Het leven van de familie HIV

J. Goudsmit: Vrijend virus. Viral Sex (Oxford university Press, 1997). Vertaald door Fieke Lakmaker. Contact, 304 blz. ƒ 49,90

Toen de westerse samenleving in het begin van de jaren tachtig zich het bestaan van aids realiseerde, leek het een ziekte van jonge, seksueel actieve homoseksuele mannen. Ze leefden veelal in San Fransisco en New York en kregen gay cancer. Na een paar jaar werd een virus ontmaskerd, het human immunodeficiency virus (HIV). Inmiddels is de epidemie in het westen op zijn retour, maar in Afrika en Azië verspreidt het virus zich razendsnel, nu voornamelijk via heteroseksuele contacten.

HIV groeit in en vernietigt bepaalde cellen van het menselijk afweersysteem, de T-cellen met de CD4-receptor op hun buitenkant. Het afweersysteem raakt daardoor uitgeput. Aidspatiënten sterven niet aan hun virus, maar aan bacteriën, schimmels en andere virussen die hun kans schoon zien als hun afweersysteem het laat afweten.

HIV kwam niet uit de lucht vallen. Al snel vroegen epidemiologen en virologen zich af waar het vandaan kwam. Virussen evolueren snel. Ze vermenigvuldigen zich massaal, maar slordig. Bij het kopiëren van het erfelijk materiaal (DNA of RNA) sluipen foutjes in. Gemuteerde virussen zijn meestal minder levensvatbaar en gaan ten gronde. Soms ontstaat er een die het beter doet dan zijn voorgangers.

Virussen planten zich bijna altijd ongeslachtelijk voort. Ze dringen een gastheercel binnen en gebruiken de aanwezige biochemische machinerie om meer van zichzelf te maken. Sprongsgewijze veranderingen kunnen optreden als één gastheercel door twee verwante maar genetisch verschillende virussen wordt geïnfecteerd. Dan kunnen die twee bij een soort geslachtelijke voortplanting fragmenten van hun erfelijk materiaal uitwisselen, waardoor nakomelingen met nieuwe eigenschappen ontstaan.

Bij de vraag waar HIV vandaan komt, duikt meestal de naam op van Gaetan Dugas, een Canadese steward van een luchtvaartmaatschappij die zich op zijn tussenstops met weinig anders bezighield dan met anale seks. Hij infecteerde minstens 40 van de eerste 250 bekende Amerikaanse patiënten. Dugas speelt geen rol in het boek over aard en oorsprong van het aidsvirus van Jaap Goudsmit, hoogleraar virologie aan de Universiteit van Amsterdam. Goudsmit heeft een ruimere blik. Hij vermoedt de eerste Westerse aids-epidemie al in 1939, in Duitsland. De ziekte komt er via de havenstad Dantzig het land binnen, geïmporteerd door Duitse kolonisten uit Kameroen. Na die import ontstonden tot in de jaren zestig aidshaarden in Europa. Alleen de naam aids bestond nog niet en wat ook ontbreekt zijn bewijzen in de vorm van bewaarde bloedmonsters waar antistoffen in kunnen worden aangetoond. Er waarden epidemieën rond van longontsteking door Pneumocystis carinii, een heel gewone bacterie waarmee iedereen regelmatig wordt besmet zonder ernstige gevolgen. Alleen als het afweersysteem niet meer werkt, veroorzaakt P. carinii de longontsteking PCP die ook nu onder aidspatiënten nog wordt gevreesd. Meestal werden kinderen ziek en van hen stierf ongeveer een kwart, wat betekent dat het aidsvirus - als het dat al was - toen nog niet zo virulent was. In Nederland werd de Zweedse barak van de Kweekschool voor Vroedvrouwen in Heerlen getroffen. Tussen 1955 en 1958 kreeg een honderdtal pasgeborenen er PCP, waarvan er 24 stierven. De barak werd gesloten na zoveel onverklaarde ziekte.

Niet alleen ziektegeschiedenissen en bewaard gebleven bloedmonsters met HIV (het oudste dateert van 1976) wijzen de weg naar de herkomst van het aidsvirus, want dat ligt verder weg. Virologen kunnen na analyse van het erfelijk materiaal van verwante virussen stambomen opstellen. Daarin zijn gezamenlijke voorouders van virussen aan te wijzen. Goudsmit gaat de herkomst na van virustypen HIV-0, HIV-1 en HIV-2 die onder mensen ziekten veroorzaken. HIV-0 en HIV-2 zijn weinig verspreide varianten die waarschijnlijk al lang circuleren en pas aan het licht kwamen toen HIV-1 virulent werd. HIV-1 veroorzaakt in een vijftal varianten de aids-epidemie die nu over de wereld trekt. De variant 1B ontstond door passage (achtereenvolgende besmettingen) in homokringen en komt het liefst binnen via het rectum. Dit type verliest terrein. Type HIV-1E en in mindere mate 1A en 1C zijn hetero-virussen. Zij prefereren besmetting via vaginaal contact. HIV-1E is momenteel in Zuidoost-Azië in opkomst, terwijl 1C zijn verspreiding heeft in Afrika, Zuid-Amerika en Azië.

