In Liefde Bloeyende

Jules Deelder (geb. 1944)

ZIJ DIE VIELEN

Op een glooiing langs de weg

Ergens tussen Verdun en Metz

Liggen onder zwarte kruizen

Naast vele 'unbekannte' Duit-

Schers ook Max Rust en Karl

Knoche voor lul het Laatste

Oordeel af te wachten met

Naast zich Kurt Engel en

Oswald Granat en Friedrich

Held en Emil Waghals dáár

Weer naast en iets verderop

Heinz Pardon en Oskar Fried-

Hof en Gottlob Puf die uit-

Gerekend kanonnier was en

In 't enige door bloemen ge-

Markeerde graf Otto Blümchen

Geflankeerd door - zonder

Dollen - Ernst Kopfschusz

En Franz Schlemiel met dáár

Weer naast - o ironie - the

One and only Jakob Krieg.

Soms zijn dichters moe van hun mooie gedachten. Hun combinatiekunst en meerlagigheid, zo in trek bij hun critici, kan ze wel eens gestolen worden. Ze sturen nu en dan ook hun gevoeligheid graag op vakantie. Dan gaan ze lijstjes maken, opsommingen, rare catalogi van al of niet bij elkaar passende begrippen. Zomaar voor de lol, naar het lijkt. Om er even met de pet naar te gooien. Toch blijft zelfs het boodschappenlijstje van de dichter een dichterlijk boodschappenlijstje. En wat is er bezwerender dan een opsomming? Nooit ontsnapt de dichter aan zijn lot.

Jules Deelder geeft in Zij die vielen zo'n magisch lijstje. Kort wordt de lokaliteit geïntroduceerd (een slagveld cum kerkhof) en een licht-ironische toon gezet (door het afbreken van Duitschers hóór je de esseehaa van Scheveningen), maar dan barst meteen de opsomming los. Door de ademloze haast, aangejaagd door de voegwoorden en de enjambementen, krijg je de indruk van een rijtje dat veel langer is dan het is.

Je zou het lijstje een vorm kunnen noemen om de chaos te bezweren. Of de dichter het nu voor de lol doet of niet - de opsomming is geliefd in de literatuur. Wie er de laatste tijd een goeie in is, is Herman Brusselmans. Hij gebruikt in zijn Logica voor idioten het procédé wel een keer of vijf, zes - 'Mensen van nu, vroegere mensen, wanneer was vroeger? Nieuwe mensen, mensen met namen, mensen zonder namen, mensen die willen blijven en toch weggaan, mensen die blijven hoewel ze wilden weggaan, wachtende mensen, verlangende mensen, onverschillige mensen, mensen die ondanks alles toch weer opduiken, mensen van wie je dacht dat ze dood waren, mensen die nog leven, mensen die naar het einde toe strompelen, mensen die naar het einde toe rennen, mensen die achterwaarts het einde besluipen, mensen die het einde nog niet kennen, mensen die het einde uitlachen in het gezicht, mensen die imploderen, mensen die ontploffen, mensen die...' en zo voort.

De opsomming is ook al zo oud als de literatuur zelf. Denk aan de scheepscatalogus van Homerus, in het tweede boek van de Ilias - Die in Arkadië woonden onder de steile Kyllene, dicht bij het graf van Aipytos, volk dat blaakte van strijdlust; zij die Orchomenos, land van schapen, en Feneos, Ripe, Stratia en het door winden omspeeld Enispe bewoonden; die uit Mantinea's lieflijke streek en uit Tegea kwamen en in Parrhasia woonden of waren gehuisd in Stymfelos, - dezen leidde de zoon van Ankaios, vorst Agapenor, hen en zijn zestigtal schepen en zo haast driehonderd regels lang (vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn) en denk aan de Bijbel: 'De kinderen van Levi waren Gersom, Kohath en Merari. De kinderen Kohaths nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziël. En de kinderen Amrams waren Aäron, en Mozes, en Mirjam. En de kinderen van Aäron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisúa, en Abisúa gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi, en Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth...' - met nog talloze Azarja's, Zadoks, Sallums, Ahitubs, Ogs en Magogs meer die de aarde bevolkten - of in de woorden van Ezechiël, 'Morenland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop'.

Verder? We hoeven maar aan Rabelais te denken en aan, een eeuw of wat later, James Joyce. Aan A noir, E blanc, I rouge, U vert, O bleu. Het wemelt van lijsten in de literatuur. De opsomming hóórt bij de poëzie, lijkt het wel, want ze duikt bij vernieuwers en natuurtalenten steeds weer spontaan op. De catalogus is geen intellectualistisch spel: ze bezit een huiveringwekkende kracht. De chaos wordt geordend en die opperste orde blijkt weer een chaos: encyclopedische nonsens.

Bij Deelder wordt het gruwelijke spel extra gruwelijk. 'Tussen Verdun en Metz'. De eindeloze dodenakkers van de oorlog die ze de Grote Oorlog noemden. Daar staan zoveel kruisen dat het mogelijk is dat die namen - Knoche, Granat, Schlemiel, Krieg - er staan, ongeveer zoals de aap een keer de Hamlet tikt als hij maar lang genoeg tikt. De God van de oorlog is een aap.

Je hebt in de literatuur realistische lijstjes en leugenlijstjes. Ook bij Homerus en in de Bijbel ging het, ondanks de schijn van waarheidsgetrouwe authenticiteit, om fantasie-opsommingen - om indruk te maken wat betreft de oudheid van het geslacht, de sterkte van de troepen. Bij Zij die vielen lijkt het omgekeerd. Het presenteert zich als leugengedicht en zou wel eens waarheid kunnen zijn: geen komische verzinsels, die namen, maar realiteit. 'Zonder dollen,' de dichter zei het in regel-zoveel nota bene zelf.