G.A. Möller, president-directeur van de Amsterdamse beurs; Wij zijn het meest Angelsaksische alternatief

Beursbedrijf Amsterdam Exchanges (AEX) maakt drukke, maar succesvolle tijden door. Omzetrecords sneuvelen, een leger van uitzendkrachten is nodig voor de afwikkeling van transacties en de winst verdubbelde in het afgelopen halfjaar naar 44 miljoen gulden. Maar de mooie resultaten verbergen de angst van AEX om terrein te verliezen op de Europese beursmarkt.

Buitenlandse beurzen groeperen zich om de Europese concurrentiestrijd aan te gaan. Parijs, Zürich en Frankfurt hebben de handen ineengeslagen om te concurreren met Londen. Amsterdam heeft nog geen partner gevonden. Desondanks lijkt de voorkeur van de president-directeur van AEX, drs. G.A. Möller (49), vast te staan. Amsterdam is verliefd op Londen, maar Londen belt maar niet.

Möller, die sinds het begin van dit jaar de scepter zwaait op het Damrak, heeft de negen maanden dat hij in functie is een duidelijke voorkeur voor een Angelsaksisch beurssysteem laten blijken. Niet verwonderlijk, want daarmee is hij het best bekend. Hij was vanaf 1987 als algemeen directeur werkzaam bij de Londense vestiging van Mees Pierson. Möller maakte ook deel uit van het bestuur van de Londense futures- en optiebeurs LIFFE. Hij hielp vanuit die positie mee met een fusie waardoor de aandelenopties van de London Stock Exchange naar LIFFE gingen. Bij zijn terugkeer in Nederland werd hij directeur van de toenmalige EOE Optiebeurs, die op punt van fuseren met de Amsterdamse Effectenbeurs stond. Möller werd binnengehaald met de belofte dat de directeur van de optiebeurs de president van het gefuseerde beursbedrijf Amsterdam Exchanges zou worden. Zijn ervaring met fusies van beurzen kwam daar goed van pas.

Möller: “In zijn algemeenheid vind ik dat Angelsaksische landen heel ver zijn op de gebieden van regelgeving, beleggerbescherming en allerlei andere zaken. Ze zijn verder dan wij om een aantal redenen. Ten eerste is dat omdat ze in het verleden meer problemen gehad hebben waardoor ze hun regels hebben aangepast. Ten tweede is de effectenmarkt daar natuurlijk veel diverser. Ik vind dat we van hen kunnen leren. Als ze daar een auto ontwikkelen met vier wielen, dan moeten wij er niet een ontwikkelen met drie wielen. Als wij iets nieuws ontwikkelen dat afwijkt van wat zij daar hebben, moet je dat wel kritisch tegen het licht houden en je afvragen waarom zij dat anders hebben gedaan.”

Toen B.F. Baron van Ittersum terugtrad als voorzitter van de Vereniging voor de Effectenhandel van de Effectenbeurs en Möller hem opvolgde, zei hij dat de beurs commercieel slagvaardiger moet worden om de concurrentie met andere Europese beurzen aan te gaan. Amsterdam staat nu zesde op de Europese ranglijst en elfde op de wereldranglijst. Desondanks hoort Amsterdam volgens enkele grote televisiestations nog steeds niet thuis in het rijtje Londen, Parijs en Frankfurt. Möller mag dan ambitieus zijn, over dat verschil zit hij niet in.

“We mogen dan wel niet genoemd worden door CNN, toch lees ik in buitenlandse kranten dat we in sommige maanden groter zijn dan Matif, de Franse optiebeurs. Ze beginnen ons weer te zien staan. De samenwerking met FTSE-international op het gebied van de Eurotop-index heeft ons imago-winst opgeleverd. Plotseling worden de Fransen boos op ons omdat ze wilden dat wij met hen meededen. Parijs vond dat we een meer continentaal initiatief hadden moeten nemen. Zij gaan nu met Duitsland en Zürich een concurrerende Euro-index opzetten. Dat ze boos zijn is nog nooit eerder gebeurd en dat is eigenlijk heel mooi. Het is een teken van succes als ze tegen je aan beginnen te schoppen. Ze hebben dan zorgen over je en dus tel je mee. Maar hoe je ook reorganiseert, zo groot als Duitsland zullen we nooit worden. We hebben nou eenmaal een kleiner achterland.”

