De farao en de prins; Portret van Gottfried Benn en Else Lasker-Schüler

Helma Sanders-Brahms: Gottfried Benn - Else Lasker-Schüler. Rowohlt Berlin, 191 blz. ƒ 47,60

'Ze at onregelmatig, ze at heel weinig, vaak leefde ze wekenlang van noten en fruit. Ze sliep vaak op parkbanken en ze was altijd arm. (...) Dat was de Prins van Thebe, Jussuf, Tino van Bagdad, de zwarte zwaan. En dit was de grootste dichteres die Duitsland ooit gekend heeft.'

Zo herdenkt de dichter Gottfried Benn in 1952, vier jaar voor zijn dood, zijn voormalige collega en liefdesvriendin Else Lasker-Schüler. In 1912 leerden de twee elkaar kennen, ergens in de metropool Berlijn, waar beiden opwinding zochten en inspiratie en roem. De domineeszoon Gottfried probeerde zich er te ontdoen van de stijfheid die hij van huis uit had meegekregen; de zeventien jaar oudere Else zat er dag en nacht aandacht te trekken in rumoerige cafés. Daar poseerde zij, met kortgeknipt haar en rinkelende arm- en enkelbanden, als Tino van Bagdad en als de oriëntaalse Prins Jussuf van Thebe.

Jussuf, afgeleid van de bijbelse Jozef: dat is een mooie rol. De door zijn broers verkochte Jozef schopte het aan het hof van de farao immers tot ziener en vertrouweling van de Egyptische heerser. Lasker-Schüler beschouwt zichzelf eveneens als verschoppeling èn uitverkorene. Ze is joods, ze is anders, ze is een unicum. En zodra ze verliefd wordt op Gottfried Benn transformeert ze hem tot farao. Ze dicht: 'Sein Königskopf ruht an meiner Schulter, Die strömt Korngeruch aus. Pharao ist von Gold. Seine Augen gehen und kommen Wie schillernde Nilwellen... (Zijn koningshoofd rust tegen mijn schouder,/ Die geurt naar graan.// Farao is van goud./ Zijn ogen gaan en komen/ Als schitterende Nijlgolven. Veel is geschreven over Else Lasker-Schüler en over Gottfried Benn, maar een biografie over hen samen las ik niet eerder. In de nieuwe reeks Paare bij Rowohlt (leverbare titels onder andere: John Lennon - Yoko Ono, Marilyn Monroe - Arthur Miller, John F. und Jacqueline Kennedy) vermengt biografe Helma Sanders-Brahms de levens van háár protagonisten tot een dubbelportret waar Else net iets mooier op staat dan Gottfried Benn.

Voor Sanders-Brahms is Lasker-Schüler een toonbeeld van vrouwelijke durf en onafhankelijkheid. Een jong meisje trouwt met een keurige man, een arts genaamd Berthold Lasker, die haar geen vreugde brengt: 's Nachts', dicht de jonge Else, 'beefde ze onder zijn lippen, want die waren koud (...) en vol wellust.' De bankiersdochter uit Elberfeld, Ruhrgebied, verlaat Lasker en zijn fraaie Berlijnse huis en trekt alleen de grotestadsjungle in, zonder geld, daar ze de financiële steun van man en vader weigert.

Haar bastaardzoon Paulchen sleept ze mee van zolderkamer naar parkbank naar kroeg, haar aandacht verdelend over hem, haar poëzie en andere mannen - ze neemt zelf het initiatief op liefdesgebied, ook tijdens haar tweede huwelijk, met de dichter en cultfiguur Herwarth Walden. Een moedige vrouw die als geen ander in staat is tot liefhebben: uitsluitend in warme tinten schildert Helma Sanders-Brahms haar Else. En tegenover deze warme, oprechte, speelse en vrijgevochten meid zet ze de kille, verwrongen Gottfried Benn.

Niet dat ze Benn veroordeelt. Een jeugd in een sombere plattelands-pastorie ìs ook geen pretje, en zeker niet met ouders die bang zijn voor hun eigen emoties. Sanders-Brahms vindt het alleen jammer dat Benns pogingen tot zelfbevrijding zo halfslachtig gebleven zijn. Hij had een voorbeeld kunnen nemen aan Else Lasker-Schüler en domweg kunnen doen waar hij zin in had. Hij had Else Lasker-Schüler nooit de rug toe moeten keren.

