Verpleeghuizen eisen via rechter geld voor artsen

DEN HAAG, 2 OKT. De verpleeghuizen eisen via de rechter extra geld van minister Borst (Volksgezondheid). Ze willen jaarlijks tien miljoen gulden van haar voor de opleiding van zo'n tachtig verpleeghuisartsen per jaar.

Volgens de minister krijgen de verpleeghuizen voldoende geld om er deze opleiding van te betalen. Dat zou komen doordat het budget is 'meegegroeid' met het toenemende aantal ouderen.

Voor de bestuursrechter van de Utrechtse rechtbank betoogde advocaat M. Scheffer namens de Nederlandse Vereniging voor Verpleeghuiszorg dat in het budget voor de verpleeghuizen geen rekening is gehouden met de kosten van de opleiding. Als gevolg daarvan moet het geld worden bespaard op de uitgaven voor directe verzorging van de patiënten, aldus de advocaat.

Het verweer van de minister dat de opleidingskosten al in het budget zijn opgenomen, “is de verpleeghuizen in het verkeerde keelgat geschoten”, zo zei Scheffer. Het budget van de verpleeghuizen is gebaseerd op een vast bedrag per verpleegdag. In dat bedrag zijn alle kosten verwerkt, waaronder de kosten van één arts per honderd patiënten. Toen het budget werd vastgesteld, in de jaren tachtig, was er echter nog geen sprake van een opleiding tot verpleeghuisarts.

In 1990 werd de verpleeghuisgeneeskunde als afzonderlijk specialisme erkend. Toen ook pas is een begin gemaakt met de tweejarige opleiding van artsen tot verpleeghuisarts. Per jaar ronden zo'n tachtig artsen die opleiding af. Tijdens de opleiding werken de artsen gedurende vier dagen per week onder supervisie in een verpleeghuis, een dag per week worden ze aan de universiteiten theoretisch geschoold. Die opleiding kost de verpleeghuizen zo'n tien miljoen gulden per jaar, zo hebben ze een onderzoeksinstituut laten uitrekenen.

De minister meent bovendien dat de verpleeghuisarts tijdens zijn opleiding gewoon voor het verpleeghuis 'verdient'. Maar anders dan bij de andere medische specialismen kunnen de activiteiten van de aankomende verpleeghuisarts niet bij een verzekeraar in rekening worden gebracht, aldus Scheffer. Zijn positie is volgens haar te vergelijken met die van de huisarts-in-opleiding. De kosten daarvan worden wel apart door de minister gefinancierd. “De minister meet dus met twee maten”, zo betoogde zij voor de rechter.

De rechter doet over zes weken uitspraak.