De City of London klinkt beter dan Amsterdam. Werkt dat imagoverschil niet in uw nadeel wanneer u grote buitenlandse ondernemingen wilt overhalen om zich in Amsterdam te laten noteren?

“Wij kunnen de concurrentie prima aangaan met Londen. We willen meer scoren. Hiervoor stellen we op dit moment een beleidsplan op zodat we klaar zijn wanneer de euro als gemeenschappelijke munt wordt ingesteld. Ons voordeel ten opzichte van Londen wordt dat wij in het euro-gebied zitten en zij niet. Hun basisvaluta blijft het pond sterling. De Londense beurs is natuurlijk veel groter dan de onze. Maar dat maakt niet uit. Wij putten juist kracht uit het feit dat we kleiner zijn. Vergeet ook niet dat Londen heel veel trauma's achter de rug heeft. Wij doen gewoon een aantal dingen beter dan zij. Daarom kunnen we de concurrentie met hen aangaan.”

Amsterdam lijkt dus te willen profiteren van de verdeling van de Europese beursmarkt in een continentaal en een Brits kamp. En u wilt ook gaan concurreren met Parijs, Zürich en Frankfurt.

“Dat kan omdat wij juist weer het meest Angelsaksische alternatief zijn. Als je hier binnenkomt, word je in het Engels toegesproken. We accepteren Britse en Amerikaanse prospectussen, zodat die niet vertaald hoeven te worden. De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) zegt overigens dat we dat niet moeten doen. Wij vinden dat het ons een voorsprong op de concurrentie geeft.”

De Belgische beurs beslist in oktober of ze zich aansluit bij Amsterdam of bij het continentale samenwerkingsverband.

“We hebben een intentie-overeenkomst getekend, waarin we hebben gezegd dat in de loop van volgend jaar de respectieve leden op elkanders beurzen kunnen opereren. Daarmee verbreden we onze markt en dat is dan de eerste stap op weg naar verdere integratie. We moeten gewoon kijken hoe dat gaat. Als het goed gaat kunnen we verdere stappen zetten.”

Wat wordt die volgende stap?

“Dat is de grote vraag natuurlijk... Als je gaat fuseren met andere beurzen moet je je goed afvragen wat de voordelen zijn. We willen voordeel uit schaalvergroting en willen dat we elkaar kunnen aanvullen. Aan die twee voorwaarden moet echt voldaan worden om te fuseren. Ik denk dat het nog heel lang duurt voor het zover komt, maar ik sluit een fusie dus niet uit. Nu Frankfurt, Zürich en Parijs zich groeperen weten de Benelux-beurzen dat zowel defensief als offensief moet worden samengewerkt. We moeten naar elkaar toe kruipen.”

Maar is dat voldoende? Moet Amsterdam ook niet op grotere schaal gaan samenwerken?

“Die kans bestaat heel duidelijk, maar we moeten ons niet laten leiden door de waan van de dag. Het schaalvoordeel en de complementariteit staan voorop. We gaan niet fuseren omdat de buurman het ook doet.

“Bovendien moeten we nog maar afwachten hoe de samenwerking van die beurzen gaat verlopen. Ze hebben heel veel gepraat, terwijl er niets uitkwam. De fusie moet eerst geregeld worden voordat het een succes is. De aankondiging van iets is op zichzelf geen succes. Vergeet niet dat er doorgaans minder wordt geregeld dan er wordt aangekondigd.

“Ik zal me de komende jaren inzetten voor een strategische positionering van de beurs in Europa. Ik voel me zeer verantwoordelijk voor dit internationale beleid.”

Als u met die positionering op een samenwerking of zelfs een fusie doelt, bent u dan niet bang dat het Damrak daardoor zijn Nederlandse identiteit verliest?

