Vestdijk

Behalve die twee verre verledens is ook het meer nabije verleden van de Tweede Wereldoorlog een veel gekozen onderwerp voor kinderboeken. Daar doet zich meteen een interessant verschil voor tussen historische romans: sommige schrijvers kennen die periode voornamelijk uit historische bronnen, andere (de meeste) hebben over de oorlog geschreven op grond van hun eigen herinneringen. Dat levert een heel ander type boek op dan dat over een verleden dat uit documentatie moet worden opgebouwd. Wie wil weten hoe het met historische romans voor kinderen zit, stuit hier op een probleem: is Het eiland in de Vogelstraat van Uri Orlev, de schitterende roman over een joodse jongen die alleen in het Warschause getto blijft nadat iedereen is weggevoerd, een historische roman? Voor de lezers voor wie het boek bedoeld is zeker wel. Voor de schrijver, in de jaren dertig in Warschau geboren, niet. Die kent de beschreven wereld uit eigen ervaring. Op die manier zou Schoolidyllen (1900) van Top Naeff over de naaikransjes, de pret en het verdriet van negentiende-eeuwse schoolmeisjes ook een historische roman zijn. Maar dat was hij niet voor Top Naeff. Elke contemporaine roman verandert op den duur in een historische roman. Dat neemt niet weg dat een roman die geschreven is als historische roman verschilt van een die in de eigen tijd speelt.

In zijn essay Over de historische roman preciseerde S. Vestdijk dat verschil als 'een totaal andere verhouding tussen wat beschreven is, en wat weggelaten is, omdat het bekend kon worden verondersteld'. Precies daar zit het grote gevaar van de historische roman. In de veronderstelling dat niets bekend is en dat alles aanspraak kan maken op beschrijving ontziet de schrijver zijn lezers niet: kleding, voedsel, interieurs, handelingen, alles komt uitvoerig aan de orde. Of, zoals Vestdijk ironisch schrijft, een schrijver van historische romans 'kan het als een plicht voelen zich descriptief zo weinig mogelijk beperkingen op te leggen'. Hij stelt zelfs voor om bij historische romans gewoon een apart boekje uit te geven met daarin alles wat men over de tijd, de kleding etc. weten moet, al geeft hij toe dat dat 'niet erg elegant' zou zijn. Het zou soms wel een verademing zijn.

Historische romans voor kinderen buigen dikwijls nog zwaarder door onder het gewicht van de documentatie dan die voor volwassenen. Kinderen zijn sowieso minder op de hoogte van de wereld en voor hen moet er dus altijd meer uitgelegd worden. Het is moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat het over het algemeen niet de meest begaafde schrijvers zijn die zich aan historische romans wagen. Zoals Ter Braak, die zeer afkerig was van het genre, terecht opmerkte: 'De meest uitvoerige documentatie is geen garantie voor beeldend vermogen'. Het lijkt er dikwijls op of de schrijvers zelf zich dat niet realiseren en werkelijk in de veronderstelling leven dat een keurige beschrijving ons als vanzelf een wereld voor ogen zal toveren. Hoe vaak je niet zinnen aantreft als 'De meisjes roerden zwijgend in de kookpotten. Anderen stapelden gedroogde en gerookte vis op en bonden die met strengen hennep bij elkaar tot bundels'. Of: 'Een paar mannen sneden met hun stikker de turven op maat en andere mannen staken ze aan de onderkant af en gooiden ze op de kruiwagens.' Zo deden ze dat, in het verleden. Alsof iemand in een 'gewone' roman zou beschrijven hoe iemand eten klaarmaakt, of hoe een tent wordt opgezet op de camping.

Zeereizen

Wat wil de historische roman voor kinderen eigenlijk? Lea Dasberg veronderstelt dat dergelijke boeken meer dan andere kinderen willen opvoeden, door ze te confronteren met andere zeden en gewoontes. Wie een historische roman schrijft laat zien dat het in andere tijden heel anders toeging dan in de onze, wat als vanzelf ook een bepaalde visie op onze tijd oplevert. Daar kan een schrijver zich nauwelijks aan onttrekken. Sommigen komen er ook onomwonden voor uit dat hun bedoelingen opvoedkundig zijn: 'Het leven van een mán, jongens, gaat nooit zonder stormen voorbij. Hoe verder het land dat je bezeilen wilt, hoe moeilijker en gevaarlijker de reis,' schrijft Johan Fabricius in een Aan de Hollandse jongens dat voorafgaat aan zijn beroemde De scheepsjongens van Bontekoe (1924).

