Alsof je kijkt van de achterplecht; Gesprek met de componist Otto Ketting

Het Haagse 'Festival in de Branding', dat dinsdag begint, is gewijd aan de componist Otto Ketting. “Een componist die alleen thuis zit te componeren is een onding”.

Festival in de Branding: 7 t/m 18 okt. Den Haag. Inl.: 070-3609810 Gestold koraal, filmportret van Otto Ketting door Kees Hin: 13 okt. 23.08 uur NPS Ned 3.

“Nee, ik wil het niet hebben over Nederlandse muziek, dat heeft niets met mijn eigen muziek te maken”, begint Otto Ketting (62) het gesprek, nog voor het onderwerp aan de orde is gesteld. Wat de componist schreef over de niet of nauwelijks gespeelde Nederlandse muziek en het slechte functioneren van de Nederlandse orkesten, is al lang geleden gebundeld in De ongeruste parapluie - notities over muziek 1970-1980. De titel is ontleend aan een anekdote over Erik Satie, die zijn paraplu miste en zei 'Mijn parapluie moet erg ongerust zijn, dat hij mij verloren heeft.'

Ketting schreef met dezelfde lichte ironie als van het Satie-citaat over het muziekleven in de tijd van Tomaat en Notenkrakers. 'Wij onderscheiden twee publieken. Het eerste is er nu ook nog, het tweede wordt gevormd door degenen die er niet zijn. Omdat het tweede groter is dan het eerste, en het eerste steeds kleiner wordt, is het tweede - dat er niet is - belangrijker.'

Een aantal van zijn stukken en artikelen, waaronder twee afleveringen van 'Hollands Dagboek' uit deze krant, is nu herdrukt in Time Machine. De titel is die van zijn bekendste en vaakst uitgevoerde werk, voor blazers en drie slagwerkers uit 1972. Het boek verschijnt ter gelegenheid van het Haagse 'Festival in de Branding', dat vanaf dinsdag is gewijd aan de muziek van Otto Ketting, films waarvoor hij muziek schreef, en het werk van componisten en schrijvers die hij bewondert.

Otto Ketting, die als trompettist in het Residentie Orkest werkte, vindt dat een componist zich actief in de maatschappij en het muziekleven moet opstellen: de muziekpolitiek beïnvloeden, dirigeren, besturen, schrijven, spelen of ideeën spuien over programmering. En componeren: “Mijn collages waren verpakte kritiek op het muziekleven. Ik liet musici dingen doen die ze altijd deden, alleen op de verkeerde plaats. Zo was ik verzekerd van een goede uitvoering, ook van Collage nr 9 (1963) door het Concertgebouworkest. De koperblazers en het slagwerk klonken fantastisch, maar ze hadden niet door dat ze bezig waren met een absurd toneelstukje: opkomen, stemmen, afgaan - precies wat ze altijd doen.

“Ik was in het Stedelijk Museum op het idee gekomen door een constructie van Tinguely, een machine die zichzelf vernietigde. Ik wilde zien of dat ook met een orkest kon, door te laten zien wat de strijkers toen in de pauze deden: klaverjassen, in rokkostuum. Maar dat ging hen iets te ver.”

Hoewel Ketting niet wil praten over de muziekpraktijk, komt toch telkens het gesprek er weer op. “Een componist die alleen thuis zit te componeren is een onding. Je moet niet aan de zijlijn kritiek blijven hebben. Niet roepen 'Eruit met die rechtsbuiten', want die kan toch meestal beter voetballen dan het publiek. Ik heb meegemaakt dat ik twee jonge componisten nog aan elkaar moest voorstellen. Iedereen zit in zijn eigen cocon en isoleert zich van zijn collega's, waardoor je iets krijgt van 'ik tegen de hele boze buitenwereld.'

“In mijn generatie was er toch altijd een saamhorigheid, we trokken samen op. De ruzies speelden zich vooral af in de publiciteit en de onderlinge band is gebleven. Ik ben nog steeds bevriend met Jan van Vlijmen, Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen, Peter Schat. Ik ben het soms niet met hen eens, maar hoewel iedereen ja en amen zegt tegen Reinbert, zeg ik mijn mening tegen hem.”

