Er valt nog wel degelijk wat te kiezen in de politiek

Het veel bejubelde poldermodel leidt tot zelfgenoegzame gezichten op het Binnenhof. Dat mag, vinden Tom van der Lee en Paul Rosenmöller. Maar politici mogen hun ogen niet sluiten voor de verborgen gebreken van het model. Eensgezind trekken Ruud Koole en Hans Righart (NRC Handelsblad, 20 september) van leer tegen de kleurloosheid van de politieke partijen en de verklontering van de politieke cultuur. Deze aanklacht delen wij, al valt op hun analyse wel wat af te dingen.

Beide auteurs wijzen op de ontideologisering als verklaring voor de verschraling van de politiek. Maar waarom heeft de politieke polarisatie in landen als Duitsland, Frankrijk en Engeland nauwelijks aan kracht ingeboet? Hebben de politieke partijen zich in deze landen weten te ontrekken aan het proces van ontideologisering? Dat valt toch moeilijk vol te houden.

Toen Wim Kok twee jaar geleden in de Den Uyl-lezing zijn ideologische veren afschudde met de woorden: “De werkelijke vernieuwing van de PvdA begint met het defintieve afscheid van de socialistische ideologie”, was Tony Blair volop bezig New Labour klaar te stomen voor een succesvolle verkiezingsstrijd.

Wat is dan wel de verklaring voor de geringe polarisatie in Nederland? De economische voorspoed? Koole en Righart wijzen ook op die mogelijkheid. Righart stelt zelfs dat het paarse 'never had it so good'-triomfalisme een politieke ziekte (lees: politieke verschraling) maskeert. Maar Nederland heeft wel vaker een hoogconjunctuur beleefd zonder dat van politieke verschraling sprake was, in de jaren zestig bijvoorbeeld. Hiertegen zouden de auteurs kunnen inbrengen dat de grote ideologieën toen nog inzet van politieke strijd waren. Maar is daarmee hun gelijk bewezen?

Naar ons idee ligt de verklaring in de bijzondere kenmerken van het Nederlandse bestel. Het succes van het poldermodel en de verschraling van de politiek zijn keerzijden van dezelfde munt. Paradoxaal genoeg lijkt de WAO-crisis uit 1991 de aanzet te zijn geweest tot het nu zo bejubelde succes van het poldermodel. De politiek wilde na die crisis, met het rapport van de Enquêtecommissie-Buurmijer in de hand, het primaat heroveren op de sociale partners. Zij hadden de WAO-regeling misbruikt als afvloeiingsregeling voor overtollige werknemers. Zij mochten daarom niet langer meebeslissen over de uitvoering van de sociale zekerheid.

Achteraf blijkt dat deze ingreep de sociale partners nog verder in elkaars armen heeft gedrongen. Zij bereikten een ongekende overeenstemming over de hoofdlijnen van het sociaal-economisch beleid. Deze consensus is tevens het materiële fundament onder de paarse coalitie. Eendrachtig koos paars voor een neoliberale beleidsmix, met marktwerking, lastenverlichting en loonmatiging als sleutelwoorden.

Vorig jaar, na de eerste paarse jubelbegroting, dacht men hiermee echt goud in handen te hebben. Toen constateerden wij al dat de politiek van de verzuiling definitief voorbij was. Wij zagen voor ons het beeld opdoemen van een massieve neoliberale pilaar met een christen-democratische zijbeuk.

Deze beeldspraak heeft na de tweede jubelbegroting nog aan zeggingskracht gewonnen, al groeit de bezorgdheid over de vraag of dit bestel om kan gaan met het vraagstuk van de sociale uitsluiting en de ecologische schuld. Die bezorgdheid is terecht. De vier grote partijen worden gegijzeld door het succes van het poldermodel. Dat al die (internationale) loftuitingen zelfgenoegzaamheid in de hand werken is tot daar aan toe. Erger is dat paars geen oog heeft voor de verborgen gebreken van dat model, die op termijn desastreuze gevolgen kunnen hebben.

Niemand durft te ontkennen dat sociale uitsluiting en de ecologische schuld behoren tot de belangrijkste hedendaagse problemen. Is het dan niet een groot gebrek dat belangenorganisaties, zoals de milieubeweging en de 'arme kant van Nederland', geen rol spelen in het institutionele overlegmodel? Ze worden wel betrokken bij nut- en noodzaakdiscussies, mogen inspreken bij infrastructurele werken en bij armoedeconferenties, maar ze worden genegeerd als het er op aan komt.