Zeereizen zijn als vanzelf initiaties, jongens worden er mannen van, ze krijgen op zo'n reis dan ook volwassen waarden aangeleerd - en zij niet alleen,de meelevende lezers ook. De waarden van Fabricius, of van Joh. H. Been in zijn Paddeltje (1903) hebben alles te maken met hoe zij 'een mán' graag zagen:sterk, edelmoedig, zonder tranen, zonder vrees, zich verbijtend en groothoudend al valt hij er dood bij neer. Naar een echte man wordt opgekeken, die heeft gezag: 'Hij was één man tegenover die velen, maar dan ook een man, een zichzelf bewuste, krachtige persoonlijkheid. 'Terug!' scheen heel zijn gebiedende houding te zeggen, maar zeggen deed hij niets, doch hij sloeg de hand aan zijn zwaard. Zo onderwierp een gezagvoerder, alleen door zijn durf, zijn wil en zijn groot gevoel van eigen kracht, een bende muitende matrozen; zo verlamde hier Michiel de Ruyter door de manlijke kracht die van heel zijn wezen scheen uit te gaan, de onwillekeurig terugdeinzende bende.'

In recentere historische zeeromans komt er minder nadruk op mannelijkheid te liggen, al valt er nu eenmaal niet onderuit te komen, want aan boord van een schip vindt men geen 'moederskindjes'. Marijn bij de lorredraaiers (1965) van Miep Diekmann gaat niet uitdrukkelijk over hoe men een man wordt - haar Marijn strijdt in de eerste plaats tegen het onrecht van de slavenhandel - maar ook dat boek beschrijft het volwassen worden en wat daarbij geleerd moet worden: onafhankelijkheid van oordeel, moed, rechtvaardigheidsgevoel.

In een recent voorbeeld van het genre, Bloedgeld van Simone van der Vlugt (1996), weet een meisje zelfs, verkleed als jongen, door te dringen aan boord van een zeventiende-eeuws Compagnieschip. Dat gaat redelijk totdat ze ontdekt wordt. Vanaf dat moment wordt ze belaagd, natuurlijk juist door de bemanningsleden die toch al niet wilden deugen en aan wier lijst van slechte eigenschappen nu ook nog ongebreidelde geilheid kan worden toegevoegd. De kapitein van het schip en een paar van zijn trouwe oprechte scheepslui zijn niet zo, die beschermen de eer van een weerloos meisje en vallen haar nooit, zelfs nog niet met een wat al te keurende blik, lastig. Wel wordt de opdringerigheid van de anderen door de kapitein begrepen: 'Wat verwacht je dan? Je zit hier niet tussen een stel monniken!'

Ook dat is een oud mannelijk ideaal: een echte man kent de wereld maar beschermt een vrouw tegen de ervaringen die hij zelf wel heeft opgedaan. Natuurlijk wordt Lutske verliefd op deze kapitein. Tegelijkertijd is er door het-meisje-op-het-schip ook een modern vrouwelijk ideaal geïntroduceerd: een zelfstandig, sterk meisje dat eigenlijk in niets voor mannen onderdoet, want niemand had immers iets gemerkt tot haar hemd scheurde. Bovendien is ze verstandig en redelijk en niet bang. Ze belichaamt alles wat een modern jong meisje maar zou kunnen willen belichamen. En dat al in de zeventiende eeuw.

Bloedgeld is een spannend boek maar het laat tegelijkertijd ook zien waarom historische romans voor kinderen zelden echt geslaagd zijn. De bedoelingen zijn zelden literair, het verleden is een hulpmiddel voor het overdragen van kennis en opvoedkundige idealen, verpakt in een spannende avonturenrijk verhaal. De stijl is ook vaak een tikje historisch: de kapitein 'gebiedt' de mannen 'morren', een zeeman heeft 'een stalen greep' en gewoon praten doet bijna nooit iemand, het is een al sissen, snauwen, brullen, en kreunen, of anders zegt iemand wel iets 'ijzig' of is hij 'bleek van woede'.

Anachronisme

De hoofdpersonen zijn negen van de tien keer wandelende anachronismen die normen en waarden vertegenwoordigen waar men in de tijd waarin het boek speelt nog nooit van gehoord had. De Verlichting lijkt in bijna alle historische jeugdromans vooraf gegaan te zijn aan het tijdperk dat beschreven wordt. Dat is wel begrijpelijk, maar het maakt de boeken meer tot zedenromans in kostuum dan tot fantasierijke tijdsbeelden. En met psychologische karaktertekening hebben de schrijvers meestal al heel weinig op; bijna moeiteloos verliezen kinderen ouders, broers, vrienden - daar lijdt hun persoonlijkheid niet onder, ze worden niet verscheurd door wanhoop of eenzaamheid, een flinke huilbui, een moeilijk moment en voort gaan we. In de zeventiende eeuw lijken de mensen weinig andere gevoelens te kennen dan heimwee en verliefdheid.

