De lussen van een dolende ridder; Cervantes' 'Don Quichot' als roman der romans

Deze week is het 450 jaar geleden dat schrijver Miguel de Cervantes werd geboren. In het Cervantesjaar herlas Kees Verheul het meesterwerk 'Don Quichot' en raakte opnieuw onder de indruk. “Onder het oppervlak van gefantaseerde ditjes en datjes maakt 'Don Quichot' duidelijk hoe het voelt om romans te lezen, romans te schrijven, een roman te zijn.”

De grootste Italiaanse schrijver van onze eeuw, Carlo Emilio Gadda, vertelt ergens over een moderne schooljongen die bij zijn confrontatie met een dichter van nu ontsteld vraagt: 'Was de Ilias dan nog niet genoeg?' Het is een anekdote die je even in de lach doet schieten maar ook achterlaat met een gevoel van gêne. Wie, speciaal in dit Cervantesjaar, bezig is de zoveelste roman te schrijven of te lezen zou zichzelf eigenlijk net zo'n vraag moeten stellen: 'Was Don Quichot dan niet genoeg?' Cervantes schreef zijn boek met de opzet om de verdere productie van ridderverhalen, het favoriete prozagenre in de zestiende eeuw, via een parodie zinloos te maken. Alle literatuurgeschiedenissen melden dat Cervantes met dit doel voor ogen als het ware bij toeval de eerste moderne roman heeft geschreven en bovendien meteen 'een van de beste' of zelfs 'de beste'. Kibbelen over Don Quichot versus Le rouge et le noir, Anna Karenina, Ulysses, zou getuigen van wansmaak - meetbaar naar geijkte normen is in de kunst alleen het tweederangse. Toch bestaat er een respectabele reden om Don Quichot te zien als de roman der romans, de belichaamde kwintessens van een genre. Kunstwerken zijn narcistisch van aard, de geslaagde het meest. Wat een sculptuur, een gedicht, een foto op het eerste gezicht weergeeft is doorgaans niet veel meer dan een voorwendsel. Het kan van alles tot onderwerp hebben, inclusief de persoon van de kunstenaar, maar verreweg het liefst en het best vertelt het over zichzelf - over de exclusieve verleidelijkheden van zijn soort, over de sterke punten van zijn anatomie, zijn afkomst.

En dat is precies wat Don Quichot doet van de eerste tot de laatste bladzij: onder het oppervlak van gefantaseerde ditjes en datjes duidelijk maken hoe het voelt om romans te lezen, romans te schrijven, een roman te zijn. - Maar waarom deze weeë aanduiding met zijn suggestie van romigheid en romantiek? Cervantes zelf heeft het noch over romance noch over novela. Wat ik bedoel heet in het Nederlands 'leesboek', een door de literatuurkritiek nog vrijwel onontdekt woord. Een leesboek is dik, het gaat over concrete maar niet-bestaande mensen en is zo geschreven dat iedere zin je nieuwsgierig maakt naar het vervolg. Het omgeeft je, binnen een scala van nu eens blije dan trieste emoties, met een continu besef van geborgenheid. Wie vatbaar is voor de werking van leesboeken ontdekt hun bestaan doorgaans omstreeks zijn tiende en blijft er levenslang naar grijpen, vaak tegen beter weten in. Het verschil tussen een boek en een leesboek is immers dat je lectuur je in het eerste geval een duurzaam inzicht oplevert maar in het tweede enkel de extase schept van tijd zonder meer - van uren, hele dagen, paradijselijk ontglippend aan je bemoeienis.