“We willen de primaire markt zijn voor Nederlandse waarden. De prijsvorming wordt dus door onze markt bepaald. Maar daarnaast willen we in de regio Europa wel iets meer. We willen internationaal gezien scoren. We zijn altijd al een internationale beurs geweest. In het euro-tijdperk moeten we daar op een zekere wijze inhoud aan gaan geven. Daarom moeten we de komende jaren een flink eind op weg zijn met de euro-introductie. We hebben nu een heel goed beeld van hoe we het op onderdelen willen doen.”

Hoe ver bent u op dat gebied? Weet u bijvoorbeeld al wat u met de beursindex gaat doen?

“De koersen waaruit de index is samengesteld, worden nu nog in guldens gemeten. Wil je van de index een dimensieloze eenheid maken, dan worden 1.000 guldens simpelweg 1.000 euro's. Zie je hem als een waarde, dan moeten we al onze contracten op de optiebeurs plotseling door 2,2 delen, de huidige waarde van de euro. En omdat de aandelenkoersen dan van de ene op de andere dag halveren, zou ook de AEX-index omlaag vallen. Dat leidt dan weer tot problemen met bijvoorbeeld clickfondsen. Daarom delen we alleen de koersen door 2,2 en blijft de AEX-index als waarde in punten onveranderd.”

Andere beurzen zitten met hetzelfde euro-probleem. Overlegt u met ze?

“Wij kijken naar wat ze doen. Het is duidelijk dat ze nog niet weten of ze links- of rechtsom moeten. Ze houden dat geheim omdat ze informatie concurrentiegevoelig vinden. Wij weten inmiddels dat de Duitsers het net zo gaan doen als wij. Wat de Fransen van plan zijn weten we nog niet.”

Uit zijn winstverdubbeling in het eerste halfjaar blijkt dat Amsterdam Exchanges een commercieel bedrijf met een onvervalst winstoogmerk is. Dit tot verdriet van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB).

“We zijn geen organisatie die onder alle omstandigheden haar winst wil maximaliseren. Maar we zijn ook geen vereniging meer waarbij het - cru gezegd - niet uitmaakte of je winst of verlies maakte. Winst moest je teruggeven aan je leden, als je verlies maakte ging je met je pet rond.

“Winstgevendheid creëert onafhankelijkheid. De VEB zegt dat ons streven naar winstgevendheid ertoe leidt dat we het niet zo nauw nemen met de regelgeving. Integendeel. Als er een notering zich aandient die niet past in het beleid ten aanzien van integriteit of kwaliteit, dan kunnen we die afwimpelen dankzij onze financiële onafhankelijkheid. Ook al kost dat ons twee ton, dan deert ons dat niet want dat kunnen we uit eigen middelen opvangen. Ik wil op het gebied van regelgeving een mate van flexibiliteit aan de dag leggen. Dit in tegenstelling tot een rigide beleid ten aanzien van toelating van instellingen.”

Is de Amsterdamse beurs nu nog te rigide?

“Ja, want als je kijkt naar onze noteringsvoorwaarden, dan zie je dat we heel veel standaardregels hebben, zoals bijvoorbeeld een track record waarin de resultaten over de laatste drie jaar zijn vastgelegd. Voor bepaalde projecten die je naar de beurs zou kunnen brengen is zo'n track record naar mijn mening niet zo belangrijk. Kijk bijvoorbeeld naar de Eurotunnel: die bestaat nog niet zo lang en had daarom bij ons nooit genoteerd kunnen worden.”

Moet u daarvoor de regels aanpassen?

“Nee, dat hoeft niet. Flexibilisering mag dan ook niet worden uitgelegd als liberalisering. Waar ik op doel is dat we ons huidige beleid, met de bestaande regels, op maatwerk toespitsen. We mogen niet alle bedrijven en projecten die naar de beurs willen over één kam scheren.

“Ik hoor uit internationale kringen wel eens geluiden die zeggen dat wanneer wij ons toelatingsbeleid voor speciale projecten in aparte categorieën formuleren, wij hierin wel eens een specialisme zouden kunnen opbouwen. Ik denk dat dit kan gebeuren zonder dat we de markt zo verruimen dat we de beleggersbescherming aantasten. We gaan ons dan onderscheiden. Maar over dat beleid moeten we nog goed nadenken.”