Helma Sanders-Brahms weet het zeker: in het gezelschap van Else Lasker-Schüler was Gottfried Benn vrijer en liefderijker, kortom gelukkiger dan ooit. 'Du - Glück -' stamelt hij in een gedicht uit dat mooie jaar 1912, en de anders zo geserreerde dichter lijkt zich er niet voor te schamen. Dat dit totaal verschillend geaarde paar zulke intense liefdesmaanden met elkaar beleefde, zegt Sanders-Brahms, heeft niet alleen te maken met een fascinatie voor elkaars fysiek (het joodse uiterlijk van Lasker-Schüler moet de blauwogige en steil protestants grootgebrachte Benn aangetrokken hebben als een verboden vrucht), maar ook met wederzijdse artistieke waardering.

De gelieven discussieerden hartstochtelijk met elkaar over hun voor die tijd gewaagde gedichten, ze luisterden naar elkaars oordeel, ze begrepen en bewonderden elkaar. Na Else Lasker-Schüler vond Gottfried Benn geen vrouw meer die aan hem gewaagd was. Àls hij ooit nog een liefdesgedicht maakte ging dat eerder over Else dan over een van zijn recente veroveringen. En Edith Osterloh, zijn eerste echtgenote, stierf aan verwaarlozing en barre eenzaamheid: 'Die dich streift / stürzt ab' (wie jou schampt/ stort neer). Ook Lasker-Schüler, de schrijfster van deze regels, stortte neer toen Benn haar in de steek liet - alleen had zìj als laatste strohalm nog haar poëzie.

Natuurlijk berust de reconstructie van een liefdesgeschiedenis nooit helemáál op feiten. Er blijft altijd een marge voor speculatie, voor vragen waarop geen antwoord bestaat. Sanders-Brahms vraagt zich bijvoorbeeld af of het dokter Benn was die Else eens aborteerde, en zo ja, waarom deed hij dat? Was hij bang om te worden opgezadeld met een joods kind? Van Benns antisemitisme is Sanders-Brahms diep overtuigd.

Terwijl - en dit is inderdaad een feit - Else Lasker-Schüler in 1933 uit Duitsland vlucht, zet dokter Benn daar rustig zijn praktijk voor huid- en geslachtsziekten voort. In de biografie lezen we dat hij de brutaliteit van de nazi's begroette als een soort oer-energie die voor De Grote Vernieuwing zou zorgen. Benns blindheid laat de schrijfster hier mooi contrasteren met Lasker-Schülers helderziendheid. Vèr voor 1933, zo betoogt Sanders-Brahms, had Lasker-Schüler Benn in haar gedichten al een barbaar genoemd. Toch kon zij haar vroegere lief na 1933 niet haten, ze was alleen maar treurig: 'Und deine Lippe, die der meinen glich, is wie ein Pfeil nun blind auf mich gerichtet'.

Later wendde Benn zich van de nazi's af, zoals ook zij zich van hem hadden afgewend, maar de wond die de farao zijn Prins Jussuf had toegebracht wilde niet meer genezen. In Israël, Else Lasker-Schülers vluchtland, verouderde zij snel en de mannen lachten haar uit als zij avances maakte. Ze stierf nog vóór het eind van de oorlog, op 22 januari 1945. En Gottfried Benn? Die kreeg in 1951 de prestigieuze Georg-Büchnerprijs. Toen was het voor hem niet meer zo riskant om alsnog een grafrede te houden ter ere van de joodse dichteres die zoveel voor hem had betekend.

De tragiek van deze liefde heeft Sanders-Brahms gelukkig niet verleid tot al te irritante sentimentaliteiten. De schrijfster, die ook naam maakte als filmregisseuse, houdt haar zinnen doorgaans kort en helder, vermijdt gemakzuchtige anekdotiek en bedeelt zichzelf de bescheiden rol toe van arrangeur. En juist in dat arrangeren, in het samenvoegen en tegenover elkaar zetten van stemmen, in het monteren dus, juist daarin schuilt haar kracht.

Dat de ene hoofdpersoon iets meer goodwill krijgt dan de andere zullen we haar vergeven: Benn, de ijselijk vormvaste auteur van de lijkenhuisbundel Morgue, was van de twee wellicht de betere dichter, maar Lasker-Schüler met haar heftige liefdesgedichten was vast en zeker de betere mens.