Don Quichot, Cervantes hoofdfiguur, is zelf een leesboekenverslaafde. Aan het begin van het verhaal is hij al zover heen dat hij, zoals elke verslaafde vroeg of laat, niet meer genoeg heeft aan de standaarddosis. Indien het lezen van een leesboek prikkelend is, hoe verrukkelijk moet het dan wel zijn om binnen een leesboek te léven, zonder storend gedoe rondom, zonder angst voor de afknapper na de laatste bladzij. De bibliomane kleine landheer Quejana (zo heet hij aanvankelijk, of Quijada, of Quesada - de auteur betreurt dat hij het niet exact heeft kunnen vaststellen) besluit een ridder te worden uit een verhaal. Hij verlaat zijn huisbibliotheek voor de wijde wereld en promoveert zichzelf tot 'Don Quichot', held uit een nog ongeschreven geschiedenis waarvan hij de loop naar believen kan sturen. Geen wonder dat zoveel leestypes van verschillende eeuwen, leeftijden en nationaliteiten Cervantes' werk met affectie hebben geprezen. Lezen over een collega-lezer als held van een superlees- en -leefboek waarvan de tekst in je handen niet meer vormt dan een soort uittreksel - waartoe moet dit anders leiden dan tot leesgekte in het kwadraat? Borges heeft er herhaaldelijk op gewezen dat de roman Don Quichot je telkens onbewust doet uitzien naar een passage - hier of in een ander boek - over jou persoonlijk. Don Quichot blijkt tegelijk lezer en onderwerp van een fictief verhaal te kunnen zijn. Dus wie weet ben ook ik, anonieme lezer, wel een romanfiguur...

Reisverslag

Het grondprincipe van fictie is verplaatsing. Een leesboek verplaatst zijn lezer naar een alternatieve werkelijkheid, de lezer zelf verplaatst zich in de figuren die hij daar tegenkomt. Anders gezegd, elke roman, ook die over het lief en leed van thuiszitters, is een reisverslag - het paradoxale reisverslag van de lezer, roerloos op weg door het imaginaire. In verhalen met een uitgesproken narcistische inslag - verhalen over verhaal zijn - worden doorgaans ook de figuren waarin de lezer zich verplaatst mobiel. Zeilschepen, vliegende tapijten, paarden, fiacres, auto's, internationale expressen - er bestaat nauwelijks meeslepende vertelkunst waarin een hoofdfiguur niet letterlijk, zoals de lezer in zijn fantasieën, wordt vervoerd. Mijn Spaanse Don Quijote bevat een nagedrukte achttiende-eeuwse landkaart waarop de reisroutes van Cervantes' held zijn gereconstrueerd. Bizarre lussen, allemaal beginnend en eindigend bij het ongespecificeerde 'dorp in La Mancha', waar Quejana alias Don Quichot woont. Het blad met deze figuren heb ik elke keer dat ik het boek inkeek opengevouwen. Min of meer tot mijn eigen verbazing - informatief heb je er weinig aan. Maar opeens zag ik de symboliek, waarschijnlijk nooit bedoeld door de tekenaar. Hier lag de essentie van al die duizend pagina's voor me, gestileerd tot embleem.