Thea Beckmann heeft het probleem van het grote verschil in wereldbeschouwing tussen toen en nu in haar Kruistocht in spijkerbroek (1973) slim opgelost door een werkelijk hedendaagse jongen temidden van de middeleeuwers te plaatsen. Daardoor is het vanzelfsprekend dat hij zich over hun mentaliteit verbaast en dat hij hedendaagse kennis en opvattingen vergelijkt met die van toen. Het is jammer dat Beckmann daarnaast ook voortdurend een alwetende verteller nodig heeft die als Dolf zelf even niets denkt snel invalt om historische uitleg te geven.

Een ander punt waarin Beckmann zich gunstig onderscheidt van menig andere historische-jeugdromanschrijver, is dat ze haar best doet zoveel mogelijk aspecten van het middeleeuwse leven aan bod te laten komen: de rangen en standen, de gebrekkige medicinale kennis die maakte dat men hulpeloos tegenover veel ziektes en kwalen stond, het verschil tussen stad en platteland, de religie. Vooral dat laatste is iets waar kinderboekenschrijvers liever niet hun vingers aan branden, zodat de zeventiende-eeuwers opmerkelijk ongelovige lieden blijken.

Hella Haasse noemt in haar essay Vandaag schrijven over gisteren een voorwaarde voor het schrijven van een historische roman die heel gewoon en eenvoudig lijkt: 'Zijn onderneming het schrijven van een historische roman is tot mislukken genoemd, ja onmogelijk, wanneer er niet al bij voorbaat sprake is van een (vaak door hemzelf niet te verklaren) relatie tot een bepaald verleden, een bepaalde persoonlijkheid.' Dat klinkt vanzelfsprekend, maar veel boeken maken door hun vlakheid de indruk dat dat toch niet zo is. Dat valt vooral op als men eens af en toe een boek in handen heeft dat geschreven is door iemand die eraan begonnen is vanuit een duidelijke fascinatie. Ook dat is geen garantie voor een literair geslaagd kunstwerk, maar er gaat hoe dan ook een zekere betovering van uit. De Deen Lars-Henrik Olsen bijvoorbeeld raakte gegrepen door het tapijt van Bayeux waarover hij alles wilde weten. Wie De dwerg van Normandië (1992) leest, maakt het hele ontstaan van het tapijt mee. Die zit dag in dag uit met vier naaistertjes in de zaal van een klooster, die ziet hoe soms het borduren een beetje misgaat zodat een ruiter door zijn paard gezakt lijkt of een ridder zijn kop stoot aan de bovenrand van het tapijt, die merkt hoe er soms veel minder paardenbenen geborduurd worden dan het aantal paardenhoofden zou rechtvaardigen, die leert dat de Normandiërs en de Engelsen hun haar verschillend droegen en krijgt meer zicht op de vreemde wezens die de boven- en onderrand van het tapijt bevolken. Dat is allemaal aanstekelijk - al is ook Olsen weer geen groot schrijver en is het roman-gedeelte aan de magere kant. Want natuurlijk moeten we medelijden hebben met de arme meisjes in dat klooster, zij het niet te veel want buiten is het ook geen pretje, en krijgen we in alle toonaarden te horen dat het belangrijk is je hart te volgen. Zoals zo vaak wordt dat niet getoond maar keer op keer luidkeels uitgesproken.

Ideaal

De ideale historische roman is als De virtuoos van Margriet de Moor, waarin het verleden niet de hoofdrol speelt maar gewoon de omgeving is waarin een en ander zich afspeelt, zonder dat er almaar iemand met een aanwijsstok in het boek aanwezig lijkt die ons maant op te letten omdat er alweer zoiets opmerkelijks uit het verleden te zien is. De Moor wilde in de eerste plaats een boek schrijven over het kunstige van kunst, een boek dat bovendien zelf de charme van de gekunsteldheid en de virtuositeit zou laten zien.

In de kinderliteratuur bestaan zulke mooie historische romans ook. Het recent bekroonde Mosje en Reizele (1996) van Karlijn Stoffels is er een voorbeeld van en vooral En iedere week een brief (1997) van Irene Dische, alletwee boeken over kinderen in de Tweede Wereldoorlog. In Sterre en Joe (1997) laat Martha Heesen het begin van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen zien door de ogen van een klein meisje dat alles waar ze van hield kwijtraakt, en dat 'alles' zijn in de eerste plaats de paarden Sterre en Joe. Wat Dische en Heesen gedaan hebben is dé remedie tegen de uitleg en beschrijfdrift die de historische roman bedreigt: het kind dat opgenomen wordt in de maalstroom van gebeurtenissen begrijpt zelf ook niet alles, dat ondergaat. Maar de snuggere lezer begrijpt wel alles en de snuggere schrijfsters laten ons dat alles begrijpen door suggestie en subtiele aanwijzingen en niet door historische hamerslagen. Ach, met het genre is eigenlijk niets mis. Het heeft alleen de hulp van goede schrijvers nodig.