VERDRAGSTEKST

Het Verdrag van Malta heeft, meldt artikel 1, tot doel “het archeologische erfgoed als bron van het Europese collectieve geheugen en als een instrument voor historische en wetenschappelijke studie te beschermen”. De belangrijkste artikelen zijn 5 en 6.

In artikel 5 wordt afgesproken dat elk deelnemend land moet zoeken naar “verzoening tussen en combinatie van de respectieve behoeften van archeologie en ontwikkelingsplannen”. Onder ontwikkelingsplannen worden bouwplannen en dergelijke verstaan. Het artikel houdt de verplichting in archeologen bij het beleid te betrekken dat gericht moet zijn op het ontwerpen van “uitgebalanceerde strategieën voor de bescherming, conservering en versterking van archeologisch belangwekkende plaatsen”.

Archeologen en planontwikkelaars moeten elkaar systematisch raadplegen opdat plannen die waarschijnlijk negatieve effecten hebben op het archeologische erfgoed, kunnen worden gewijzigd. Als gevolg van artikel 6 nemen de deelnemende landen de verplichting op zich “een regeling te treffen voor publieke financiële ondersteuning voor archeologisch onderzoek door nationale, regionale en gemeentelijke autoriteiten”. De materiële middelen voor noodopgravingen moeten worden verhoogd.

Daarvoor zijn “passende maatregelen” nodig “om zeker te stellen dat voorzieningen worden getroffen, bij grote publieke of private ontwikkelingsplannen en uit bronnen van de publieke en private sector, voor de dekking van de vereiste, totale kosten van de noodzakelijke daarmee verbonden archeologische werkzaamheden”. Het budget voor ontwikkelingsplannen moet voorzieningen bevatten “voor voorafgaande archeologische studie en verkenning, voor een wetenschappelijke samenvattende registratie alsook voor de volledige publicatie en registratie van de vondsten”.