Don Quichot, opgestaan van zijn boeken, kiest voor de rol van 'dolende ridder'. Het gevolg is voor hem rusteloze beweging van avontuur naar avontuur - beweging met het doel in zichzelf en met maar één zekerheid: de constante nadering van het onvoorziene. Vanaf het moment dat Quejana zijn huis verlaat, uitgedost als caballero errante, gaat niet alleen hij maar alles rondom hem dolen. De roman wordt een dolend boek met onverwachte ontwikkelingen bij vrijwel ieder nieuw hoofdstuk; met door niemand geplande ontmoetingen tussen Don Quichot en een staalkaart van Spaanse types, zwervers als hij; met zijpaden van de eigenlijke geschiedenis, die lezers zonder de juiste instelling tot radeloosheid brengen; met syntactische dwaalwegen zelfs binnen het traject van de meest voor de hand liggende formulering. Ook de lezer aan wie de eigenaardigheden van Don Quichot goed besteed zijn ontwikkelt in zijn brein iets errants. En de schrijver? Dat zijn held in heel Europa een geliefd onderwerp voor grafici is geworden, is bekend. Maar de reden? Sympathie, naar je mag aannemen, voor de sneue idealist (de gangbare bron van Don-Quichotliefde sinds de romantiek). En de attractie van een extreem mager lichaam, een net-nog-geen lijn verdubbeld door een pure lijn (Don Quichots lans) en tegengesteld aan rondingen (Sancho Panza's hoofd, buik, achterste en bagage). Toch gaat het denk ik om meer dan abstracte vormen. Is Don Quichot met zijn verticaliteit niet het bezielde beeld van een schrijf- of tekenpen? Van een bijna pen geworden mens die een kolossale pen voert, en, vergezeld van een inktpot, lussen trekt over het vlak van centraal Spanje? Vindt u dit gezocht, denk dan aan de gloedvolle zin in Cervantes' boek waarmee de fictieve auteur Sidi Hamete (tegenhanger van de fictieve lezer Don Quichot) afscheid neemt van zijn pen, zoals een klassieke dichter van zijn lier: 'Hier blijf je hangen, aan deze haak en aan dit ijzerdraadje, mijn welversneden of slechtgesneden ganzenpen, en hier zul je vele eeuwen wonen...' Denk ook aan dit aforisme uit Heines Don-Quichotessay van 1837: 'Die Feder des Genies ist immer grösser als er selber.' Heine, die veel met Cervantes gemeen had, herkende in het duo Don Quichot - Sancho Panza overigens nóg een oerbeeld uit het boekwezen: de door zijn ideeën voortgedreven en uitgemergelde auteur in het onontbeerlijke gezelschap van zijn welgedane uitgever.

Stuifzand

En nu ik toch aan het citeren ben, Ortega y Gasset heeft in zijn Quichotmeditaties over de luchtspiegelingen 's zomers in La Mancha als verticaal element in het vlakke landschap. Het drogbeeld van koel water, teweeggebracht door zonlicht en stuifzand, lieert hij aan het voortdurende conflict in Cervantes' verhaal tussen Don Quichots ficties en zijn werkelijke omstandigheden. Net als het stof in La Mancha komt de realiteit, plat en onverzettelijk van nature, in de roman telkens tot beweging. Het lagere verheft zich, laat het illusoire uitkomen van elke fantasie en speculatie, dwarrelt dan weer neer. Met andere woorden, het overheersende principe in Don Quichot is volgens Ortega steeds hernieuwde movimiento in de zin van geestelijk rijzen en dalen. - Alleen geestelijk? Je zou hetzelfde principe kunnen opvatten als bepalend voor het fysieke ontstaan van Cervantes' boek. Rijzen en dalen, hij moet het zijn pen honderdduizenden malen hebben zien doen voordat hij het manuscript van Don Quichot klaar had voor de zetter, deel een eind 1604, deel twee tien jaar later.

Van Cervantes is geen authentiek portret bewaard gebleven. Terwijl zelfs analfabeten het uiterlijk van Don Quichot kennen is zijn uitvinder bij mijn weten de enige grote auteur zonder gezicht. Het enige concrete spoor van Cervantes' fysieke bestaan is zijn handtekening onder een paar akten. Misschien komt het door de indruk van

en vooral:

dat ik de lussen van Don Quichots routes ben gaan opvatten als een embleem. Velen hebben de ridder met het droeve gelaat opgevat als Cervantes' zelfportret. Maar zou het niet zinniger zijn Cervantes' constructie van dwaalwegen te begrijpen als zijn paraaf? Zijn volumineuze boek over een dolende fantast als een handtekening met recordlengte?

Deel II bevat een hoofdstuk waar Don Quichot in Barcelona, het keerpunt van zijn laatste route, een bezoek brengt aan een drukkerij. Hij bewondert het werk op de correctiekamer, hij discussieert over vertalingen en ontdekt in een hoek het persklare zetsel van Don Quichot, deel II - niet de versie die je zit te lezen maar een vervalsing. Dat het genre van de roman verband houdt met de boekdrukkunst is vaak opgemerkt.