De politiek toont ook weinig begrip voor mensen die langdurig op het minimum zitten en daardoor een lage organisatiegraad kennen en zo amper toegang hebben tot de overlegcircuits van het poldermodel. Het poldermodel moet verbreed worden zodat het zwaartepunt niet uitsluitend sociaal-economisch is. Dat betekent dat naast de gevestigde spelers (VNO/NCW en vakbonden) ook een plaats moet worden ingeruimd voor milieubeweging en de 'arme kant van Nederland'.

De tekortkomingen van het model gaan samen met de fixatie van de politiek op de rollen van de overheid en de markt. Het weer van stal halen van oude maakbaarheidsmodellen als tegenwicht tegen de doorgeschoten marktwerking biedt niet langer een uitweg. Burgers en hun verbanden kunnen juist een cruciale rol spelen bij noodzakelijke veranderingen. De zogenaamde civil society moet het kloppende hart zijn van onze democratie. Dat hart lijdt nu te veel onder de aderverkalking van de politiek. Het is dan ook juist dat Koole de politieke partijen oproept zich duidelijker uit te spreken over de verhouding tussen individu en gemeenschap.

De jongste algemene beschouwingen hebben nog eens ondubbelzinnig onderstreept, dat zowel VVD en D66 als PvdA 'paars-2' tot inzet van de verkiezingen willen maken. De compromissen voor 'paars-2' zijn al in de maak. Dat geldt zowel voor het ziekenfonds en de sûr place rond het sociaal minimum, als voor Schiphol. De werkelijke keuze op 6 mei volgend jaar gaat niet tussen Kok en Bolkestein, maar tussen 'paars-2' als naadloze voortzetting van 'paars-1' en 'paars-2' als correctie op 'paars-1'.

Wanneer de paarse partijen echt wat willen doen aan de verschraling van de politiek dan zouden zij de durf moeten tonen de kiezer een gezamenlijk akkoord op hoofdlijnen voor te leggen. Dan valt straks echt wat te kiezen. Een keuze voor paars, meer van hetzelfde. Een keuze voor het CDA met meer aandacht voor gezinspolitiek, law and order en verkleining van het financieringstekort. Of een keuze voor een hoger sociaal minimum, een trendbreuk in het milieubeleid en een humaner asielbeleid - een keuze voor GroenLinks.

Deze keuzemogelijkheid weerspreekt de opvatting van Mark Kranenburg (NRC Handelsblad, 4 september) dat ook het ontwerp-programma van GroenLinks het vooruitzicht van een onuitputtelijk politiek midden op zou roepen. Hij vindt voorts dat GroenLinks vooral actief is in het politieke spel aan het Binnenhof en te weinig een rol speelt bij het reactiveren van het politieke debat.

Deze opbouwende kritiek stoelt helaas op een misvatting. Er is wel degelijk een derde weg mogelijk tussen getuigenispolitiek en het conformeren aan de macht. Deze derde weg is leidraad in de programmatische ontwikkeling van GroenLinks. Dit wordt echter nog niet door iedereen erkend. Ook niet als GroenLinks er in slaagt om de grote partijen voor haar ideëen te winnen.

Onmogelijk geachte programmapunten zoals de ecotax, de sluiting van kerncentrale Borssele en een wettelijk recht op deeltijdarbeid blijken mogelijk. Hopelijk geldt dat straks ook voor de verhoging van het sociaal minimum, het naar de prullenbak verwijzen van 'Nederland Distributieland' en de omzetting van de huidige belastingvrije som in een negatieve inkomstenbelasting.

De Canadese filosoof Charles Taylor beklemtoont dat iedereen zijn claim op 'anders zijn' dient te verantwoorden. Vooralsnog hebben wij nog niet iedereen kunnen overtuigen van het 'anders zijn' van GroenLinks. Maar wat verwacht men? Dat deze, zoals nu, verder werken aan pogingen om pittige oppositie te combineren met het aandragen van alternatieven voor het paarse beleid? Of dat we een stap terugzetten en voorspelbaar tegendraads doen omwille van het tegendraads zijn?