Verdrag van Malta; Geen bodem voor behoud

Het Verdrag van Malta moet bijdragen aan het behoud van het bodemarchief. Maar het lost het echte probleem niet op: het ontbreekt aan een Nederlands beleid voor archeologie.

HET archeologisch bodemarchief wordt bedreigd. Grootschalig. Economische bedrijvigheid, werken, wonen, recreëren en verkeer doen een groeiend beroep op de beschikbare ruimte en de ondergrond.

Het archief ligt op de plek waar het werd achtergelaten. Het bestaat uit huishoudelijke rommel, munten, wapens, gereedschap, stoffelijke resten, houten en stenen funderingen, enzovoort. Ongeveer zestig procent van dit kwetsbare archief zit onzichtbaar in of maar net onder de bouwvoor.

Het archeologisch erfgoed is voor een ander deel bovengronds 'bewaard': de spullen en de kennis erover. De spullen huizen in depots en musea, de kennis staat in rapporten of zweeft tussen de oren van individuele archeologen. Ook dit onderdeel van het erfgoed is in zekere mate kwetsbaar. Papier kan in brand vliegen en archeologen zijn niet onsterfelijk. Hebben zij niet voor voldoende publicaties gezorgd - en dat komt regelmatig voor - dan nemen zij hun kennis mee naar het (eigen) graf.

De bedreiging van het bodemarchief is geen exclusief Nederlandse zaak. Daarom is op Europees niveau een verdrag 'inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed' opgesteld. De Europese ministers met cultuur in hun portefeuille ondertekenden dit op 16 januari 1992. De volgende stap, de ratificatie van dit 'Verdrag van Malta', is inmiddels door dertien Europese landen, plus Aruba, gezet. In Nederland staat dat te gebeuren. Deze maand praat de Tweede Kamer er met staatssecretaris Nuis (Cultuur) over.

Een van de voornaamste uitgangspunten van 'Malta' is het behóud van archeologisch bodemarchief. Waar behoud niet mogelijk blijkt, moet het bodemarchief vóór de vernietiging ervan worden onderzocht.

Archeologisch erfgoed is dynamisch. Het bodemarchief zou steeds in omvang blijven groeien als het natuurlijke verloop en het ingrijpen van de mens dat niet verhinderden. Het is als een loper die samenlevingen onder hun voeten uitrollen en die ergens achter hen, met achterlating van hier en daar wat draad, rafels en randjes, weer wordt opgenomen.

Archeologisch erfgoed maakt deel uit van de cultuurhistorische erfenis, is een bouwsteen van de identiteit van een samenleving. Het is een grote bron van informatie over de wordingsgeschiedenis van mensheid en samenlevingen en de ènige bron over pakweg 99 procent van de tijd die dat tot nu toe duurde. Zorg en zuinigheid zouden daarom in de omgang met archeologisch erfgoed prioriteit moeten hebben.

Met dat voor ogen is in het Verdrag van Malta de richtlijn opgenomen dat archeologen worden betrokken bij alle planvorming voor ruimtelijke inrichting. De financiering van hun bemoeienissen, van terreinverkenning tot publicatie, moet, zegt het verdrag, geschieden volgens het principe 'de veroorzaker betaalt'. Wie als gevolg van bouwplannen het archeologisch onderzoek noodzakelijk maakt, dient dus voor de kosten op te draaien. Een ander belangrijk uitgangspunt van het verdrag is het recht van iedereen op optimale toegang tot archeologisch erfgoed.

De Nederlandse samenleving sprak zich tot nu toe nooit uit over wat er met haar archeologisch erfgoed zou mogen en moeten gebeuren en evenmin wat het haar mag kosten. Richtlijnen of normen hiervoor bestaan hier niet. Er was in de eerste helft van deze eeuw (en daarvoor) nauwelijks belangstelling voor, behalve bij universitaire en amateur-archeologen. Zij konden naar eigen goeddunken met het erfgoed handelen. De wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende economische bloei brachten een enorme aanslag op het bodemarchief met zich mee.

Tussen het begin van de jaren vijftig en de jaren negentig is eenderde van het bodemarchief verdwenen, aldus directeur prof.dr. W.J.H. Willems van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Dubbel jammer daarbij was dat de capaciteit om alle graafwerk archeologisch te volgen - met noodopgravingen - volstrekt tekortschoot. Met als gevolg dat het grootste deel van wat er aan bodemarchief verloren ging, tevoren niet eens kon worden onderzocht.

Een van de eerste pogingen beleidsmatig iets aan de bescherming van archeologisch erfgoed te doen dateert uit 1961. De Monumentenwet werd van kracht. Daarin zijn bepalingen als meldplicht van vondsten opgenomen en wordt de opgravingsbevoegdheid beperkt. Bovendien biedt de wet de mogelijkheid terreinen de status te geven van beschermd archeologisch monument. De ROB werd aangewezen uitvoering aan de wet te geven.

