Jegens Europa past vooral scepsis

Het Europees getuigenis van Eduard J. Bomhoff in de krant van 13 september zou ik graag van een enkele kanttekening willen voorzien.

Om te beginnen: het argument van de (kennelijk) permanente oorlogsdreiging. De stelling dat een federatie een betere garantie vormt voor duurzame vrede staat wel in heel schril contrast tot de gewelddadige desintegratie van Joegoslavië en de Sovjet-Unie. Het argument lijkt verder nogal triviaal.

Er heeft in West-Europa al meer dan 50 jaar geen enkele oorlogsdreiging meer bestaan. Gewapende conflicten tussen met name de eeuwige belligerenten van weleer, Frankrijk en Duitsland, kunnen in de huidige situatie worden beschouwd als definitieve historie. West-Europa heeft wel wat anders aan z'n hoofd. Dit argument, voorheen ook graag door politici aangevoerd, vooral door de door Bomhoff zo bewierookte Kohl, is inmiddels volstrekt obsoleet.

Wat betreft de verwijzing naar Amerika, daar is sprake van een principieel andere situatie: dezelfde taal, cultuur en historie, en vooral een bewust beleefd nationaal gevoel en een nationale trots (dagelijkse vlagceremonie op scholen) waar 'Europa' nog lichtjaren van verwijderd is.

Inmiddels moeten krampachtig rekenwerk en ad-hocmaatregelen de 3 procentgrens binnen bereik brengen. Eénmalig, want als de euro eenmaal is ingevoerd doet het er niet meer toe. In de effectiviteit van sancties gelooft geen zinnig mens.

Ook Bomhoffs geloof in de Europese instituties deel ik niet. Het Europese parlement is tot dusver, alleen opgevallen door dubieus declaratiegedrag, een hoge absentiegraad van zijn leden en een door niets overtroffen spilzucht en inefficiëncy.

De Brusselse burelen mogen dan, naast ridiculiteiten als gestandaardiseerde condooms en stopcontacten, ook nog wel eens iets goeds afscheiden,zoals op het gebied van overheidssubsidies en kartelvorming, maar met dit voordeel (door Bomhoff overigens te hoog ingeschat) halen we ons ook alle nadelen op de hals van een extra bureaucratie, nog moeilijker te beïnvloeden dan een nationale die immers altijd nog onderworpen is aan democratische en juridische controle. En de Europese commissie tenslotte is een zelfstandig opererend orgaan dat zich de facto onttrekt aan vrijwel iedere vorm van toezicht en controle.

Welke beweegredenen kunnen er zijn om het eigen nationale staatkundige bestel, gegrondvest op een solide historische basis en wortelend in een nationaal bewustzijn, in te ruilen voor instituties waar geen mens zich mee kan identificeren? Waarom een degelijke en goed bewaakte gulden vervangen door een euro die per saldo alleen de monetair minder consciëntieuze naties voordeel zal opleveren?

En waarom zou Nederland, nota bene als grootste netto betaler per individu, het beetje invloed dat het nu nog kan uitoefenen, opgeven? Want daar komt Bomhoffs pleidooi voor stemmen bij meerderheid op neer. Het zou wel erg naïef zijn te denken dat de grote lidstaten rekening houden met de kleintjes. Vooral de grote mediterrane en straks Oost-Europese landen, netto profiteurs van de Unie, zullen hun stemmenmeerderheid ten volle ten eigen bate uitbuiten.

Wie moet betalen zal duidelijk zijn, de Nederlandse bijdrage dreigt nu al op te lopen naar 9 miljard gulden. Dat noemt Bomhoff een bescheiden prijs. Ik hoop dat hij z'n Nijenroodse studenten beter koopmanschap bijbrengt.

De reserves van steeds meer politici kunnen dan ook niet worden gekwalificeerd als politiek geneuzel, maar als werkelijk goed koopmanschap en terechte zorg voor het aan hun zorgen toevertrouwde welzijn van de kiezer.