Schooien op het kruispunt van onverschilligheid

AMSTERDAM. Drugsverslaafden hebben het bordes van Food Plaza in Amsterdam in handen. Het is hun grand café annex apotheek. Methadon gaat er voor twee gulden per stuk van de hand. Op het bordes van dit prestigieuze Albert-Heijnfiliaal kruisen grachtengordel-yup en 'looser' elkaar. Een kruispunt van onverschilligheid.

“Dit is mijn stamcafé, tenminste als het lekker weer is. Als je hier bent, heb je de rest van de wereld niet nodig”, zegt Billy (36). Hij lurkt aan een flesje Hobbs, het goedkoopste merk bier van deze Food Plaza. Op het bordes wordt in fietsen gehandeld en in levensmiddelen die 'van de vrachtwagen zijn gevallen'. Een aangewaaide Telegraaf gaat van hand tot hand. Niet alle berichten worden begrepen. “Ze schrijven dat 't goed gaat. Maar daar merk ik niks van”, zegt Billy.

Het goedgekleed grachtengordel-publiek dat Sushi wil gaan kopen, moet zich eerst een weg banen door tientallen drugsverslaafden, van wie velen onder de categorie 'onguur type' vallen. Op deze achttienhonderd vierkante meter wordt de tweeverdiener eraan herinnerd dat het mis kan gaan in het leven. En het gaat mis op “kleine dingen”, zegt bordes-bezoeker Wim (51), die 25 jaar verslaafd is aan 'bruin', heroïne. “Mijn moeder is verbrand. Mijn vader is in Santpoort door een raam gesprongen. Slagaderlijke bloeding: op slag dood. Ik reageerde mij op mijn vriendin af. Toen was het gedaan met haar liefde en ook met mij.”

De meeste klanten lopen met stalen gezicht voorbij, maar sommigen werpen een korte blik op de bordesklanten. “Ze zeggen niks, maar ik zie het aan hun blik”, zegt Billy. “Alsof je niks bent. Alsof je niet bestaat.”

Je zou verwachten dat het 'tuig', zoals één van hen zichzelf betitelt, razend wordt op de tweeverdiener - of op zijn minst jaloers. Integendeel. “Die mensen hebben andere problemen”, zegt Wim. “Hun hypotheek en auto.” En Billy: “Iedereen hep z'n sores. Ik ben gelukkig gezond en ik hep andere geneugten: soms rook ik me helemaal suf.”

Tussen het overwegend witte bordesgezelschap zit een Antilliaan. “Ik word gediscrimineerd”, zegt hij. “Ik krijg geen proefpakje.” Proefbakje: een bescheiden gratis portie van de maaltijd die de catering van Food Plaza te bieden heeft. We nemen de proef op de som. Als de Antilliaan om een proefbakje vraagt, wordt hem verteld dat er geen proefbakjes meer zijn. Als ik luttele seconden na hem kom, wordt mij een proefbakje verstrekt. De Antilliaan reageert niet boos, maar opgelucht: “Gelukkig dat mijn vrienden uit de Bijlmer er niet zijn. Die hadden de boel kort en klein geslagen.”

Ze beheren zelf hun grand café. Zij die 'uit hun dak gaan', worden tot de orde geroepen. Blikjes worden opgeruimd, lege flesjes teruggebracht. “Niet alleen vanwege het statiegeld”, zegt Klaas. “Vooral omdat het hier netjes moet blijven.” Daarom snappen ze niet waarom Albert Heijn tweemaal per dag het bordes laat schoonspuiten. “Om het netjes te houden, want klanten hebben geklaagd”, laat een woordvoerster van Albert Heijn weten. “Ze spuiten niet rechtstreeks op ons, maar zo voelt het wel”, zegt Billy.

Politiemannen op scooters houden plots stil voor het bordes. In één en dezelfde reflex verstoppen klanten van het Albert-Heijncafé hun flesje bier onder hun jas. Wie 'hinderlijk gedrag' vertoont, mag worden verwijderd. “En hinderlijk gedrag vertoon je al snel als je de boel vervuilt en daar zit rond te hangen”, aldus een woordvoeder van de Amsterdamse politie.

“Dertig Seresta's voor vijfendertig piek”, zegt Larry, een man met zweren op zijn gezicht. Niet alleen slaap- en kalmeringstabletten, ook methadon wordt op het bordes verhandeld. Alle pillen komen van de Amsterdamse GG en GD die ze aan verslaafden heeft verstrekt. Maar zij verhandelen deze onmiddellijk op de vrije markt. “In deze wereld telt elke gulden”, zegt Klaas die zijn methadon regelmatig in de verkoop gooit.

Het alledaagse leven van de bordesklanten staat in het teken van 'schooien'. “Op pad om dope te versieren”, zegt Klaas. Om ná het schooien onder het genot van een pilsje bij te praten op het bordes. Alcohol vormt een aanvulling op de doperoes waarin ze hun dagen slijten. Billy vreest de vervelende herinneringen die boven kwamen toen hij wilde afkicken. “Dan maar liever verslaafd”, zegt hij. Maar: “Ik heb een Duitse toerist beroofd. Daar heb ik vier nachten van wakker gelegen. Waarom heb ik hem dat aangedaan? Al ben ik er slecht aan toe, ik wil nog wàt trots en eer hebben.”

Een 'baglady' gaat op de onderste trede liggen. Ze valt in slaap. Naast haar staan uitpuilende tassen, tastbaar bewijs van haar verwarring. “Wie weet wat die vrouw in haar leven heeft verloren”, zegt Billy. “Misschien is ze haar man en kinderen kwijtgeraakt. Dat vergeten een hoop mensen.”

“Wakker worden!”, roept een jongeman haar grinnikend toe. In zijn gegrinnik weerklinkt gêne. Hij is de enige Albert-Heijnklant die op haar reageert. Rijk en arm kruisen elkaar op deze stoep. Op het eerste gezicht verdragen zij elkaar. Maar wat tolerantie lijkt is in wezen onverschilligheid. Het kruispunt wordt beheerst door liefdeloosheid en wet. “Er is één iemand die ons snapt: dominee Paulus in Rotterdam”, zegt Wim.

Methadonverkoper Klaas had graag mee willen doen aan het heroïne-experiment van Borst. “Maar ik ben niet zielig genoeg”, zegt hij. “Ik heb nog een dak boven mijn hoofd en ik ben te gezond.”