Voor de praktijk maakte het niets uit. Noodopgravingen bleven in aantal stijgen, de onderzoekscapaciteit schoot als tevoren tekort. Zelfs de wettelijk beschermde archeologische monumenten bleken vogelvrij. De huidige uitbreidingsplannen bij de steden, de hogere economische bedrijvigheid, de wegenbouw en de Betuwelijn betekenen nog eens een versnelling van de lopende aantasting.

Het is een toestand die te wensen overlaat. Nodig is als basis een stelsel van normen voor de omgang met archeologisch erfgoed. En vervolgens richtlijnen waarin motiveringen voor behoud van archeologisch bodemarchief zijn vastgelegd tegenover het belang van ruimtelijke ordeningsplannen. Verder een regeling voor de uiteindelijke beslissingen welk belang het zwaarst weegt.

Gegeven andere belangen is het niet reëel het archeologische bodemarchief volledig te handhaven. Maar de optie behoud zou in de afweging - anders dan nu - werkelijk ook een kans moeten kunnen maken. De colleges die hierover beslissen zouden daarbij breder dienen te zijn samengesteld: de leden ervan zouden niet alleen archeologen moeten zijn. Het gaat immers om collectief erfgoed en archeologen zijn per definitie op onderzoek gericht. Wenselijk is ook een effectieve bescherming van en zorg voor de ongeveer 1.400 archeologische monumenten. En ook voldoende capaciteit en geld voor archeologisch onderzoek, rapportage, opslag van documentatie en vondsten en verspreiding van de opgedane kennis.

Speelt 'Malta' nu als Sinterklaas voor archeologen? Het ziet er niet naar uit. Staatssecretaris Nuis heeft de Tweede Kamer laten weten waaraan hij bij invoering van dit verdrag voor Nederland denkt. Om te beginnen stelt de staatssecretaris zich een gefaseerde invoering voor. Deels om plannenmakers en archeologen de kans te geven op elkaar ingespeeld te raken. Deels om de archeologie de gelegenheid te geven een mouw te passen aan het bestaande - en nog te verwachten - capaciteitstekort. Volgens het verdrag moet het principe 'de veroorzaker betaalt', worden toegepast op gròte bodemverstorende projecten. Maar 'grote' werd niet nader omschreven. Wat Nuis betreft wordt 'Malta' vooralsnog alleen gekoppeld aan projecten waarbij een milieu-effect rapportage (MER) verplicht is, en aan verstoringen van wettelijk beschermde monumenten.

Voor de veroorzaker, de initiatiefnemer van plannen die vernietiging van archeologisch bodemarchief met zich brengen, zullen twee verzachtende omstandigheden gelden, zo wil Nuis. Een: hij moet zich vooraf hebben kúnnen informeren over de consequenties van zijn voornemens. Twee: de kosten voor het archeologische onderzoek mogen niet zodanig hoog zijn dat de uitvoering van het plan in gevaar komt. Voor zulke gevallen wordt op een ontsnappingsmogelijkheid gestudeerd (bijvoorbeeld een fonds).

Nuis' vertaling van het verdrag behelst verder verplichte aandacht voor archeologische monumenten bij ruimtelijke-ordeningsplannen. Hiervoor zal een adequate informatievoorziening vanuit de archeologie noodzakelijk zijn. De bewindsman schuift op dit punt provinciale archeologische monumentenkaarten naar de voorgrond, alsmede Archis, een geautomatiseerd systeem waarin bekende vindplaatsen zijn opgeslagen. Ook krijgt de ROB opdracht een overzicht te maken van plaatsen waar archeologische waarden kunnen worden verwacht. De aandacht moet uitmonden in een inventariserend en waarderend archeologisch onderzoek, een verplichting die in de Monumentenwet wordt vastgelegd.

De belangrijkste taak van de ROB moet monumentenzorg zijn, vindt Nuis. In het bijzonder gaat het dan om informatieverschaffing en het voorkomen van schade aan het archeologische bodemarchief. Om de ROB hiertoe in staat te stellen wordt een groot deel van het opgravingswerk per 1 februari 1998 overgeheveld naar een - op te richten - archeologisch dienstencentrum (ADC ). Uitbreiding van de onderzoekscapaciteit zal mogelijk te vinden zijn in het particuliere initiatief. Dat vereist wel voorwaarden om de kwaliteit te kunnen waarborgen. Opgraven kan immers maar één keer.

Onopgelost echter blijft het grootste probleem. De keuze: opgraven versus behoud. Dat maakt normen en criteria noodzakelijk. Die zijn ook met Nuis' voorstellen nog steeds niet voorhanden. De kwestie is dat het Verdrag van Malta een regeling voorstelt bovenop nationale wetgeving, in de veronderstelling dat daaraan zo'n systeem van normen voor de omgang met archeologisch erfgoed ten grondslag ligt. Waar dat ontbreekt - zoals in Nederland - blijft 'Malta' in een soort luchtledig hangen. Er zit geen bodem onder. Gemeenten, provincies en de centrale overheid, die de besluiten gaan nemen, wordt geen houvast geboden. Dat doet het ergste vermoeden voor de optie behoud. Ook al omdat archeologen het monopolie op de betrokken informatie bezitten, en, zoals gezegd, onderzoekers zijn en geen beheerders. De kat op het spek binden, heet zoiets.