Olieproductie Kaspische Zee begint

BAKU (Azerbajdzjan), 2 OKT. Het internationale consortium onder leiding van British Petroleum en het Noorse Statoil wil nog deze maand beginnen met de productie van olie in de Kaspische Zee, voor de kust van Azerbajdzjan. Dat heeft woordvoerster Tamam Bayatli van het consortium Azerbaijan International Operating Corp (AIOC) gisteren meegedeeld. Ook Amerikaanse, Russische en Japanse oliebedrijven nemen deel in deze samenwerking.

De oliereserves in de Kaspische Zee zijn volgens experts na die van het Midden-Oosten de grootste ter wereld. Maar pogingen om de olie naar de Westerse markten te transporteren zijn tot nu toe ernstig vertraagd door het gebrek aan betrouwbare pijpleidingen in de regio en onderlinge conflicten tussen betrokken landen als Rusland, Tjetsjenië en Azerbajdzjan.

Nu het begin van de productie na lange voorbereidingen op stapel staat verwacht Azerbajdzjan het eerste land in de regio te worden dat grote hoeveelheden olie zal exporteren. De autoriteiten hopen op een “economische bonanza”, geholpen door buitenlandse concerns. Zij hebben gezorgd voor kapitaal en moderne technologie die de lang verwaarloosde olie-industrie in de voormalige Sovjet-deelstaat een face-lift gaven.

Werknemers van de offshore-industrie hebben net een 176 kilometer lange pijpleiding onder water van het Chirag-olieveld in de Kaspische Zee naar de kust bij de Azerbajdzjaanse hoofdstad Baku voltooid.

Zwaar weer had dit project vorige maand nog flink vertraagd, zegt de woordvoerster van AIOC. Gewerkt wordt nu aan de aansluiting van het productie-eiland op de pijpleiding.

Verwacht wordt dat de eerste olie, ongeveer 7.000 vaten van 159 liter per stuk per dag, in de tweede helft van deze maand naar boven gepompt zal worden. Zodra deze bij Baku aan land komt, wordt de olie via een pijpleiding van 220 kilometer door Azerbajdzjan en Rusland naar de Russische havenstad Novorroskiisk aan de Zwarte Zee getransporteerd om vandaar per tanker te worden geëxporteerd via de Turkse Bosporus.

Vorige week is een team technici begonnen met de reparatie van het deel van de pijpleiding dat door het naar onafhankelijkheid strevende Tsjetsjenië loopt. Naar verwachting zal met het voltooien van dat project nog wel drie à vier maanden gemoeid zijn. Aanvankelijk werd gerekend met een reparatietermijn van slechts één maand, maar het project werd steeds vertraagd door conflicten over de transportvergoeding aan de Tjetsjenen en door politieke problemen.

Tsjetsjenië beschouwt zichzelf als een onafhankelijke staat na de oorlog van 1994 tot 1996 met Rusland, maar het Kremlin claimt dat het gebied tot Rusland blijft behoren.

Begin deze week nog hebben de Tsjetsjeense autoriteiten Russische ambtenaren over de grens gezet die hun regering in Tsjetsjenië vertegenwoordigden. De Tsjetsjeense president Vakha Arsanov zei dat die actie volgde op een weigering van de Russen om een luchtbrug te regelen voor een Tsjetsjeense delegatie die voor besprekingen van Grozny naar Baku in Azerbajdzjan wilde vliegen.

Volgens woordvoerster Bayatli van AIOC zijn de reparatiewerkzaamheden in Tsjetsjenië niet urgent, omdat de olie uit Baku niet eerder dan eind dit jaar de Russische grens zal bereiken. Ze legt uit dat het bij een bescheiden begin van de productie met 7.000 vaten per dag enkele maanden zal duren eer de hele pijpleiding met olie is gevuld.

De aanleg van een tweede olietransportleiding, die de olie van Baku via Georgië naar de havenstad Supsa aan de Zwarte Zee moet gaan voeren, hoopt het AIOC tegen eind volgend jaar te voltooien. (AP)