Brinkman valt in 'democratisch gat'

De Tweede Kamer debatteert vandaag over de problemen rond de Rotterdamse politiechef Brinkman. De oorsprong daarvan ligt in de kabinetsformatie van 1989. Twee politiewoordvoerders van CDA en PvdA waren erbij en hebben nu spijt.

DEN HAAG, 2 OKT. In november 1989 ontstond een probleem dat politieministers en politiebestuurders tot vandaag achtervolgt. Het heet het 'democratisch gat' in de Politiewet en het vormt mede de oorzaak van de affaire-Brinkman waarover de Tweede Kamer vanmiddag zou spreken. Die burgemeester, in dit geval de Rotterdamse burgemeester Peper, kan fouten maken zoals een verkeerde politie-chef benoemen, zonder daarvoor als korpsbeheerder verantwoording te hoeven afleggen aan een democratisch gekozen orgaan binnen de regio. Hoe kon deze democratische black-out ontstaan?

Voor een antwoord op die vraag verwijzen F.J. van der Heijden (CDA) en P. Stoffelen (PvdA), destijds politiewoordvoerders van hun beider fracties, naar een geheime bijeenkomst op een zaterdagochtend in november 1989. De formatie van het derde kabinet-Lubbers was bijna ten einde, toen de twee specialisten bij hun fractieleiders werden geroepen.

“Het was ergens in een kamer van Elco Brinkman op het Binnenhof”, zegt Van der Heijden. “De beoogde ministers waren al akkoord gegaan met het concept-regeerakkoord van Lubbers III. Er was echter nog één probleem: onze teksten voor een andere opzet van de politie zaten de start van het kabinet in de weg. Ik voelde dat er iets dreigends in de lucht hing. Later begreep ik pas dat Hirsch Ballin geen minister van Justitie wilde worden als onze tekst niet flink werd aangepast. Dales kon het veel minder schelen. Die wilde gewoon minister worden.” Stoffelen: “Bovendien kwam ze net uit Japan en was ze, waarschijnlijk door een jet-lag, niet toegekomen aan overleg met ambtenaren van Binnenlandse Zaken.”

In de weken voorafgaand aan de bijeenkomst dachten Van der Heijden en Stoffelen een ingewikkelde kwestie te hebben opgelost. Jarenlang was de politie geteisterd door structurele problemen. Enerzijds was ze versnipperd over 148 gemeentelijke korpsen. Anderzijds organiseerden criminelen zich steeds hechter en overschreden zij de gemeente-, regio- en landsgrenzen.

Sleutel tot de oplossing vormde volgens Stoffelen en Van der Heijden een lokaal korps met een regionale component. Veel lokale problemen als drugsoverlast en de dagelijkse criminaliteit deden zich voor in de gemeenten. Tegelijkertijd was meer samenwerking in de regio geboden, opdat de gemeenten hoge investeringen, nodig voor de criminaliteitsbestrijding, konden delen. Voor dat laatste zou een regionaal college in het leven worden geroepen op basis van de bestaande Wet Gemeenschappelijke Regelingen (WGR).

Deze wet, die maakt dat regionale diensten als brandweer- en ambulancediensten door gemeenten werden gedeeld, bood twee voordelen. Ze was gebaseerd op een gebiedsindeling die tevens kon worden gebruikt voor de indeling van de regionale politiekorpsen. Ten tweede, nog belangrijker, bood ze gelegenheid voor democratische verantwoording. Het regionaal college dat de diensten in die regio controleert, wordt namelijk gekozen door de betreffende gemeenteraden uit de regio. Datzelfde college zou het controlerende orgaan voor de politie-nieuwe-stijl kunnen worden. Mocht een gemeenteraad het niet eens zijn met het gevoerde politie-beleid, dan kon ze altijd besluiten haar vertegenwoordiger uit het college terug te trekken.

