Primal Scream worstelt met identiteit

Concert: Primal Scream. Gehoord: 30/9 Paradiso, Amsterdam.

Juist nadat zanger Bobbie Gillespie omstandig had staan gapen op het podium, mompelde bassist Mani Mounfield in de microfoon dat het publiek wakker moest worden. Britse groepen hebben er wel vaker een handje van om het publiek er de schuld van te geven, als de sfeer om welke reden dan ook niet van de grond wil komen. Maar meestal is een bezoek aan van de vele Nederlandse coffeeshops de echte schuldige.

De Schotse groep Primal Scream heeft het hedonisme van de dance-cultuur tot stijlmiddel verheven. Dat het bijbehorende druggebruik gepaard gaan met lethargie en normvervaging werd door niemand zo goed beschreven als door de Schotse schrijver Irvine Welsh, wiens roman Trainspotting werd verfilmd tot een vermakelijk document van de drugscultuur in de jaren negentig. Primal Scream werkte mee aan de soundtrack en maakte samen met Welsh de controversiële EP The Big Man And The Scream Team Meet The Barmy Army Uptown waarop Welsh een vuilgebekte impressie gaf van het taalgebruik van de Schotse football hooligans.

“Het modderige oorlogsgebied tussen dance en rock 'n' roll”, zo omscheef Irvine Welsh de unieke plaats die Primal Scream in de popwereld inneemt. Hun cd Screamadelica uit 1991 was grensverleggend omdat de rockgroep onder invloed van house-deejay Andrew Weatherall een synthese teweeg bracht tussen rock en acid house, een voordien onmogelijk geachte combinatie die inmiddels navolging van velen heeft gekregen. Primal Scream moddert sindsdien met de muzikale identiteit. Bij de voorlaatste cd Give Out But Don't Give Up werden ze beticht van verraad aan de dance-cultuur, omdat ze de rock 'n' roll trouw bleven. De recente cd Vanishing Point staat weer geheel in het teken van een straffe dansbeat, met exotische invloeden als de dubreggae van Augusto Pablo en de Indiase muziek van tablaspeler Pandit Dinesh.

Als live-groep hinkt Primal Scream op verschillende gedachten. De twee stoere gitaristen en de uit de boedel van de Stone Roses overgenomen bassist Mani Mounfield denken dat ze in een ruige rockband spelen. Door de afwezigheid van een drummer moeten ze opboksen tegen een stramme, ingeblikte computerbeat. Uitgesproken rocknummers als het aan Iggy Pop opgedragen Medication en een cover van een Motörhead-nummerklonken bot en mechanisch, terwijl de wezenloos voor zich uit starende Gillespie er met de pet naar gooide in het nummer Star, dat op de plaat wel degelijk een mooie melodie heeft.

De enige nummers die goed combineerden met de geprojecteerde videobeelden van neerstortende vliegtuigen en brandende race-auto's waren uitgesproken dancetracks als 'Higher Than The Sun' en het opgefokte 'Kowalski', geënt op de b-film Vanishing Point (1971) waarin het draait om speed in de zin van snelheid zowel als pepmiddelen. Een beetje pep kan de slaperige Bobbie Gillespie wel gebruiken, als hij nog eens serieus in het voetspoor van Iggy Pop wil treden.