Volgens Ketting is er sinds zijn artikelen weinig of niets veranderd in de Nederlandse symfonische orkestpraktijk. Wat hij toen schreef geldt nog steeds, ook al werd in het afgelopen Holland Festival voor het eerst het vrijwel complete oeuvre van Matthijs Vermeulen gespeeld. Zelf is Ketting niet gaan luisteren. Hij heeft de Vermeulen-cd's zelf gemonteerd en samengesteld, hij kent Vermeulens muziek al decennia. Het zint Ketting overigens niet dat staatssecretaris Nuis de orkesten nu dwingt minstens zeven procent Nederlandse muziek te spelen. “Als ze het niet zelf en uit overtuiging doen, heeft het geen waarde.”

Onzichtbaar koor

We spreken elkaar in café Dantzig, onder de Amsterdamse raadszaal in de Stopera. Het is elf jaar en één dag geleden dat het naastgelegen Muziektheater werd geopend met de opera Ithaka van Otto Ketting. Sindsdien is Ketting daar niet meer teruggeweest. Hij kan zich nog steeds boos maken over de manier waarop zijn werk werd uitgevoerd. “Aan de belichting was door technische problemen nauwelijks gewerkt. Om die enorme ruimte te vullen had ik in Ithaka grote koorpartijen gecomponeerd, maar regisseur Franz Marijnen plaatste het koor onzichtbaar achter het decor. Het orkest was niet te horen. Louis Andriessen heeft, heel verstandig, de muziek van De Materie en Rosa laten versterken.”

Dat Ketting zich nu toch in de Stopera bevindt (“maar ik ben niet in de zaal geweest!”) komt omdat hij 's morgens bij het Nederlands Balletorkest heeft overlegd over het uitvoeren van de oorspronkelijke muziek van Matthijs Vermeulen bij het openluchtspel De Vliegende Hollander. De wereldpremière vindt plaats op de tweede avond van zijn festival.

Otto Ketting en filmer Kees Hin vonden Vermeulens muziek op 78-toerenplaten in het Leids studentenarchief, samen met de originele partituur en een filmregistratie van de première. De Vliegende Hollander, op tekst van Martinus Nijhoff, is in 1930 één keer uitgevoerd door studenten aan de Kagerplassen. Vermeulens muziek, die voor een amateurorkest veel te moeilijk was om te spelen, werd op de plaat gezet in Parijs. In het festival wil Ketting komen tot een 'reconstructie'. Ook de kritiek van componist Willem Pijper op het werk zal weerklinken, gesproken door acteur Gijs Scholten van Aschat.

Het mythische thema 'De Vliegende Hollander' - de kapitein die in vliegende storm de duivel te hulp riep om het leven te behouden en sindsdien al eeuwen over de zeeën zwerft zonder te kunnen sterven - past bij Otto Ketting. Niet alleen het libretto van zijn opera Ithaka maar ook zijn oeuvrelijst bij Donemus laat hij voorafgaan door het gedicht van Kaváfis: Houd altijd Ithaka in gedachten./ Daar aan te komen dat is je bestemming./ Maar overhaast de reis volstrekt niet./ Beter dat die vele jaren duren zal,/ en dat je, oud al, landen zult op het eiland,/ rijk met alles wat je onderweg hebt gewonnen,/ niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom geven zal.'

Kale muziek

Die reisthematiek komt terug in vier stukken die Ketting de laatste jaren heeft geschreven: De Overtocht (1992), Het Oponthoud (1993), De Aankomst (1993) en Kom, over de zeeën (1994).

Drie van die stukken worden uitgevoerd op het Ketting-festival. De titel De Overtocht is ontleend aan een gedicht van Marsman: 'De eenzame zwarte boot/ vaart in het holst van de nacht/ door een duisternis, woest en groot.' Aan een gedicht van Fernando Pessoa ontleende Ketting een andere titel: 'Kom, over de zeeën,/ Over de wijdere zeeën,/ Over de zeeën zonder zichtbare horizonten.'

