Een sprong in glas; Tentoonstelling over Nubiërs in de Nieuwe Kerk

Toen het Egyptische rijk in de achtste eeuw voor Christus in verval raakte, namen de Nubiërs, hun zuidelijke buren, de macht er over. Ze bleven er een eeuw. Terug in Soedan gedroegen ze zich eeuwenlang Egyptischer dan de Egyptenaren. Beelden en aardewerk van dit volk zijn te zien in De Nieuwe Kerk in Amsterdam.

De zwarte farao's; t/m 1/2/1998 in de Nieuwe Kerk, Dam, Amsterdam. Geopend: vr.t/m wo. 10-18 u; do. 10-22 u. Catalogus: ƒ 65,- gebonden ƒ 85,-

Ze hadden een zwarte huid, kroeshaar, brede neuzen, een krachtig lichaam en ze muntten uit in het boogschieten. De Duitse nazi-cineaste Leni Riefenstahl heeft de huidige bewoners van dat gebied nog in de jaren zeventig gefotografeerd. Bomen van mannen die elkaar op de schouders namen alsof zo'n lijf een beschuitje was. De Griekse geschiedschrijver Herodotos prees hen in de oudheid al als 'de allergrootste en mooiste mensen'.

Ooit heersten deze donkere Soedanezen als 25ste dynastie over het oude Egypte. Dat was in de achtste eeuw voor Christus. Binnenvallende 'zeevolkeren' hadden het Egyptische rijk in verval gestort. Het zwarte stammenvolk zag zijn kans schoon en trok vanuit het zuiden voor de zoveelste keer strijdlustig noordwaarts. Dit keer met succes.

Hun vorsten riepen zich uit tot farao's van bijna de hele wereld. Want die was toen nog niet zo groot, dachten ze. Ze wilden zelfs niet onderdoen voor hun staatsgod Amon-Re, die eerder in het Egyptische godenrijk was opgenomen. En vanaf dat moment bleven de Nubiërs, over dat oude, Soedanese volk gaat het hier, zich tien eeuwen lang Egyptischer gedragen dan de laatste farao-dynastieën die aan hen voorafgingen. In hun bouwkunst, hun rituelen en hun religie grepen ze, ook eenmaal weer huiswaarts gekeerd, terug naar dat wat eens het machtigste koninkrijk op aarde was. En daar mocht in Soedan voorlopig geen einde aan komen.

Dat het Nubische aardewerk aanzienlijk ouder was dan dat van de Egyptenaren, dat ze veel meer, maar kleinere piramiden op hun grondgebied bouwden, dat ze begaafde edelsmeden in hun midden hadden en dat ze later een eigen schrift ontwikkelden - we komen het nu te weten in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, die dit najaar uitvoerig de kunst en geschiedenis van Soedan belicht.

In de geschiedenis van het oude Egypte is dat zwarte volk weggemoffeld, beweren sommige deskundigen. Het imperialistische westen maakte graag van elke farao een blanke, mediterrane figuur, een van 'ons soort mensen'. Andere kenners accentueren liever het uitgesproken Afrikaanse karakter van Nubië, dat dankzij intensieve opgravingen sinds de jaren zestig, 'een nieuwe dimensie aan de antieke oudheid heeft toegevoegd'.

De Egyptenaren zelf hebben de Nubiërs eeuwenlang gevreesd, gehaat en geknecht. Het waren 'ellendelingen met gebroken harten', meende de farao Sesostris III. Toetanchamon droeg in de veertiende eeuw voor Christus aan het uiteinde van zijn staf een gebeeldhouwd Nubisch hoofd, dat bij elke tik in het zand een dreun opliep. De Aethiopiërs, de door de zon verbranden, zoals de zwarten werden genoemd, waren goed voor de doorvoer van Afrikaans ivoor, wierook en ebbenhout, zaken die de buren met hun sierlijke dodencultus goed van pas kwamen. En verder dienden ze zich koest tehouden.

