OPGRAVEN

Graven, spitten, het zoeken naar die ene gouden archeologische vondst is in principe verboden, ook in de eigen achtertuin. De Monumentenwet, waarin archeologische bevoegdheden zijn geregeld, vermeldt (in artikel 39) letterlijk: “Het is verboden opgravingen te doen zonder schriftelijke toestemming van Onze minister.” 'Onze minister' is degene die over cultuur gaat en op het ogenblik is dat gedelegeerd aan een staatssecretaris: Nuis.

Maar ook hij mag niet zonder meer iedereen toestemming verlenen tot het verrichten van archeologisch spitwerk. Deze werkzaamheden zijn wettelijk voorbehouden aan een rijksdienst, een instituut voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Ook de provincies zullen mogelijk opgravingsbevoegdheid krijgen.

De bewindsman kan een vergunning weigeren als de “aanvrager niet bekwaam is tot het doen van opgravingen”, aldus de Monumentenwet, of als “redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat de aanvrager in staat is tot het doen van opgravingen”. Een gemeente kan ook een vergunning worden geweigerd als zij niet beschikt over een depot voor bodemvondsten.

De minister (of staatssecretaris) kan ook allerlei voorwaarden verbinden aan het verlenen van een vergunning en haar bovendien intrekken, wanneer “de vergunninghouder op ondeskundige wijze opgravingen verricht”.

Strikt genomen heeft het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, dat veel wetenschappelijk werk verricht, naar de letter van de wet geen opgravingsbevoegdheid. Deze instelling is verzelfstandigd en kan dus niet meer als een rijksdienst worden beschouwd. In de praktijk ondervindt het museum geen hinder van deze formele bepaling. De verwachting is dat de wet zal worden aangepast.