Ketting zegt 'kale muziek' te schrijven omdat voor hem componeren de kunst is van het weglaten en niet van het toevoegen. Zo klinken deze stukken ook vaak: leeg en ver, al hoort men telkens signalen en toeters, alsof schepen die buiten elkaars gezichtsveld varen, toch contact met elkaar houden.

Ketting: “Reizen is een metafoor voor 'tijd' en 'leven'. Je leven, dat is de mensen die je ontmoet en waarvan je weer afscheid neemt. Alles in je leven heeft verband met andere dingen, vandaar dat die stukken met elkaar te maken hebben, hoewel ze los van elkaar zijn geschreven. Je zult deze stukken in de concertzaal ook niet achter elkaar horen, omdat ze zijn geschreven voor verschillende ensembles: van De Volharding tot het Koninklijk Concertgebouworkest.

“Ernst Vermeulen gaf een mooie beschrijving van de gedachte in Kom, over de zeeën: 'muziek, alsof je kijkt vanaf de achterplecht'. Zo is het bedoeld - niet dat de reis achter je ligt, want je gaat weer opnieuw ergens naartoe. Als je teruggaat naar je woonplaats, komt er wellicht weer een reis.”

Voor het Festival in de Branding wilde Ketting nog een nieuw stuk schrijven, maar dat is hem nog niet gelukt wegens problemen met zijn oog. “De dag nadat ik voor de plaatopname bij het Balletorkest Passacaille et Cortège uit Vermeulens De Vliegende Hollander had gedirigeerd, zag ik alles dubbel. Ik heb een jaar geen noot kunnen schrijven. Maar ik kan wel beschrijven wat ik wil componeren.

“Al mijn stukken hebben iets met elkaar te maken en die laatste vier wel heel veel. Waarom zou ik niet verdergaan met een koraal. Kom, over de zeeën eindigt met een koraal: klokken, vibrafoon, harp, piano, celesta. Dan het strijkorkest, dat daar een hele mooie muziek doorheen speelt. De hoorns en de houtblazers die zich met hun eigen muziek bezighouden. Drie verschillende muzieken, die voor de toehoorder gescheiden zijn, maar wel worden gecombineerd. Dat was het idee, waarmee ik aan de slag wilde gaan. In vier maanden hard werken zou er dan wel iets leuks gebeuren, want je moet het niet van tevoren helemaal vastleggen.

“Ik heb voor dit stuk nog geen titel. Die komen meestal bij mij op driekwart of na afloop van het componeren. Titels zijn bij mij niet echt programmatisch bedoeld, maar ze hebben wel een functie. Al dat gepraat in toelichtingen over structuren en reeksen zijn dikwijls gewichtigdoenerij.”

Tevreden en vertederd is Ketting over het boek Time Machine “Het is een leuk blader- en kijkboek, gelukkig geen gedegen biografie. En die oude artikelen, met die pathetische toon! Ik wilde getuigen over Anton Webern, in 1958, toen hij nog maar drie keer door een Nederlands orkest was gespeeld. Dat getuigen is typisch uit een andere tijd.

“Het boek eindigt met allerlei lijstjes: compositities, discografie, de orkesten en ensembles die ik heb gedirigeerd, met het repertoire. En 'Ketting door het Koninklijk Concertgebouworkest'. Toen ik op het gymnasium zat, droomde ik dat ik rechtsbuiten van het Nederlands elftal was. Ik kon goed voetballen, ik stond in AFC. En ik droomde ervan één keer te worden gespeeld door het Concertgebouworkest. Want als ik kon, dan zat ik in het Concertgebouw. Die rechtsbuitenplaats heb ik nooit gehaald, het Concertgebouworkest tweeënvijftig keer.

“Als je het hebt over het functioneren van je muziek, vind ik dat nog niet zo gek, eigenlijk. Je hoort altijd: 'Nederlandse componisten, ze worden niet gespeeld.' Maar soms valt het best mee.”