Fraude en markt blazen bosbranden aan

De rook van brandende bossen heeft nu ook de Indonesische hoofdstad Jakarta bereikt. De regering wil een einde maken aan het platbranden van bos door grote ondernemingen, maar heeft daar zelf connecties.

ROTTERDAM, 3 OKT. De Indonesische overheid legt de schuld voor de huidige bosbranden niet langer alleen bij keuterboertjes. De minister van Bosbouw, Djamaludin Soeryohadikusomo, heeft gezegd dat hij meer dan 150 bedrijven ervan verdenkt de hand te lichten met een officieel verbod op het platbranden van oerwoud om plaats te maken voor plantages. President Soeharto onderstreepte dat verbod deze week nog eens. Bedrijven hebben tot vandaag om te bewijzen dat ze onschuldig zijn, op straffe van het verliezen van hun vergunning.

Milieu-organisaties hebben verheugd gereageerd op wat zij noemen 'de nieuwe openheid'. Maar of daarmee snel een eind komt aan het rooien en platbranden is nog de vraag. Want met de verkoop van tropisch hout en de aanleg van rubber-, rijst- en oliepalmplantages op ontbost land zijn grote belangen gemoeid, niet in de laatste plaats die van de familie-Soeharto zelf. “De krachtige winden van de marktwerking en de smeulende sintels van het stille-fraudenetwerk zullen de branden vast nog vele droge seizoenen laten doorwoeden”, schreef The Far Eastern Economic Review gisteren.

Volgens het in Hongkong verschijnende weekblad moedigt de Indonesische regering vooral de aanleg van oliepalmplantages aan, gezien de toennemende vraag op de wereldmarkt. De handel in palmolie - die gebruikt wordt in voedingsmiddelen en in zeep - leverde Indonesië het afgelopen jaar een miljard dollar op. De regering wil het oppervlak aan palmplantages tot het jaar 2000 uitbreiden tot 5,5 miljoen hectare, meer dan het dubbele van het huidige areaal.

Daartoe gaat de brand in land dat 'waardeloos' heet: voormalig bos - kale heuvels waar alleen nog olifantsgras groeit - of bos waaruit de beste bomen al zijn weggehaald en dat daardoor vaak zwaar is beschadigd. Omdat zulke bossen droger zijn dan gezond regenwoud - een effect dat dit jaar versterkt wordt door het klimatologische fenomeen El Niño - zijn die branden nauwelijks beheersbaar.

Dit 'brandseizoen' heeft meer dan anderhalf miljoen hectare extra in de as gelegd op Sumatra en Kalimantan (Borneo), maar ook op Java, en op Sulawesi en Irian Jaya in het oosten.

Volgens de Verenigde Naties hebben de branden onherstelbare schade aangericht, zowel aan het bos als aan de volksgezondheid en de economie. Die schade komt bovenop de gebruikelijke: in normale jaren verdwijnt gemiddeld zo'n miljoen hectare of tienduizend vierkante kilometer bos, eenderde van het oppervlak van Nederland.

Pagina 4: Indonesië doet tropisch bos in de uitverkoop

De voorraad strekt weliswaar nog meer dan een eeuw - Indonesië heeft 143 miljoen hectare bos, de helft van alle tropische bos in Zuidoost-Azië, tien procent van al het regenwoud ter wereld en het grootste areaal na Brazilië - maar slinkt te snel, vinden Westerse milieubeschermers en sommige regeringen. Niet alleen wegens de vernietiging van dieren- en plantenleven, maar ook uit economisch oogpunt is het kortzichtig, omdat het land zo het tafelzilver in de uitverkoop doet. Het oerwoud is meer waard als levend bos dan als de voorraad timmerhout die men er nu overwegend in ziet, omdat het kan dienen als duurzame leverancier van vruchten, harsen, latex, noten en grondstoffen voor medicijnen en andere biotechnologische produkten, redeneert de Westerse bos-lobby.

Volgens Reitze de Graaf, docent bosbouw aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, beseft Indonesië terdege “dat de bodem in zicht komt”. De huidige minister van Bosbouw is van “van goede wil”, zegt De Graaf, maar Indonesië kampt op Sumatra en Kalimantan met een achterstand in het reguleren van de exploitatie. “Anders dan op Java heeft Soeharto daar de houthakkers twintig jaar geleden losgelaten”, zegt De Graaf. “Dat breekt ze nu op, want er is vrij grondig geplunderd.” Toch gelooft hij dat de huidige crisis Indonesië kan dwingen om landinrichting en ontginning beter op elkaar af te stemmen. “Van rampen kunnen we leren.”