De mogelijkheid van literaire massaproductie via mechanieken riep in Cervantes' tijd als het ware het ideale leesboek te voorschijn met een bijpassend publiek, verslaafd aan fictie - min of meer zoals de micro-elektronica in onze tijd bezig is de gerespecteerde leesdrift van weleer te laten slinken tot een malle gewoonte van the unhappy few. Hoe dan ook, het lijkt geen toeval dat Cervantes zijn spel met een boek over boeken lezen en boeken maken ad absurdum voert op de bovengenoemde plek. Eerder in hetzelfde hoofdstuk komt een beschrijving voor van wat je zou kunnen benoemen als voorloper van een radio- of telefoontoestel. In een salon te Barcelona staat, op een tafel met een breed voetstuk, een stenen buste die antwoord geeft op vragen, onder meer van Don Quichot. Cervantes verklaart de werking aldus. De orakelkop is hol, evenals de tafelpoot, en staat in verbinding met een souterrain waar iemand via een buis onzichtbaar luistert en spreekt. Het ware wonder van deze scène is dat de sfeer van magie door de technische uitleg niet wordt bedorven. Het onverklaarbare blijft, begrepen, een wonder. Een wonder van inventiviteit.

Don Quichot is voor alles een ingenieus boek. Een roman over een figuur die op de titelpagina wordt aangeprezen als 'vernuftig' en wiens geschiedenis de uitersten laat zien (en de soms onontwarbare samenhang) van waanzin en wijsheid, fantasie en berekening. Zoals het gedaas van de lectuurconsument Don Quichot telkens wordt afgewisseld door opflakkeringen van zijn praktische besef, toon Sancho's boerenslimheid zich steeds vatbaarder voor fraaie maar loze praat. In feite beconcurreren de twee elkaar met hun intelligentie, de een van uit het prae van zijn belezenheid, de ander met het voordeel van een onbedorven geest. Het eindeloze welles en nietes van hun gepalaver op hun gezamenlijke tocht door de grote wereld maakt hen tot een duo, aangewezen op elkaars weerwerk. Het verleent ook iets onverwisselbaars aan de gang van Cervantes' proza, waarvan de motoriek onlangs door Barber van de Pol in het Nederlands voor het eerst raak is getroffen. Eén been, dan een ander, stap na stap voorwaarts in telkens zoek en telkens hervonden evenwicht, min of meer conform de tred van Don Quichot en Sancho Panza's viervoeters. Zie bijvoorbeeld de bovengeciteerde zin uit de afscheidsode van de auteur aan zijn schrijfgerei. Als ironische variant op een aloud dichterscliché is hij origineel genoeg. Maar vanwaar toch dat moment van twijfel opeens, die depressieve tussengedachte: 'mijn welversneden of slechtgesneden ganzenpen'? De zin herstelt zich hierna onmiddellijk met het trotse vooruitzicht, in poëtische trant, van eeuwenlang ongestoord beroemd te zullen blijven. Maar dan volgt een nieuwe wending - ergernis over toekomstige naäpers: 'hier zal je vele eeuwen wonen, tenzij ingebeelde, schurkachtige geschiedschrijvers je er afhalen om je te misbruiken.' Een zijstapje dat een eerste stap wordt in een nieuwe richting - naar mijn indruk bepaalt dit telkens terugkerend effect het animo waarmee je Don Quichot blijft volgen. De avontuurlijkheid van geest waarmee de auteur zich afwisselend door invallen laat leiden en ze bijstuurt, houdt je nieuwsgierig naar een tekst, even soepel als onvoorspelbaar.

