Raad van Kerken moet zich óók aan de regels houden

De verlening van tentasiel aan ongewenste vreemdelingen in ons land is natuurlijk geen strafbaar feit voorzover het kan worden beschouwd als een tijdelijke opvang die voortkomt uit mededogen. Waar men mensen in nood ziet die het land moeten verlaten maar zulks nog niet hebben gedaan, is het niemand verboden om een helpende hand toe te steken en onderdak of voedsel te verschaffen.

In Drenthe is evenwel iets anders aan de hand. Onze rechtsstaat wordt schaamteloos aangeklaagd door een particuliere instantie, die er niet voor terugdeinst om als Raad van Kerken aanspraak te maken op enig bevoegd moreel gezag inzake onze samenlevingsregels. Men waant zich terug in de Middeleeuwen, toen de kerk een staat in de staat was, maar zich als een staat boven de staat gedroeg, als een machtig instituut dat de burgerlijke overheid keer op keer tot de orde (zijn orde) riep en naar zijn pijpen kon laten dansen.

Nu komt daar een hedendaagse theoloog (NRC Handelsblad, 25 september) die de provocerende actie prijst als een voorbeeldige daad van burgerzin. Gerrit Manenschijn weet het zo verleidelijk voor te stellen. Tot driemaal toe herhaalt hij dat de politiek hier op haar morele sensibiliteit is getoetst en dat het resultaat een onvoldoende is. De onderliggende suggestie daarbij is, dat de wettige overheid (ons volk via zijn politici) moreel ongevoelig is geweest en daardoor tot de moreel onaanvaardbare uitsluiting uit onze samenleving is gekomen. Het bevolkingsdeel waarvoor de Raad van Kerken zich publiekelijk als spreekbuis presenteert, gezien het feit dat men zich met die naam tooit, zou daar anders en beter over oordelen en ook over kunnen oordelen.

Ik ervaar dit als verwerpelijke arrogantie. Dit is de aloude taal van de kerkelijke kaste, die met een beroep op de bijbel pretendeert over meer informatie (de Openbaring) en hogere normen (de goddelijke wet) te beschikken dan die 'geseculariseerde staat', waarin men helaas toch moet leven. Er wordt daarover dan ook met een zekere minachting gesproken. Het is niet best wat die geseculariseerde staat kan bereiken. De rechtvaardigheid die hij via wetten en rechtspraak tot stand brengt, is slechts 'formeel' en 'procedureel', waarmee gezegd wil zijn dat zij niet zo authentiek is als 'het bijbels-humane rechtvaardigheidsprincipe, dat altijd op de persoon en diens omstandigheden is betrokken'.

In mijn onschuld dacht ik tot nu toe, dat onze politieke organisatie nog niet zo'n gekke manier was om mensen, ja een heel volk, in vrede te doen samenleven en ieder het zijne te geven volgens de regels die de meeste steun genieten en waaraan allen zich daarom conformeren. Zonder een dergelijke ordening is er in het geheel geen recht en zeker ook geen rechtvaardigheid. Onze wetgevers en rechters trachten er het beste van te maken, zodat iedereen - ook een flinke groep van hulpbehoevende vreemdelingen - daarvan kan profiteren. Is er een betere manier denkbaar om onze naasten precies evenveel als onszelf en onszelf niet minder dan hen te beminnen? Dit is toch het 'supergebod' dat alle geboden samenvat en vervult en dat ons als christenen te doen staat?

Gerechtigheid en barmhartigheid worden dus staatkundig gerealiseerd, uiteraard zoals bij alle menselijke activiteiten min of meer. Maar wel algemener en beter dan door individuen zou kunnen geschieden ten behoeve van enkelingen en ten nadele van de meeste naasten. Waarom zou men dan de staat moeten neerzetten als 'geseculariseerd'? Is zijn gezag en zijn werk niet bij uitstek heilig? Neen, zegt de theoloog Manenschijn: “In het model van de geseculariseerde staat is een hoger beroep dan op de wil van het volk niet mogelijk.” En dat is zijns inziens zijn gebrek, dat maakt de staat kortzichtig, heidens en wreed. Via een 'beroep op de wil van God' zouden wij verder kunnen komen en een meer menswaardige samenleving kunnen bereiken.

Hieruit blijkt dat Manenschijn en de Raad in zaken als de behandeling van asielzoekers de staat niet het laatste en doorslaggevende woord willen laten. Daarmee ondermijnen zij de soevereiniteit van de burgers gezamenlijk ten behoeve van een onevenredige aanmatiging van een 'subgroep'. Ik schrijf aanmatiging, omdat niet duidelijk wordt gemaakt wat dat 'beroep op God' inhoudt en hoe daarvan de uitslag wordt verkregen. Waarschijnlijk bedoelt Manenschijn daarmee de private meningen van degenen, die zich inbeelden door een bovenaards wezen geïnspireerd te zijn. Daarop wijst althans het feit dat hij de Raad een 'profetisch spreken' toekent.

Ik zie inderdaad nog het tv-beeld voor mij van de mevrouw met een brandende kaars in de hand die daarbij theatraal uitroept: wij hijsen de stormbal. Maar wat is de meerwaarde van dit profetisch getuigenis boven het luidruchtige geschreeuw van willekeurig welke actiegroep? Op basis van de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting mag iedereen uitroepen wat hij wil. In dit opzicht is geen enkele groep bevoorrecht boven een andere.

Of toch soms? “Dat is de onvermijdelijke consequentie van de principiële scheiding tussen kerk en staat”, schrijft Manenschijn. Als hij bedoelt dat die scheiding vergelijkbaar is met de scheiding tussen de staat en de milieubeweging of die tussen de staat en een racistische club, dan heb ik daartegen geen bezwaar. Deze staan ten opzichte van de staat in een volstrekt ondergeschikte positie en zijn geen gelijkwaardige, laat staan meerwaardige partij. Ik meen echter uit het slot van Manenschijns artikel te mogen opmaken, dat zijns inziens de kerken een hogere identiteit genieten dan private actiegroepen en daaraan het recht ontlenen om de staat uit naam van God profetisch terecht te wijzen. Dat zou de Raad van Kerken zich niet genoeg bewust zijn geweest en dat kan haar verweten worden.

Een en ander impliceert dan toch, dat hij zich de scheiding van kerk en staat voorstelt als een verhouding tussen twee vergelijkbare grootheden of partners die elkaar op een verschillende golflengte toespreken: de een in het 'geseculariseerde argumentatiemodel', de ander 'profetisch'. Het hoogste morele gezag zou dan toch bij de kerken liggen. Het koude en zakelijke rechtvaardigheidsprincipe van de staat zou gecorrigeerd dienen te worden door het warme en menselijke rechtvaardigheidsprincipe dat de kerken vertolken en prediken.

Als de scheiding van kerk en staat deze inhoud en betekenis moet hebben, dan is dit beginsel niets minder dan een archaïsche truc om een ontoelaatbare machtspositie in stand te houden of te heroveren. In het moderne politieke denken is dat ongepast. Niets staat in een land tegenover of naast de staat. Door de sacralisering van de politiek zijn de kerkelijke instituten volledig geprivatiseerd en vergelijkbaar geworden met andere onderhorige ondernemingen.