Plunderaar

Net als in de Hermitage-zalen van Catharina de Grote, stapt de toeschouwer in de Nieuwe Kerk terug in de ambiance van de hoofdpersonen. Een tentoonstelling tegen een opera-decor, want pal bij de ingang is een puntige 'zandstenen' piramide opgericht, de massieve bouwwerken waaronder de dode Nubische koningen werden begraven.

Aanvankelijk rustten de Nubische gezagsdragers onder brede heuvels, samen met tientallen familieleden en dienaren die levend bedolven onder het zand meereisden naar het dodenrijk. Geen graf of een plunderaar wist het later wel te vinden. De Italiaanse arts Giuseppe Ferlini, die begin vorige eeuw met een Turkse invasie meetrok, blies die bouwwerken lukraak op, om direct naar het goud te kunnen grijpen, dat hij vlot doorverkocht aan de Beierse koning Ludwig.

Wandelend door de tentoonstellings-corridors van tapstoelopende, beige wanden waant men zich een toerist in het recent door burgeroorlogen geteisterde Soedan, zij het dat de ruim vierhonderd museumstukken - van een zeldzaam glas en bronzen ornamenten tot stèles en levensgrote, stenen farao's - al minutieus zijn geselecteerd door de Duitse Egyptoloog Dietrich Wildung, directeur van het Eygptisch Museum in Berlijn.

De chronologische opzet dirigeert de bezoeker eerst naar de vroegste Nubische sporen; naar rotsinscripties van een olifant, naar het groen-blauwe faience van een gehavend leeuwen-reliëf en naar doorzichtige plakjes ijs die mica-appliqués blijken te zijn. Dat mica werd gesneden in de vorm van een konijntje of een giraffe. En het is bij prehistorische spulletjes als deze aardig om te weten dat de Nubiërs ze 4.000 jaar geleden al op hun kleding droegen.

Uit die vroege periode - 2500 tot 1500 voor Christus - dateert ook het Kerma-aardewerk, genoemd naar de nederzetting die veranderde in een stad met tempels, pakhuizen en een paleis. De zesduizend jaar oude, grove kommen en kruiken, geplaatst in fel gekleurde wandvitrines, zouden zich in dat millennium verfijnen tot eierschaal-dun siergoed. Dankzij een metaaltoevoeging kreeg de bruin-rode aarde, waaruit de schalen waren gevormd, nevelige zwarte sierranden. Graf- en tempelgiften als deze werden zo intensief gepolitoerd, dat een Nubische huisvrouw ze gisteren nog met haar vettige handen behoedzaam op tafel lijkt te hebben gezet.

Heer en meester

Menigeen zal in het merendeel van deze tentoonstelling eerder het bekende Egyptische erfgoed herkennen dan een duistere Nubische nalatenschap. En dat kan ook niet anders. Want zowel de farao's van het Middenrijk (2040-1785 v. Chr.) als het Nieuwe Rijk (1540-1075 v. Chr.) werden in het zuiden de koloniale heer en meester. Ze bouwden forten om de Nubische goudmijnen in de gaten te houden en ze richtten tempels op om daar hun eigen goden te laten vereren.

Daarom staan we op deze tentoonstelling, na de kommen en de rondborstige idolen, al snel oog-in-oog met de strenge gestalte van de zandstenen farao Ramses II, bouwer van twee heiligdommen van Aboe Simbel. Daarom is uit Berlijn een kolossale, granieten ram naar Amsterdam overgebracht, die, gewapend met de zonneschijf tussen de horens, in het hart van het Nubische rijk de koning der goden Amon-Re verbeeldde. En daarom staan op de kleinere voorwerpen uit deze perioden weer de karikaturale hoofden van die zo vaak bespotte, diklippige Nubiërs.

De Egyptenaren deden niets liever dan de zuiderlingen knevelen, zoals ook van menig reliëf valt af te lezen. Maar het mooiste, glazen miniatuur op deze tentoonstelling laat nu eens een vrolijke Nubische jongeling zien. Hij lijkt met opgetrokken onderbenen een sprong in de lucht te maken. Helaas vertellen de inkepingen in zijn armen en kuiten dat ook hij tot die vele gevangenen van de Egyptenaren behoorde.