Neemt u niet grote risico's. De beursgang van Holec vorige week werd een fiasco omdat beleggers geen vertrouwen in het concern hadden. Analisten zeiden dat het bedrijf Holec nooit toegelaten had mogen worden omdat het nog niet drie jaar zelfstandig van zijn ex-moederconcern Begemann met goede winstcijfers had geopereerd.

“Voor de toelating van Holec op de beursvloer hebben wij geen enkele dispensatie verleend. In het track record van dit bedrijf konden ook de jaren van gedeeltelijke deelname van Begemann worden meegenomen. Dit bedrijf kon na een formele toetsing aan de regels zijn bestaansrecht aantonen.

Het was dan ook geen speciaal project. Voordat we die toelaten doen we uiteraard zorgvuldig onderzoek.''

Hoe wilt u die speciale projecten naar Amsterdam halen?

“Waar we uiteindelijk moeten aankloppen zijn de emissiehuizen en die zitten dus met name in Londen. Die moeten het vertrouwen krijgen dat we in Amsterdam goed kunnen luisteren, praten en analyseren. Ze moeten weten dat we bereid zijn maatwerk te leveren voor het toelatingsbeleid. Dat moeten we doen op basis van een structuur die dicht bij het Angelsaksische systeem ligt.”

U praat over concurrentie van beurzen uit het buitenland, terwijl bij u om de hoek, in Arnhem om precies te zijn, een regionale effectenbeurs op Internet is gestart.

“We hebben al lang geen monopolie meer omdat grote partijen onderling over the counter handelen. Die hebben ons helemaal niet nodig. De obligatiehandel gaat ook al voor een groot gedeelte buiten de beurs om.

“Internet kan een grotere bedreiging vormen. Iedereen kan namelijk een Internetpagina openen om zijn aandelen Koninklijke Olie aan te bieden. We kijken daar heel erg serieus naar. Die handel is nu nog een dwerg maar het kan over vijf jaar een olifant zijn.”

Misschien moet AEX zelf die olifant gaan kweken. Rabobank heeft vorige week een Internet-pagina gelanceerd waarop hun klanten kunnen handelen in effecten en opties. Op de AEX-homepage staan alleen nog maar koersen.

“Het leeft enorm bij ons. We hebben een hele omslag gemaakt in onze manier van denken. We vragen ons niet af of de hoekman coûte que coûte moet blijven bestaan. Nee, we streven naar een goede centrale prijsvorming en een liquide markt met goede afspraken voor de beleggers. Als daar dan die hoekman in past als bemiddelaar, dan is dat prima. Maar als uiteindelijk blijkt dat die doelstelling beter te bereiken is via een Internet-site, dan gaat het roer echt wel om.”

Bent u niet bang dat u daarmee diverse gevoelige snaren zal raken. Bepaalde taken zijn nou eenmaal historisch bepaald.

“Als je luid en duidelijk zegt wat je kerndoelstellingen zijn en waar je voor staat, dan blijkt plotseling dat anderen er ook voor staan. Je dwingt zo andere partijen zich te realiseren dat verandering nodig is. Je dwingt ze af te stappen van hun individuele belang. Ik vind dat in de huidige discussie de partijen heel volwassen met elkaar omgaan. Ik hoor niemand 'kwaad bloed' of 'veto' roepen. Niemand zegt 'mijn boterham is in het geding'. Er is een algemeen bewustzijn dat we veranderingen doormaken.

“Waar het vijf jaar geleden nog door marktpartijen geblokkeerd werd, gebeurt dat nu niet meer. Er zijn partijen die zeggen: jullie kunnen nu toch zelfstandig beslissen, doe dat dan ook maar. Daarmee wordt impliciet ook aangegeven dat, zelfs wanneer de veranderingen tegen hun belang in zijn, ze het toch wel zullen accepteren. Uiteraard moeten we daar wel heel voorzichtig mee omgaan.”