Alfrink

Gisteravond bij het IKON gekeken naar Willem Jan Ottens worsteling met het christelijk geloof. Het kostte moeite het hele programma uit te zitten, terwijl het geloof toch iets is dat mij interesseert en ik een paar dagen tevoren nog een dikke pil over kardinaal Alfrink in één ruk had uitgelezen.

Misschien wilde het me niet boeien omdat Otten wel met erg veel suspense was uitgelicht of omdat hij met een diepzinnig gezicht ronddobberde in een zeilbootje dat 'Vrijheid' heette, waarbij ik dan eerder moet denken aan kapitein Rob en professor Lupardi dan aan consecratie en erfzonde. Of misschien bleef alles zo aan de buitenkant, omdat Willem Jan Otten het uiteindelijk toch niet verder zal brengen dan de rol van bekeerling en die rol is een beetje tragisch, want de bekeerling heeft de neiging om het religieuze wiel opnieuw uit te vinden. De bekeerling wil er graag bij horen, maar helemaal lukken zal hem dat nooit.

Heel anders is dat met de figuur van kardinaal Bernard Alfrink, over wie de kerkhistoricus Ton H.M. van Schaik een fascinerende biografie heeft geschreven. Bij Alfrink is er geen moment van bekering. Hij wordt katholiek geboren en hij gaat katholiek dood. Daartussen maakt hij een katholieke carrière, die begint op het internaat. Dan gaat hij naar Rome om te studeren, wordt even kapelaan, om vervolgens via het ambt van hulpbisschop en bisschop in Rome terug te keren als één van de tachtig kardinalen die de paus mag kiezen.

In het leven van Alfrink komt geen moment van twijfel voor of van catharsis. Katholiek zijn was voor hem geen worsteling, maar even vanzelfsprekend als de slurf voor een olifant. Uit de biografie blijkt dat Alfrink eigenlijk nooit heeft nagedacht over de inhoud van het geloof. Dat had hij helemaal niet nodig. Geloof was voor hem uitsluitend ritueel en kerkpolitiek. Hij was iemand zonder meningen, het prototype van de man zonder eigenschappen.

Als hij, wat toch wel eens een keer moest gebeuren, in geloofszaken een standpunt moest innemen, dan deed hij twee dingen. Eerst stelde hij zich op de hoogte wat er hoger in de hiërarchie van het probleem werd gevonden en vervolgens ging hij “in dialoog” met de lagere regionen van het kerkvolk. Daarna koos hij zijn positie, die altijd precies, gematigd, in het midden lag. Of hij überhaupt een mening had, is onduidelijk. In ieder geval liet hij zich daar nooit over uit, tenzij in heel cryptische bewoordingen die van alles konden betekenen.

Op het laatst vertoonde zijn manier van uitdrukken een weergaloze barok. Alfrink zal nooit zeggen dat het Concilie op het punt staat te beginnen. Hij zegt dat zo: “De voorbereiding van het Concilie is in volle gang. Misschien zou men kunnen zeggen dat deze voorbereiding belangrijker is dan het Concilie zelf. Misschien moet men deze voorbereiding zo belangrijk achten, dat men kan zeggen, dat het Concilie reeds is begonnen, en dat de samenkomst van de bisschoppen van de wereld in Rome slechts een plechtige afsluiting is van een Concilie, dat reeds aan de gang is”.

Wat bij bekeerlingen altijd afwezig is, had kardinaal Alfrink in ruime mate: gevoel voor humor. Zeker, het was een katholiek gevoel voor humor, maar toch. Vooral in het contact met de destijd zo populaire monseigneur Bekkers, aan wie Alfrink een onderdrukte hekel had, liet de kardinaal zich van zijn meest humoristische kant zien. Toen Alfrink een foto in handen kreeg van de volksbisschop Bekkers te paard, zei hij op zijn bekende, zalvende toon: “Dat paard lijkt mij héél intelligent”. En toen Bekkers een keer geleerd uit de hoek wilde komen door in het Latijn op te merken dat er gehandeld moest worden volgens de “mens papae”, fluisterde Alfrink zachtjes voor zich uit: “Over welke Papoea heeft hij het nou?”.

De biografie van Van Schaik geeft niet alleen een prachtig beeld van Alfrink, maar ook van katholiek Nederland. Over de consecratie en de erfzonde kom je in dit boek weinig te weten, maar wel valt er uit te leren hoe je een kapelaan moet ontslaan en dat je de kardinaalshoed niet aan elke kapstok kunt ophangen. Dat zijn de ware momenten des geloofs, geloof me.