De Nubiërs mochten dan vaak tot op het bot zijn vernederd, rondom de heilige tafelberg Gebel Barkal, vormde zich in de tiende eeuw voor Christus, halverwege de lus van de Nijl, het voortvarende Rijk van Koesj, genoemd naar de oud-Egyptische naam van Nubië. En het waren deze Koesjitische vorsten die naar Memphis optrokken om het eens zo machtige farao-rijk in glorie te herstellen. Ze achtten zich de directe zonen van Amon; dat bleek wel uit een rotspunt van de heilige berg Gebel Barkal, die - door erosie - de vorm van een uraeus, de slang als symbool van het koningschap, had aangenomen.

In alle delen van het rijk namen ze omvangrijke bouw- en restauratieprojecten ter hand. Op eigen terrein richtten deze Koesj maar liefst 223 piramiden op, waaronder hun gemummificeerde leiders werden bijgezet. Net als vroeger kregen de doden weer honderden oesjebti's mee, stenen en faience-figuurtjes die op goddelijk bevel alle triviale aardse taken weer op zich zouden nemen. Die oesjebti's staan opnieuw, maar nu in Amsterdam, als kleine regimenten in blauw en bruin steengoed en faience opgesteld. Elk beeldje trekt, in tegenstelling tot de Egyptische versies, een eigen, tevreden gezicht. Dat zal niet het geval zijn geweest bij de hofdienaren, die later, net als in het pre-Kerma-tijdperk, in levende lijve de plaats van die beeldjes mochten innemen.

De gouden bloemensnoeren en de gouden teen- en vingerkapjes vertellen dat de mummie van zo'n Koesjitische dode bepaald niet werd verwaarloosd. Waarom hij of zij gouden cylinders meekreeg, blijft een raadsel. Maar dat ook bij leven een Nubiër een immens gezag wist uit te stralen, onthult het zwart-stenen 43 centimeter hoge beeld van een hyperatletische, beeldschone Amon-priester, die onoverwinnelijk op de toeschouwer lijkt af te lopen.

Het Koesjitische rijk zou zo'n duizend jaar stand houden, hoewel de werkelijke macht in het etnisch kleurrijke zuiden verschoof naar weer een ander stammenvolk, naar het koninkrijk van Meroë dat vermoedelijk eeuwenlang door vrouwen geregeerd werd. Zandstenen sculpturen met zowel Afrikaanse als Egyptische trekken, hielden de wacht bij hun necropolen. En in de buurt vond men ook grof gebeitelde koppen.

Die koppen lijken in de Nieuwe Kerk een beetje verdwaald te zijn, temeer omdat daar vlakbij een goudschat ligt geëtaleerd waarbij je je ogen niet kan geloven. Al dat goud komt uit het graf van de steenrijke, Meroïtische koningin Amanisjakheto. De bronzen pot die deze mooie, want zwaarlijvige vrouw meekreeg, bevatte snoeren van gouden scarabeeën, gouden hangers met 'chirurgisch' inlegwerk, en, niet te vergeten, kralenkragen, zo helder van kleur en zo geschakeerd van vorm, dat Amanisjakheto ook in het hiernamaals de show zal hebben gestolen.

Vermoedelijk heeft het Meroitische leger van diezelfde koningin in het jaar 24 voor Christus nog geprobeerd Beneden-Nubië aan zich te onderwerpen. De geschiedenis daar was een eb en vloed van veldtochten. Hoewel keizer Augustus korte metten met hen liet maken, behielden de Meroieten nog drie eeuwen lang de internationale reputatie van handelaren in exotische waren. Ze ruilden hun goud, struisvogelveren en zalven voor statusverhogende, Hellenistische hebbedingen. Na hun ondergang, in de vierde eeuw voor Christus, zou het nog zo'n veertien eeuwen duren voordat westerse reizigers enigszins in kaart gingen brengen welke ambities er in 'het land van de boog', zoals dat Nubië heette, zoal gekoesterd werden. En die waren niet gering - afgaande op met name dat ene, sublieme beeld van die vriendelijke Amon-priester.