Het liep echter allemaal anders. “Hirsch Ballin heeft het model van de gemeenschappelijke regeling willens en wetens verlaten”, zegt Van der Heijden over zijn partijgenoot. “Hij was totaal gefocust op de discussie over de grote criminaliteit. Daarin vond hij zijn drijfveer om het allemaal anders te willen. Ook was hij geen lokaal-bestuursmens, maar professor.” De aspirant-minister vond de invloed van zijn toekomstig departement op de politie-nieuwe-stijl te gering, aldus Van der Heijden en Stoffelen, en greep op twee manieren in. Hij koppelde de nieuwe regionale gebiedsindeling niet aan die van de WGR, maar aan die van de justitiële arrondissementen. Ook eiste hij dat de hoofdofficier van justitie de politieregio mee zou gaan besturen.

“Dat was heel raar”, zegt Van der Heijden. “Hirsch Ballin vond dat het openbaar ministerie rechtstreeks invloed moest hebben op het beheer van de politie. Tot dan toe was het OM alleen verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving; als een officier een auto nodig had, dan moest hij die vragen bij de burgemeester. Nu hoefde dat niet meer. Er kwamen twee bazen, de burgemeester en de hoofdofficier. Samen gingen die, ongecontroleerd, overal over.”

Stoffelen herinnert zich het einde van de formatie nog. “Vlak voor de regeringsverklaring kregen we te horen dat er een afwijking van onze opzet zou moeten komen. De twee beoogde ministers waren daarmee al akkoord gegaan. Er werd ons gemeld: zo is het dus. Fait accompli!” Grommend gingen de regeringsfracties akkoord. “Te snel”, zeggen de twee nu met spijt. Stoffelen en Van der Heijden dachten tijdens de behandeling van de nieuwe Politiewet in de Tweede Kamer met de nodige aanpassingen de grootste afwijkingen te kunnen terugdraaien. Van der Heijden: “Tijdens die bewuste bijeenkomst riep ik in mijn angst en woede nog: 'Reparatiewetgeving!'. Vandaar die stoet van amendementen die later op gang kwam en waar Hans Dijkstal (politiewoordvoerder van de VVD, red.) altijd zo om moest lachen.”

Tachtig procent van de politiewet werd gerepareerd, zeggen beiden, maar de overige twintig procent, waaronder het gebrek aan democratische controle op het regiokorps, bleef bestaan. Er volgde een noodgreep. Inmiddels was de discussie over de stadsprovincie op gang gekomen, een nieuw regionaal orgaan boven de gemeenten. Het - democratisch gekozen - stadsprovinciebestuur zou mooi het bestuur van het regiokorps kunnen vormen, bedachten Stoffelen en Van der Heijden. Bij de behandeling van de Politiewet dienden zij dan ook een motie in waarin zij voorstelden op termijn het stadsprovinciebestuur het gezag van de regiopolitie te laten vormen.

Maar de plannen voor een stadsprovincie werden, zoals bekend, een fiasco. Bij het stemmen over de Politiewet in 1993 smaalde D66-Kamerlid Kohnstamm richting CDA en PvdA hoe zij nu 'ja' konden zeggen tegen een onafgemaakte wet: wel een regiokorps, maar (nog) geen controle. “Kohnstamm heeft zijn sterkste nummer gemaakt met het democratisch gat. Hij vlamde als geen ander. Hij had gelijk”, zegt Van der Heijden. “Door dat democratisch gat kunnen we vandaag alleen de minister van Binnenlandse Zaken aanspreken op de affaire-Brinkman, terwijl hij daarvoor maar een beperkte verantwoordelijkheid heeft, al moet ik dat laatste als oppositiewoordvoerder misschien niet zeggen.”

Hirsch Ballin verwerpt in een reactie de kritiek van Stoffelen en Van der Heijden. Hij achtte de democratische controle destijds afdoende geregeld doordat de burgemeester zich niet als korpsbeheerder maar wel als burgemeester moet verantwoorden tegenover zijn eigen gemeenteraad. Bovendien waren er volgens hem goede gronden om niet akkoord te gaan met de plannen van de twee politiespecialisten. “De door hen voorgestelde WGR-regio's waren te klein en te talrijk (60) om goed als bestuurlijk kader te fungeren voor de nieuwe politiewet. Ook was het erg ondoelmatig om de regio-indeling van politie en justitie niet op elkaar af te stemmen”, aldus de oud-minister.