Menselijke warmte

Een intelligent boek dus. Maar is het ook een aardig boek? Wanneer je Don Quichot legt naast het werk van Shakespeare, zoals iedere bewonderaar van deze twee tijdgenoten vroeg of laat doet, treft meteen de geringere menselijke warmte in de Spaanse roman. Bij Cervantes lijkt alles gericht op ambitie - de lust om de beste te zijn en breeduit te genieten van het schouwspel hoe een ander verliest. Don Quichot probeert met zijn fictie van ridderschap de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. Hij is het type van patiënt die zijn omgeving manipuleert met behulp van zijn al dan niet voorgewende krankzinnigheid. Soms lukt het hem, soms raakt hij in het nauw. In beide gevallen mag de lezer, even veilig in zijn stoel als de toeschouwers op de beschutte tribune bij een corrida, om de situatie lachen. In het tweede deel van Don Quichot is de strijd gecompliceerder. Er zijn nu romanpersonages die Deel I hebben gelezen. Door listig mee te spelen met Don Quichots waanzin ontnemen ze hem zijn voorsprong, worden zíj de manipulatoren. Maar wie is de slimste van allemaal? De auteur natuurlijk, die tot de punt achter de slotzin iedereen, inclusief de lezer, heeft kunnen manipuleren en nu zijn ganzenveer mag ophangen in de hoop de concurrentie voor een eeuw of wat te hebben uitgeschakeld.

Toch boeit Don Quichot niet alleen machtfreaks en verstandsmensen. Cervantes' roman was bedoeld en is effectief gebleken als leesboek voor iedereen. Een machinaal vermenigvuldigde tekst is nu eenmaal van nature een massa-artikel met als gewenste eigenschap: universaliteit. 'Kinderen bladeren het door, jongelui lezen het, volwassenen begrijpen het en bejaarden prijzen het', zegt een van de latere personages met recht over Deel I. Veel moderne critici hebben de auteur gewaardeerd om zijn zin voor karakterontwikkeling. Maar wat mij bijna nog indrukwekkender lijkt is de evolutie van het boek zelf. Don Quichot belichaamt een proces van humanisering. Wat begint als primitieve lol om het gehannes van een halvegare, wordt zonder kennelijke opzet en zonder dat je de verschuiving merkt, tot een exploratie van leed. De kluchtige hoofdfiguur groeit uit tot een stakker met vlagen van superieure wijsheid. Tot een voorbeeld van lijden. Bijna tot een Christusfiguur (allerlei motieven uit het Passieverhaal laten zich in Don Quichot herkennen: triomfale intocht, bespotting, pijniging, afdaling). En wat de eerdergenoemde eindzege betreft van de auteur-manipulator: een lezer die de grondtoon registreert van Deel II kan er met de beste wil maar half in geloven. De van hoofdstuk tot hoofdstuk toenemende melancholie rondom Don Quichots ondergang (samengevat in het sleutelwoord desencanto, letterlijk onttovering maar ook ontgoocheling, desillusie) is te duidelijk gebaseerd op meer dan alleen inlevend mededogen. Cervantes was over de zestig toen hij aan het vervolgdeel begon, hij overleed binnen een half jaar na de publicatie. Ik neem aan dat Spaanse trots hem heeft belet bij zijn laatste prestaties in het openbaar ook maar een spoor te tonen van tranen om het gedwongen afscheid. Misschien dat hierdoor het besef van absoluut verlies, met elke komma dichterbij en door geen hocuspocus te voorkomen, zo onthutsend voelbaar is beneden Cervantes' humor en militante vakmanschap in het slotdeel van zijn roman.

