De begaafde tante

Toen ik hoe lang geleden alweer hoorde dat Hugo Brandt Corstius de P.C. Hooftprijs (staatsprijs voor literatuur, groot ƒ 10.000,-), zou krijgen, dacht ik: Eindelijk! Voor het eerst sinds ik belasting betaal, zie ik dat mijn geld goed wordt uitgegeven. De minister van cultuur, Elco Brinkman, dacht er anders over.

Waaraan of aan wie hij het geld had willen geven, heeft toen niet zoveel stof doen opwaaien dat ik het me nog herinner. In ieder geval ontstond er een nationaal rumoer, waarin de exegeten van Thorbecke aantraden om uit te leggen wat hij met 'Kunst is geen regeringszaak' had bedoeld. Een van de partijen heeft gewonnen en de gedoodverfde laureaat kreeg zijn geld.

De uitspraak van Thorbecke is als de Komeet van Halley in de Nederlandse cultuur. Telkens als er belastingcenten naar de kunst gaan, dreigen te gaan, verschijnen de woorden van de grote liberale staatsman (d.g.l.s.) aan het uitspansel. Over het algemeen zie je drie partijen. Er is de partij van het hogere, die zegt dat de maatschappij de kunst even hard nodig heeft als het dagelijks water en brood, en dat het dus de plicht van de staat is in die levensbehoefte te helpen voorzien. Er is de partij van de mensen die zelf kunstenaars kennen. Ze weten dat die het geld goed kunnen gebruiken, en dus zijn ze ervoor. En er is de partij van de omwonenden die zich ergeren. Wordt op een pleintje door een gemeente een beeld neergezet dat op een kurkentrekker lijkt, of het museum schaft zich een schilderij aan dat ook ondersteboven kan worden gehangen, dan profileert zich de partij van de omwonenden. 'Dit kan mijn tante ook, of beter'; verderop woont iemand die er een maagzweer van heeft gekregen, en dat kan toch niet de bedoeling van onze belastingen zijn; en heeft d.g.l.s niet gezegd dat? Enz.In dit debat vindt ik de partij van de omwonenden de interessantste.

Nader bekeken bedienen ze zich van twee redeneringen. De eerste is de economische. Kunst is een bedrijftak, de kunstenaar daarin een kleine zelfstandige, die zich als iedere kleine zelfstandige zelf moet zien te bedruipen. (Je ziet hoe de dichter aan zijn schrijfmachine zichzelf zit te bedruipen). Als de kunstenaar iets maakt dat door de markt niet wordt gewild, moet hij daarvan niet de markt de schuld geven, maar ander werk gaan doen. Dat is de eerste redenering. De tweede komt er tenslotte altijd op neer, dat kunst begrijpelijk moet zijn, en liefst gezond. Voor wie? Voor degene die zich van deze redenerig bedient. En die blijkt dan altijd weer iemand te zijn met een begaafde, kerngezonde tante. In de tweede redenering schemert ook altijd een zekere trots door: over eigen onwetendheid. Toscanini? Was dat niet die trompettist in een Italiaans fanfarekorps? Sartre? Die man met dat gekke oog ga ik niet lezen. Ook wordt altijd afkeer beleden van de 'highbrow'. Wat is een highbrow? Iemand die de anderen bij voorbaat met opgetrokken wenkbrauwen aankijkt. Geen slechte gewoonte, want op zo'n manier kan het altijd nog meevallen. Voor de omwonende is een highbrow iemand die thuis alle schilderijtjes ondersteboven aan de muur heeft hangen. Dat moet hij, volgens het woord van d.g.l.s. zelf weten, maar voor dit pleziertje mag hij geen cent van de belastingen der omwonenden hebben.

Uit een vorig nationaal treffen over kunst en belasting herinner ik me een opmerking van mr.G.B.J. Hiltermann. Kunst, schreef hij ongeveer, wordt geboren in koude zolderkamertjes van vervallen huizen in schemerige sloppen. Dat vond en vind ik een aardige, romantische opvatting. Mr. G.B.J. is dan ook een ouderwetse romanticus, met orthodoxe opvatingen over Parijs, de bohème, de negentiende eeuw. Toen hij die woorden schreef, stelde hij zich voor hoe Zola zijn loopbaan was begonnen, hoe Xavier Forneret om erkenning heeft moeten vechten. Dat heeft niets met de economie van de fiscus te maken; het is romantiek puur. Zo heb ik het tenminste opgevat.

J.C. Bloem heeft eens tegen een lid van de partij der omwonenden gezegd: Van jouw geld maken ze de riolen schoon, en van het mijne planten ze de bloemetjes in de perken. Dat was het commentaar van een dichter. Objectief is het veel beter voor het volk dat het geen verstopte riolen heeft dan dat er bloemen in het park staan. En zo zou het ook weleens kunnen zijn dat de meerderheid van het volk de P.C. Hooftprijs liever aan de auteur van het lied We zijn er bijna maar nog niet niet helemaal had willen uitreiken dan aan de auteur van de Opperlandse taal- en letterkunde. Maar zo gaat het nu eenmaal met de jury's die staatsprijzen uitreiken: je kunt ze niet vertrouwen. Voor je het weet hebben ze je belastingcenten weggegeven aan een highbrow type van wie je nooit hebt gehoord of van wier geknoei je niks snapt, of die iets maakt dat je tante beter kan.