Goudsmit twijfelt er niet aan dat alle HIV uit het regenwoud in Centraal- en West-Afrika komt. Hij twijfelt er ook niet aan dat HIV is ontstaan uit het apenvirus SIV (Simian Immunodeficiency Virus) dat in verschillende varianten onder verschillende apensoorten voorkomt. In zijn eigen vertrouwde gastheer veroorzaakt een SIV-variant nauwelijks ziekte. Goudsmit denkt dat HIV-0 wellicht al 200 tot 400 jaar geleden van aap naar mens is overgegaan en lokaal altijd immuundeficiëntie heeft veroorzaakt, die echter in de veelheid van ziekten in Afrika niet als apart ziektebeeld werd herkend. De overgang van HIV-1 plaatst hij ergens in het begin van deze eeuw toen ontdekkingsreizigers en kolonisten het regenwoud betraden.

Goudsmit volgt de verspreiding van de subtypen over Afrika en de wereld en begint een speurtocht terug. Zijn boek is een reis door de wereldgeschiedenis, met uitstapjes naar de egyptologie, de biologie en de geologie, aan de hand van virussen. Ergens gaan de feiten over virusafstamming over in speculatie over de virusverspreiding. De ontdekkingsreizen, de slavenhandel, de Hollandse kooplieden met seksuele contacten in Indonesië en Japan, de Egyptenaren die apen uit heel Afrika importeren, bij vrijwel iedere menselijke activiteit wordt ook virus verspreid.

Goudsmit heeft een prachtig onderwerp, een originele aanpak en hij beschrijft een virus waarover veel bekend is. Het resultaat is een boek vol spannende speculaties. Maar boeiend verteld is het niet. In het hele boek komt Goudsmits taal niet los van lijdende vormen, voltooide tijden en opsommingen. Het taalgebruik van dit oorspronkelijk in het Engels geschreven boek is getekend door de honderden wetenschappelijke artikelen die hij heeft geschreven en gelezen. Er staan bijzonder lelijke zinnen in. Er zijn 'stevige debatten aan de gang'. En: 'De eerlijkheid gebied te zeggen dat men in Thailand nu hard van start is gegaan met het aanpakken van problemen die in verband staan met HIV'.

Goudsmit zelf heeft met zijn medewerkers naar SIV gezocht in apenmummies uit de Egyptische tijd. De egyptoloog Walter Bryan Emery had al in 1968 in de dodenstad Saqqara twee boven elkaar gelegen galerijen met rijen nissen ontdekt, waarin honderden gemummificeerde apen begraven liggen. Begin 1992 mocht Goudsmit onder leiding van een Egyptische archeoloog die bavianengalerijen in om wat botmateriaal te verzamelen voor DNA-analyse. Gelukkig bestaat daarover een mooie TV-documentaire, want het geschuifel door die mysterieuze wereld, op film of video zo mooi in leemkleurige tinten vastgelegd, beschrijft Goudsmit zelf armetierig met: 'de nissen (...) waren gevuld met hopen botten en schedels, en met stukken van kisten en metselwerk. De hele necropool toonde het verwoestende effect van vele indringers, van christelijke monniken tot Emery zelf. Volgens de mensen die met deze beroemde archeoloog hadden gewerkt, was hij bijzonder ruw te werk gegaan en had hij lokale werklieden gehuurd om in een paar dagen de bavianengalerijen op te ruimen.' Goudsmit toetst slechts wat hij van tevoren gehoord en gelezen heeft. Het apenmummiehoofdstuk, toch het middelpunt van het boek, loopt met een geweldige sisser af. De speurtocht naar apenvirus mislukte. Er werd allerlei DNA gevonden, maar het was van kip of duif of mens, niet van aap. Laat staan van een apenvirus. De botten waren verontreinigd door duiven die in de galerij nestelden, of door resten huidcellen van mensen die de botten hadden aangeraakt, of door stukjes kip die de arbeiders van Emery hadden gegeten. Ze hadden hun handen niet gewassen na het eten. De Amsterdamse virologen moeten nog eens terug naar Egypte, schrijft Goudsmit. Het werk is niet af, het hoofdstuk wel geschreven.

En tenslotte: Goudsmit probeert uit alle macht ons bang te maken. Aan het slot van sommige hoofdstukken, aan het einde van het boek en op de flaptekst krijgen we ingeprent dat het aidsvirus erg gevaarlijk is. Met ons gesleep van apen en mensen over de aardbol raken aanvankelijk gescheiden virus- en dierenpopulaties bovendien zo vermengd dat in die smeltkroes nog veel schadelijker virussen kunnen ontstaan. Misschien wel een virus dat aids én kanker veroorzaakt. Moeten we daar echt bang voor zijn?