Zijn laatste zorg geldt de lezer. Want wat overkomt u en mij terwijl Quejana sterft en de auteur zich terugtrekt? Mensen afhelpen van een verslaving aan ridderboeken of andere fictie - misschien wilde Cervantes dit inderdaad toen hij begon aan Don Quichot. Maar dat de schrijver na achthonderd bladzijden nog zin had in zoiets beperkts is ondenkbaar. Wat hij wel doet is ons zachtzinnig terugbrengen naar onze stoel. Vakkundig 'onttoverd' na onze reis, net als Don Quichot - alleen zonder diens dodelijke ontgoocheling - zijn we weer redelijk tevreden met onze zitplaats. Klaar om overeind te komen en bezig te gaan met iets alledaags. Tijdelijk. Want we blijven uiteraard leesgekken en morgen wacht ons een nieuwe roman, zo niet van Cervantes dan wel van Gadda of Connie Palmen.

Dieren en dingen

Tegemoetkomend toont Cervantes zich ook naar dieren en dingen. Wat je onthoudt van Don Quichot is, haast nog meer dan de personen en hun onderling geharrewar, het decor plus honderden attributen. Een complete bezielde en onbezielde buitenwereld die deel heeft aan het mensengedoe maar daarbij niets verliest van haar andere zijn. Cervantes is in staat deze wereld op te roepen met mensentaal en tegelijk recht te doen aan haar sprakeloosheid. Flaubert, kampioen van de beschrijvingskunst, noteerde jaloers over Don Quichot: 'Comme on voit ces routes d'Espagne qui ne sont nulle part décrites.' Schrijvers kunnen van Cervantes leren hoe je een voorwerp aanschouwelijk maakt - niet door omstandig te formuleren hoe het er uitziet maar door het terloops te noemen in het juiste verband, met de juiste details, of door er een verhaaltje omheen te verzinnen. Wat jammer dat uitgerekend Don Quichot meestal verschijnt in luxe-edities vol prenten, die alles wat Cervantes ons etherisch voortovert wegvagen door hun genadeloos zwart op wit (soms bovendien nog met 'fouten' ten opzichte van de tekst, zoals bij Doré)!

Neem de beroemde windmolens waar Don Quichot tegen vecht. Een getekende molen blijft het doodse ding, van die en die vormen, dat je al kende vóór het verhaal. Of het wordt expliciet de mensfiguur met zwaaiende armen die Don Quichot er in wil zien. Voor wie leest en de plaatjes negeert gebeurt er iets anders. De molens blijven (Spaanse) molens maar tijdens je lectuur bestaan ze enkele graden intenser dan normaal en bij de aanblik van een echte molen glimlach je voortaan: Don Quichot. Ander voorbeeld. Wat is er bijzonder aan een ouderwets scheerbekken? Wanneer je leest hoe Don Quichot er een legendarische ridderhelm in meent te herkennen en hoe Sancho Panza reageert op het schouwspel van zijn meester, getooid met deze 'helm' wordt het gebruiksvoorwerp niet, zoals op de prenten, zomaar een komisch hoofddeksel maar een vertrouwd object waar je vreemd genoeg nooit goed naar had gekeken.

Een SCHEERBEKKEN.

De laatste apotheose van dit type valt in Don Quichot te beurt aan iets waar ik het hierboven al over had, de pen van de auteur. Ik citeer de aanhef van de slotrede uit Deel II opnieuw, nu in de voorafgaande Nederlandse vertaling, door Werumeus Buning en Van Dam, die mij in één opzicht mooier lijkt want een fractie exacter: 'Hang dan hier aan deze plank en dit ijzeren draadje, mijn ik weet niet of ik moet zeggen velversneden of slecht versneden ganzenpen...' ('Aquí quedarás, colgada desta espetera y deste hilo de alambre, ni sé si bien cortada o mal tajada péñola mía...') Een recente Spaanse uitgave geeft als verklaring bij espetera 'plank om keukengerei aan op te hangen'.

Elk behoorlijk leesboek schept de gewaarwording dat je zintuigelijk meebeleeft wat erin wordt verteld. Maar ik ken er geen dat je, zoals Don Quichot, bovendien tot onder je huid laat meevoelen met wat voor gereedschap, met welke vinger- en polsbewegingen en tussen wat voor huisraad, het verhaal op schrift werd gesteld.