Intussen poetst Indonesië vooral aan zijn imago. Op het televisie-station CNN is regelmatig een spotje te zien waarin het land zichzelf afficheert als milieubewust. De Uniseraya-groep, een houtconglomeraat dat stevige banden met de overheid onderhoudt, adverteert op de Internet-site met haar herbebebossingsbeleid. “Wij geloven dat behoedzame omgang met het milieu en ons herbebossingsprogramma de toepkomst garandeert van onze groep, de gemeenschap, de natie en de wereld.” Wie de verstrekte gegevens optelt komt overigens niet verder dan een paar duizend herbeboste hectares, die het bedrijf de afgelopen veertien jaar in totaal niet meer dan twaalf miljoen dollar hebben gekost.

Westerse milieu-activisten als de Friends of the Earth en de Gaia Foundation zeggen dat herbebossing in Indonesië een farce is. Vast staat in elk geval dat de bestaande projecten niet meer dan een druppel op de gloeiende plaat zijn. Herbebossing komt in praktijk vaak neer op het beplanten van ontbost land met nieuwe bomen van één type, voor plantages of als produktiebos voor triplex-fabrieken en de (sterk vervuilende) papierpulp-industrie. Herbebossing leidt dan niet tot herstel van de biodiversiteit die met het gekapte oerwoud verloren ging, maar tot de vestiging van een monocultuur waarin een marginaal planten- en dierenleven gedijt. Indonesië wordt er groener door, maar biologen noemen het niet zonder reden de 'groene woestijn'.

Veel projecten komen bovendien niet eens van de grond omdat er geen geld voor is. Want het staatsfonds voor herbebossing - waarin de regering en betrokken een deel van de opbrengst uit de verkoop en exploitatie van houtconcessies moeten storten - heeft in praktijk nooit de beoogde twee miljard dollar bevat. Het is vaak voor oneigenlijke doelen benut, zoals de ontwikkeling van een passagiersvliegtuig en het aanzuiveren van de begroting. Er is zelfs ontbossing mee betaald, ten behoeve van uitgestrekte rijstplantages op Kalimantan, waar de internationale gemeenschap geen geld in wilde steken.

Volgens boze NGO's dient het Kalimantan-project nog een ander doel: de zes miljoen kuub kaphout die daarbij vrijkomen moeten maskeren dat Indonesische houtproducenten moeite krijgen aan de vraag te voldoen. Twee jaar geleden heeft Soeharto zelfs geopperd om hout te importeren voor de Indonesische houtverwerkende industrie. Dat is niet gebeurd. Wel breiden Indonesische houtvesters hun activiteiten de laatste jaren uit naar Suriname, Birma, Maleisië, China en Papoea Nieuw Guinea.

In theorie kan de wereld besluiten geen Indonesisch hout meer te kopen. Japan heeft dan een probleem. Het land gaat weliswaar door voor milieuvriendelijk, maar het is wel de grootste importeur van hardhout, vooral voor waribashi, de eetstokjes waarvan er per dag 130 miljoen in het vuilnisvat verdwijnen. Sommige Nederlandse gemeentes kondigden enkele jaren geleden een verbod op “niet-duurzaam gewonnen tropisch hardhout” af, maar Nederland blijft in de top-10 van hardhoutafnemers staan. Twee derde van de twee miljoen kuub die Nederland importeert - vooral voor gebruik in woningen en de waterbouw - komt uit Asië, merendeels uit Maleisië en Indonesië.

Het Westen worstelt bovendien met een dilemma. Wie afneemt verhoogt de gretigheid bij de verkopers, maar niet-afnemen heeft mogelijk een averechts effect. “Dat ontneemt de bossen een deel van hun economische waarde en voert de druk op om bossen om te vormen tot winstgevender vormen van landgebruik”, zei minister Soeryohadikusomo vorig jaar. Als het Westen wil dat arme landen hun bossen anders exploiteren, zal het dus moeten betalen.

Volgende week houdt het Intergovernmental Forum on Forests in New York een vergadering over het mondiale bosbeleid. Die praatclub van rijke- en ontwikkelingslanden is een voortzetting van het Intergouvernementele Panel over hetzelfde onderwerp, en dat is weer een voortzetting van de vergadering die op de wereldmilieuconferentie in Rio (1992) zo goed als niets bereikte. “Nieuwe naam, dezelfde vooruitzichten”, oordeelde het tijdschrift Earth Times gisteren cynisch.